Jakob kon, toen hij nog klein was, nooit eenige lekkernijen onaangeroerd laten; altijd moest hij eens daarvan proeven. Dan snoepte hij van de suiker, dan likte hij van de siroop, dan nam hij eenen appel, dan weder eene peer van zijne moeder.
Hij werd dikwijls bestraft om zijn snoepen, maar het hielp niets.
Hij besteedde al zijn geld aan snoe-
perij, en hoe meer hij dit deed, hoe meer trek hij kreeg om te snoepen.
Als hij iets nam, dat hij niet hebben mogt, dan klopte zijn hart wel; dan was hij wel angstig en bevreesd, dat zijne ouders het ontdekken zouden, maar dat hielp niets, hij ging evenwel zijnen gang.
Toen Jakob grooter was, kwam hij in dienst bij eenen heer. Hij kon deze schadelijke gewoonte niet afwennen, en toen hij al zijn geld versnoept had, wist hij geen' raad meer. Hij kon evenwel het snoepen niet laten, en toen deed hij het zoo veel te meer van het eten en drinken, dat voor zijnen heer gereed gemaakt was.
Eens had hij het zoo erg gemaakt, dat zijn heer het ontdekte, en hij werd uit zijne dienst gejaagd. De heer had medelijden met hem, daarom vertelde hij het niet aan andere menschen.
Nu liep Jakob zonder iets te verdienen. Zijne ouders waren reeds lang dood, en hij moest aan alles gebrek lijden.
Gelukkig, dat hij nog in tijds van zijne kwade gewoonte terug kwam. Hij zag ne zelf in, hoe schadelijk het snoepen is.
Hij verbeterde zich, en werd daarna door eenen anderen heer in dienst genomen. Nu had hij door schade geleerd, en paste wel op, dat hij zich niet meer aan dit kwaad schuldig maakte.