|
|
|
| |
| | | |
V Nieuwe zakelijkheid als procédé
Geen verzinsels maar feiten in proza waaruit maatschappelijk
engagement spreekt, verlangde Donker van de schrijver. Van de buitenlandse
voorbeelden die hij de Nederlandse auteur ter navolging voorlegt, is de
invloed van Ehrenburgs nieuw zakelijke ‘industrieroman’ 10 P.K. Het
leven der auto's het grootst geweest. Tot ‘de Nederlandse tak van
de familie Ehrenburg’ kunnen onder andere Revis' roman 8.100.000 m3 Zand en Stad van Stroman
gerekend worden. Deze boeken, beide in 1932 gepubliceerd, zijn bij uitstek
nieuw zakelijk te noemen. De invloed van film en reportage is evident, de
stijl is uiterst compact, de stof is geput uit het dynamische bedrijfsleven.
In de literaire kritiek worden deze romans over het algemeen welwillend
besproken; men vindt dat er een vernieuwende werking voor het proza van
uitgaat. Door vergaande uitdrukkingsconcentratie - waardoor ze in de
ontwikkeling naar een meer zakelijke stijl een uitzonderlijke positie
innemen - wordt afgerekend met de beschrijvingskunst. In Zand gebeurt dat ook door stukken ‘mooischrijverij’ in te lassen. Die
impressionistische natuur-evocaties zijn afkomstig van een journalist van
wie gezegd wordt dat hij een ‘epigoon van het naturalisme’ is. In dit
hoofdstuk wordt aan het werk van Ehrenburg, Revis en Stroman enige aandacht
besteed.
Voor Marsman deugde deze zakelijkheid niet. Met de nieuwe
zakelijkheid als norm ontwikkelt de literatuur zich in een voor hem
ongewenste richting. Voor de reporter is die norm geschikt, niet voor de
kunstenaar die de schrijver diende te zijn. Een nuchtere zakelijke weergave
van ‘de moderne wereld en al haar phenomena en van den modernen mensch in
wisselwerking met die phenomena’, kan in de journalistiek geëist worden, in
de literatuur mag niet gerekend worden met dwingen-
| | | |
de voorschriften. De kunstenaar kent geen andere wet
dan de schoonheid, die ontstaat, niet door de werkelijkheid af te beelden,
maar door haar te ver-beelden, door haar ‘te vervormen tot Beeld’.
De romans van Revis, Stroman en anderen, die als extremisten der
zakelijkheid zijn te karakteriseren, hebben geen noemenswaardige navolging
gekregen in het proza dat omstreeks 1932 gaat verschijnen. Marsman noemt in
dat jaar naast anderen Helman, Du Perron en Slauerhoff als degenen die ‘voor
het eerst na jaren’ het provincialisme in de Nederlandse romankunst hebben
doorbroken. In hun werk, en dat van bijvoorbeeld Walschap en Bordewijk, is
de woordkunstige beschrijving en de psychologische uitleg van de ‘oude’
realistische roman overwonnen. Al veel eerder gebeurde dat in het proza van
onder andere Elsschot, dat pas na 1930 aan de vergetelheid wordt onttrokken.
Vooral vanwege het ontbreken van het stilistisch ornament, is het proza van
hen, maar ook van Ter Braak en Vestdijk, in verband gebracht met de nieuwe
zakelijkheid. Dat heeft ertoe bijgedragen dat de veel gebruikte term nieuwe
zakelijkheid voor de letterkunde vaag en moeilijk te definiëren werd.
