terug  begin  verder

Wat Hendrik des middags doet.

Ik was laatst bij Hendriks ouders ten eten, maar gij hadt eens moeten zien, hoe ordelijk alles ging.

Hendrik, die de oudste is, moest overluid het gebed doen. Hij stond eerbiedig voor de tafel.

Zijne broertjes en zijn zusje vouwden hunne handjes, en Hendrik bad:

Goed God! Gij geeft ons voedsel. Wij danken U daarvoor. Schenk daarover uwen zegen, opdat wij ons, na het gebruik dezer spijze, gezond en versterkt mogen bevinden. Amen.

[p. 17]origineel

Geen kind raakte het eten aan, voor zijne ouders het hem gegeven hadden.

Als zij meer wenschten, dan vroegen zij zeer beleefd om hetzelve.

Zij zagen ook niet ontevreden, als de eene iets meer kreeg dan de andere.

Ieder kind was dubbel tevreden met hetgene hem zijne ouders gaven.

Toen zij gedaan hadden met eten, dankte Hendrik:

Goede God! Gij hebt ons door spijs en drank versterkt, en ons daardoor nieuwe krachten gegeven, opdat ieder zijn werk zou kunnen verrigten. Schenk ons verder uwen zegen, en maak ons dankbaar voor alles, wat wij van uwe goedheid ontvangen. Amen.

 

Des avonds zit Hendrik met zijne broertjes en met zijn zusje bij zijne ouders. De vader vertelt hun dan veel goeds, en leert hun, hoe zij handelen moeten om brave menschen te worden.

[p. 18]origineel

De kinderen zitten dan met open mond te luisteren, want zij willen gaarne braaf worden.

De vader spreekt dan dikwijls van God. Hij zegt zijnen kinderen, hoe goed God is, en hoe veel wij Hem te danken hebben.

Eer Hendrik naar bed gaat, dankt hij altijd God voor zijne goedheid, en bidt, dat Hij hem ook des nachts wil bewaren.

Somtijds zingt de vader met zijne kinderen een avondlied. Dan denken zij allen aan God, en verheugen zich, omdat Hij zoo goed is.

O! zingend aan God te denken, maakt ons regt verheugd.

Avond-lied.
 
De dag verdwijnt,
 
De nacht verschijnt,
 
'k Zie 't uur van rust genaken.
 
Ik leg mij neer:
 
Wil, Hemelheer!
 
Mij in deez' nacht bewaken.
[p. 19]origineel
 
Laat na deez' nacht,
 
Met nieuwe kracht,
 
Mij vrolijk weer ontwaken.
 
'k Vertrouw mijn lot
 
Aan U, o God!
 
Die alles wel zal maken.

Een kind, dat zoo braaf is als Hendrik, zal ook gaarne school gaan. Twijfel niet daaraan. Ieder braaf kind weet wel, dat er in de school veel nuttigs te leeren is.

Hendrik verzuimt zelden eenen schooltijd. Hij is altijd gaarne in de school, en is daarin even zoo gehoorzaam als te huis bij zijne ouders.

Hij doet nooit zijnen meester verdriet aan. Hij kent altijd zijne lessen. De meester behoeft nooit tegen hem te zeggen: Hendrik! let op!

Als andere kinderen eens praten gedurende de les, dan verzoekt hij hun zulks niet te doen; maar hij zegt het nooit am den meester als zij zamen praten. Hij weet wel, dat dit zeer leelijk staat. Ook heeft hij niet gaarne, dat een ander bestraft wordt.

[p. 20]origineel

Hendrik ging laatst naar school. Onderweg ontmoette hem Jan, een zijner schoolmakkers. Deze zag zoo rood in het aangezigt, en het vuur straalde hem uit de oogen.

Hendrik.

Wat deert u? Jan! zijt gij ziek?

Jan.

Neen! Maar die Willem, die slechte, ondeugende jongen, die.... als hij hier was, dan zou ik hem slaan, dat....

Hendrik.

Foei! hoe raast gij zoo. - Hoe kunt gij u zoo kwaad maken?

Jan.

Zoudt gij ook niet kwaad worden? - Daar heeft hij mijn boek in den modder gegooid. Maar ik zal het den meester zeggen, en dan....

Hendrik.

En dan? Dan denkt gij misschien, dat de meester hem zal straffen.

[p. 21]origineel
Jan.

Wel ja! verdient hij dat niet? Zoo mijn boek in den modder te gooijen!

Hendrik.

Het is mogelijk, dat de meester hem straffen zal, maar hij zal dit niet doen, voor dat hij weet, of Willem schuld heeft. Deed Willem het wel uit moedwil?

Jan.

Dat weet ik niet; maar zie eens, hoe mijn boek er uit ziet!

Hendrik.

Als Willem door den meester gestraft wordt, zal uw boek dan daardoor schoon worden?

Jan.

Neen, dat zal het niet.

Hendrik.

Wat zal het u dan helpen: of zoudt gij gaarne zien, dat hij gestraft werd?

Jan.

Wel ja! want dan zou hij het niet weerdoen.

Hendrik.

Willem heeft dit zeker met geen op-

[p. 22]origineel

zet gedaan; ik ken hem beter. Zoudt gij u nu kunnen verheugen, als hij onschuldig gestraft werd? - Och neen! doe dit niet. Niemand zou uw gedrag prijzen. Gij zoudt over u zelven ontevreden zijn, en Willem zou u zeker daarom niet liefhebben.

Jan.

Maar mag hij dan kwaad doen?

Hendrik.

Neen, dat mag hij niet. Maar zijt gij overtuigd, dat hij het uit moedwil gedaan heeft?

Jan.

Neen. Maar wat zal ik zeggen, als de meester mijn boek ziet?

Hendrik.

Geef mij uw boek - daar hebt gij het mijne. Ik zal het wel verantwoorden; maar zeg vooral niet, wat Willem gedaan heeft

terug  begin  verder