terug  begin  verder
[p. 35]origineel

Maria is niet zoo vreesachtig als vele andere kinderen.

Eens was Maria met haar nichtje Keetje in den tuin van een' harer buren.

Maria plukte eenige bloempjes, die in het gras groeiden, en terwijl zat Keetje onder eenen boom. Eensklaps begon dit meisje te gillen en te schreeuwen.

Maria liet van schrik hare bloempjes vallen, en liep naar Keetje. Zij dacht, dat deze eenig ongeluk bejegend was.

En wat denkt gij, dat haar was overgekomen? Zoodra Maria digt hij haar was, begon Keetje weder uit alle magt te schreeuwen, en riep niets anders dan: eene spin! eene spin! Och, help! help! eene spin! eene spin!

Er liep eene spin over Keetjes rok.

 

Maria had medelijden met het onnoozele meisje, dat voor eene spin zoo be-

[p. 36]origineel

vreesd was. Zij nam de spin op en wierp haar weg.

Zij doodde haar niet, omdat zij wel wist, dat men buiten noodzakelijkheid geen schepsel van het leven mag berooven.

Och! zeide Maria, die spin zal u immers geen kwaad doen. Gij moet u zoo ligt niet bevreesd maken, en vooral niet voor diertjes, die u niet schadem kunnen.

Hoe komt het toch, vroeg Maria verder, dat gij zoo bevreesd zijt voor spinnen?

Men heeft mij daarvoor zoo bang gemaakt, antwoordde Keetje. Och! och! daar komt zij weêr!

Maria nam haar nichtje bij de hand, en ging in huis. Zij wist niet, hoe zij het best dit meisje zoude tevreden stellen, maar dit wist zij, dat alles, wat God geschapen heeft, nuttig is, en dus ook de spinnen en andere beestjes.

terug  begin  verder