Zoals we gezien hebben zocht Donker de oorzaak voor het gebrek aan moderniteit
bij de Nederlandse prozaschrijver in zijn wereld-vreemdheid. In Ter
zake doet hij een scherpe aanval op de romanschrijver die niet in zijn
tijd leeft, niet uit zijn tijd schrijft, maar situaties, karakters en intriges
verzint. ‘Zijn object is de mensch in zijn vrijen tijd, want van beroep,
bedrijf, van heel het sociaal of onsociaal organisme heeft de schrijver
doorgaands maar een flauw benul. De schrijvers houden zich bezig met
waarheidgetrouwe, of althans waarschijnlijke verzinsels, maar niet met de
werkelijkheid.’ ‘Het bare materiaal, dat aan alle kanten rondom hem ligt,
negeert hij.’1 Romans ‘over toestanden, collectieve functies, samenhangen en
invloeden’ worden niet geschreven. Het nieuwe proza wordt weliswaar beproefd -
Donker wijst op Van Wessem en Den Doolaard (sic) - maar de vernieuwing betreft
uitsluitend de stijl; aan nieuwe stof zoals die te vinden is in de boeken van
bijvoorbeeld Ehrenburg, Döblin en Dos | | | | Passos, zijn de jongere
schrijvers in Nederland nog niet toe. Ook van de zogenaamde literaire reportages
van ‘razende reporters’ als Egon Erwin Kisch en Heinrich Hauser kunnen de
Nederlandse schrijvers nog wat leren.2 Heel het moderne leven - ‘een wervelwind van machines,
scycrapers, danszalen, bars, verkeersmiddelen, fabrieken’ - passeert in
dergelijke reportages tendentieus de revue, want uiteindelijk wordt de
beschreven werkelijkheid veroordeeld. De tendens die Donker uit Hausers Feldwege nach Chicago (1931) haalt, zal kenmerkend zijn voor
de sociale strekking van een aantal Nederlandse nieuw zakelijke romans.
‘[Hausers] conclusie is, dat het wereldstadsleven ten slotte de zelfmoord der
menschheid beteekent en in zijn laatste perfectioneering den mensch doet
uitsterven temidden zijner skyscrapers en suizende en razende machines. Er moet
weer ruimte in de wereld komen, er moet weer grond, die geen bouwgrond is,
tusschen de steenen stapelingen, de monstrueuse moderne mierenhoopen
komen.’3
In het kader van de buitenlandse voorbeelden die Donker de Nederlandse
romanschrijver voorlegt, wordt een aparte paragraaf in Ter
zake gewijd aan het boek dat waarschijnlijk het meest van invloed is
geweest op het ontstaan en de ontwikkeling van de Nederlandse nieuw zakelijke
literatuur: Das Leben der Autos (1930) van de Russische
schrijver Ilja Ehrenburg. De inzet van Ter Braaks opstel Ehrenburg
maakt school geeft aan welke waarde aan dit boek wordt toegekend: ‘Voor
de litteratuur-historici van het jaar 2000 - en trouwens reeds daarvoor - die er
zich toe gaan zetten om uit te maken, welke figuren de Nederlandse letterkunde
van 1933 en omgeving hebben beheerst, zal één naam met reclameachtige
duidelijkheid aanstonds naar voren springen: Ilja Ehrenburg. Als deze
litteratuur-historici een scherpe neus hebben, zullen zij in die letterkunde
twee tijdvakken kunnen onderscheiden: het tijdvak vóór en het tijdvak ná het
verschijnen van Het leven der Auto's, het boek, waarmee
Ehrenburg bij ons eigenlijk pas goed carrière heeft gemaakt.’4
Het leven der auto's is een felle aanklacht tegen het
kapitalisme, dat in zijn meedogenloos winstbejag de mens volkomen domineert en
| | | | daardoor demoraliseert. De stijl van dit ‘geniale pamflet’ (Ter
Braak) is uiterst geserreerd: de zinnen zijn kort en hebben een veelal identieke
syntaxis. Het gebruik van het praesens, de vele namen van bestaande personen,
instellingen en locaties, verwijzingen naar gebeurtenissen ‘die werkelijk hebben
plaats gevonden’, overvloedig cijfermateriaal: het zijn aspecten waar een
defictionaliserende werking van uitgaat, ze geven het boek een reportage-achtig
karakter. ‘Dieses Buch ist eine Chronik unsrer Zeit. Die darin vorkommenden
Helden wie auch die Fabel sind nicht erfunden’, vermeldt het voorwoord van de
Duitse editie uitdrukkelijk.5 Donker noemt het boek geen roman,
immers ‘feiten zijn de schroeven, bouten en moeren, waarmee [Ehrenburg] zijn
renwagen heeft gebouwd. Zijn boek is geen roman, hij brengt slechts namen,
feiten en cijfers in scène. Door een scherpe, nuchtere registratie, in een stijl
als van beursnoteeringen, ontwerpt hij zijn visioen van de wereldindustrieën,
zijn beeld van de fabrieken van Citroën, van den gemechaniseerden arbeid, van de
reclame [...] van de beurzen, concurrentie, speculatie, corruptie, van de
rampen, stakingen en ongelukken, rubberplantages, Shell en Standard Oil,
Deterding, Ford en Hoover’.6
Het volgende citaat uit de Nederlandse vertaling kan als illustratie dienen:
‘Haast hebben de arbeiders. Haast hebben de ingenieurs. Haast heeft ook
de heer Citroën. In het ruime kantoor tikken de typistes. Lucie Neville. Nummer
318. Vlugger! Het papier inleggen - 44 seconden. Een brief - 3 minuten 19
seconden. Overlezen - 50 seconden. De doorslag in de la leggen - 4 seconden. De
man met de chronometer snelt van de ene werkbank naar de andere. Hij heeft een
stopwatch en een tabel. Hij rekent per seconde. Hij kijkt naar de hand en naar
de wijzer. Hij noteert. Het zijn geen doodvonnissen, het zijn slechts goedkopere
auto's. Haast hebben de ingenieurs. Zij denken een nieuw type wagen uit.
