Maria is een zachtzinnig meisje. Zij is altijd even vrolijk en vriendelijk. Zij wordt nooit kwaad, als het haar niet naar haren zin gaat.
Er zijn meisjes, die bij de minste beleediging kwaad worden, en haar hoofd toonen.
Die ieder norsch bejegenen, die haren zin niet doet. Die ieder kwaad bescheid geven, die haar tegenspreekt.
Zoo doet Maria niet. Maria weet wel, dat men nooit vergenoegd kan zijn, als men om iedere beuzeling kwaad wordt.
Zij weet ook wel, dat men driftige menschen door zachtzinnigheid het best tot [bedaren kan brengen]. Dit heeft zij reeds bij ondervinding [geleerd].
Haar broêr Willem is een driftige jongen, die opvliegt als buskruid, als hij meent, dat men hem beleedigt.
Maar, wat doet Maria dan? Zij blijf zeer bedaard. Als zijne eerste drift voorbij is, dan tracht zij hem door vriendelijkheid te overtuigen, dat hij verkeerd gehandeld heeft, en dit mist haar zelden.
Als Maria dit met kwaadheid wilde doen, dan zou het haar nooit gelukken.
Willem houdt ook veel van zijne zuster.
Ik wenschte, dat ik zoo zachtzinnig ware, als gij, lieve Mie! zegt Willem dikwijls, dan zou ik zoo vele onaangenaamheden niet hebben.
O, dat kunt gij wel, is dan het antwoord van Maria, als gij over elke beuzeling niet zoo driftig wordt.