Zoodra Hendrik des morgens opstaat, dan denkt hij met blijdschap aan God, omdat hij zoo veel goeds van Hem ontvangt, en omdat God hem zoo gunstig bewaart.
Als hij dit alles nadenkt, dan wordt hij zeer blijde, omdat God zoo goed is. Dan vouwt hij zijne handen te zamen, en bidt eerbiedig:
Goede God: ik dank U, dat Gij mij dezen nacht wederom bewaard hebt. Wil
mij ook dezen dag, en altijd, gunstig bewaren, opdat ik altoos braaf mag leven, en U voor uwe goedheid danken. Amen.
Als hij zijn gebed gedaan heeft, dan wascht en kleedt hij zich, en doet met blijdschap alles, wat zijne ouders van hem begeeren.