Snelheid verhogen. Het gemak vergroten. De prijs verlagen. De motor moet zo
weinig mogelijk brandstof verslinden. “Ford” heeft voor 100 kilometer 11 liter
benzine nodig. Nou ja, de Amerikanen hebben zowel benzine als dollars. “Citroën”
moet met weinig genoegen nemen. 7 liter. De koper is een snob, hij ver- | | | | langt zes cylinders. De koper is zenuwachtig, hij eist een
geruisloze motor. De koper is zuinig, hij wil niet veel betalen.’7
Het enthousiasme voor Ehrenburg is zowel bij Donker als Ter Braak van korte duur
als blijkt dat hij zich in volgende boeken herhaalt. De ideologie is dezelfde,
de vormgeving ook, wordt een sjablone met grote voorspelbaarheid. In 1934
schrijft Ter Braak over zijn eerste, positieve, reactie op Het
leven der auto's: ‘Het staat mij nog levendig voor de geest, dat ik dit
handige, vlotte en ongetwijfeld destijds zeer boeiende boek las en het zelfs in
niet geringe mate bewonderde. Het procédé [...] was mij onbekend in deze vorm;
en ieder procédé, dat met een zekere handigheid en vlotheid gebruikt wordt,
terwijl men het nog niet als procédé doorziet, imponeert in zekere mate.[...] Ik
zou mij thans, Maart 1934, wat minder opgewonden uitlaten, als men mij mijn
mening vroeg over Het Leven der Auto's, niet omdat ik iets af
wil doen aan de genialiteit van het “pamflet”, maar omdat mij de vulgaire en
gemakkelijke kant van het pamflet als zodanig thans helderder
voor ogen staat. Ook het geniaalste pamflet blijft hardnekkig vulgair en...
pamflet.’8 Dit
standpunt zou Ter Braak niet meer wijzigen, zoals blijkt uit zijn besprekingen
van de nieuw zakelijke romans, die ‘het Nederlandse filiaal van het concern
Ehrenburg & Co.’ vormen.
In 1932 verschijnen twee boeken die stilistisch en inhoudelijk het nieuwe proza
brengen waar Donker om vroeg, boeken die Ter Braak waarschijnlijk ondergebracht
zou hebben bij ‘de Nederlandse tak van de familie Ehrenburg’: 8.100.000 m3 Zand van M. Revis (pseudoniem van W.
Visser) en Stad van Ben Stroman. In de ontwikkeling van
uitvoerige beschrijving naar een meer zakelijke uitdrukkingsvorm nemen deze
romans een uitzonderlijke positie in vanwege de rigoureuze wijze waarop afstand
is genomen van de uitweiding in de realistisch-psychologische roman. In dit werk
treft men het ‘geladen’ proza waarin één zin vermag wat twintig zinnen vroeger
deden, waarin de zinnen werken ‘als electrische geleidingen, waartusschen de
vonken door het ledige springen’ (Van Wessem). Over het algemeen is de ontvangst
in de literaire kritiek niet ongunstig. Mede om het oordeel dat | | | | Marsman in zijn belangrijk essay De aesthetiek der reporters
over het nieuw zakelijke proza uitspreekt meer reliëf te geven, wordt hier
globaal ingegaan op de receptie van deze boeken in de literaire kritiek.
Revis' debuut Zand behelst de geschiedenis van een
zandexploitatie-maatschappij die het doen en laten van de personages volledig
beheerst, terwijl al het menselijk streven als in wezen ijdel wordt voorgesteld.
De bijbelpassus ‘Ik, Prediker, was Koning over Israël, te Jeruzalem... En ik zag
al de werken aan, die onder de zon geschieden, en ziet...’, dient als leidmotief
om deze tendens te accentueren.
De invloed van Ehrenburg is duidelijk, te duidelijk meent Van Vriesland, toch
behoudt Revis ‘de verdienste een der eersten in ons land te zijn, die in zijn
puntige, scherpe, korte zinnetjes niet een theoretische opvatting omtrent, maar
een begrijpend verwantschapsgevoel met de moderne samenleving tot uiting heeft
gebracht. Zijn “zakelijkheid” is daardoor inderdaad “nieuw”, want zij is niet
uit opzettelijke stelselmatigheid voortgekomen, maar uit werkelijke
belangstelling, en technisch is zij verrijkt met de geoefendheid, die het oog
door de vormentaal van de hedendaagse film gekregen heeft’.9 Tegenover de door enkele critici verkondigde mening dat dit
soort werk in het buitenland reeds bestaat en daar meer kwaliteit heeft, stelt
Van Vriesland dat in Revis' boek ‘een zuiver Hollands gegeven [...] bewerkt
wordt met al die eigenschappen, welke het beste van den Hollandsen aard
karakteriseren: soberheid, nuchterheid, eenvoud, opmerkingsgave,
werkelijkheidszin. In den stijl van onzen eigen tijd’.10
Volgens Anton van Duinkerken ‘kondigt [Zand] naar inhoud en vorm een verruiming
van de Nederlandsche romankunst aan en deze is heusch begeerenswaardig, nu drie
kwart van de verschijnende romans hopeloos veel lijkt op bijna vier kwart van de
verschenen romans’.11 Over de stelselmatigheid van ‘de nieuwe filmische dynamiek’ in deze
roman, ‘bijna een brochure’, denkt Van Duinkerken anders dan Van Vriesland: ‘Het
is de grootste fout van [Revis'] boekje, dat de lezer voortdurend op de methode
bedacht blijft. Door de span- | | | | ning van het verhaal heen breekt
telkens de storende opmerkzaamheid op de schrijfwijze.’12
De recensent van De gemeenschap, Ad. J. Sassen, kan weliswaar
weinig waardering opbrengen voor de te vaak voorkomende herhaling van
feitelijkheden en de compactheid van de stof, toch bezitten wij in Revis ‘een
nieuwe schrijver van ongemeene mogelijkheden’.13
Op grond van Zand en enkele latere publicaties, bijvoorbeeld
zijn roman over de auto Gelakte hersens (1934) en Zaharoff (1938), kan Revis beschouwd worden als ‘een van de meest
karakteristieke vertegenwoordigers van de nieuwe zakelijkheid’.14 Doordat Revis met leerstellige
hardnekkigheid het eenmaal gekozen nieuw zakelijke concept, inhoudelijk en
stilistisch, handhaafde, zijn latere oordelen van tijdgenoten meestal negatief.
Van Vriesland spreekt in 1937 over ‘de nutteloze opeenstapeling van
feitenmateriaal, het uitstallen der droge, onverwerkte documentatie, welke de
zakelijkheid van b.v. Ehrenburg, Revis e.a. bij gedeelten ongenietbaar
maakt’.15 Dat Ter Braak hem een
‘nieuwe-zakelijkheidsmaniak’ noemt,16 mag weinig verwonderlijk heten.
Tenslotte een fragment uit Zand:
‘Nu begint het. In 1903: vervoer van zand op verschillende plaatsen in
Amsterdam. Guldensteeken. Vier. Acht. Punt. Eén. Negen. Zeven. Graven van
haventjes. Baanlichaam voor een spoorweg. 6, 5, 3, 8, 3, 1. Werk Thorbeckeplein.
Keien en zand voor de tram. M3. 1. 1. 8. 3. 5. 3.
Honderd-achttien-duizend-driehonderd-drie en vijftig! Dat is het zandvervoer van
IJmuiden naar Amsterdam./ Negentien-vier. Zand van IJmuiden naar Amsterdam,
zand, zand, heiwerken, ombouw Sarphatistraat, Watergraafsmeer. Weer een jaar
om./ Vooruit! Heiwerk Roggeveenstraat, loodsbouw, werk zandvervoer, levering
8000 M. trottoirband, die zijn van Belgische steen. Zijn de Ardennen romantisch?
De sparren ruischen droevig en een paard hinnikt. Werk gasfabriek, stank, rook,
zweet, bouw van riolen. Zand van IJmuiden naar Amsterdam. M3. Vijf. Zes. Eén. Drie. Twee. Vijf. Dat is al drie maal zoo veel als in
het eerste jaar. Vooruit!’17
| | | |
Ben Stroman debuteerde met Stad, dat een motto van Joseph
Conrad meekreeg: ‘This is not a marriage-story’. Daarmee distantieert Stroman
zich uitdrukkelijk van de intrige in de psychologisch-realistische roman. Van
Vriesland typeert het boek uitstekend als ‘een in korte, gedrongen zinnen
synthetisch verhevigd panorama van Rotterdam’. Het is een ‘montage van kleuren
en vormen, van fragmentarische gesprekken, van “faits-divers”. Maar er is geen
ander verband, geen andere leidende gedachte of gang van gebeurtenissen, dan
[...] de stad. Steeds weer de stad in al haar ogenblikken, belichtingen,
aspecten. De Dijk. De inbrekerswereld. De politiek; de raad met, telkens weer,
en zeer menselijk gezien, de rapaljaan Coremans. Het kantoorleven. De rivier, de
havens, heel het scheepvaartbedrijf, met de arbeiders, de slepen, de veren, de
reders, de aandeelhouders der grote maatschappijen. Zonder de samenvattende
visie van een levensbeschouwing maar wel naakt eerlijk, los en levendig
gegeven’.18 Van Vriesland vindt het boek ‘bij
fragmenten indrukwekkend’ en waardeert ‘het zoeken naar een synthetischer,
minder aan het toevallig individuele gebonden weerspiegeling van het leven dan
men in ons land gemeenlijk aantreft’.19
Minder positief is Van Vriesland over de stijl die hij kortademig noemt en in
woordkeus te literair. De weergave van bijvoorbeeld kranteberichten, fragmenten
van getypte brieven, reclame- en radioteksten in een daarbij passende typografie
- stukken van een radiopreek krijgen bijvoorbeeld een gotische letter -
‘verbreken onnodig de eenheid van de bedrukte pagina’. Het simultaneïsme, door
middel waarvan de suggestie van gelijktijdig plaatsvinden van gebeurtenissen op
verschillende locaties wordt nagestreefd, is in Döblins Berlin
Alexanderplatz en Dos Passos' Manhattan transfer
beter toegepast. Toch besluit Van Vriesland met Propertius' woorden, waarin
sympathie wordt uitgedrukt voor het beter te hoog grijpen dan te laag: ‘In
magnis et voluisse sat est’.20
In de bespreking van Roel Houwink staan woorden van gelijke strekking: ‘En wat
Stroman hier in nieuwe richting bereikt heeft, is reeds meer dan men
redelijkerwijs [...] had mogen verwachten.’ | | | | De typografische
‘afwijkingen’ zijn voor Houwink wèl functioneel: ‘Bij Van Ostayen noch bij
Stroman lijkt het ons twijfelachtig of zij behooren in wezenlijken zin tot de
tekst van het verhaal. Zij suggereeren een sfeer, die de auteur op een gegeven
oogenblik noodig heeft zonder hem te nopen tot het geven van uitvoerige
beschrijvingen.’21 De nieuwe zakelijkheid zoals die in Stad tot uiting komt betekent volgens Houwink ‘een met de
allergrootste nuchterheid staan in het midden van het leven van dezen tijd en
dit levensmidden op zoo concreet en duidelijk mogelijke wijze in den litterairen
verbeeldingsvorm vastleggen’.22
Heel wat minder welwillend staat Victor Varangot tegenover Stad, het ‘hybridisch product [...], dat twijfelt tusschen literatuur,
film, dagblad en advertentiewezen’. Op de vraag hoe iemand kan komen tot het
maken van een boek als Stad, geeft Varangot het volgende
antwoord: ‘de zucht om “modern” te zijn, de film en de Groote Voorbeelden.’ Van
de film, die Varangot gelijk stelt met de bioscoop, kan de literatuur weinig
goeds leren: ‘het is bekend welk een slechten invloed de bioscoop heeft op de
hedendaagsche jeugd. Het is de opleidingsschool tot misdadiger, snob, vampir of
regisseur, maar nooit tot literator.’23 De simultaneïteit, die in een boek ‘toch niet
anders dan in een opeenvolging ondergebracht kan worden’, is eigen aan de film
en zet de lezer niet aan tot interesse: ‘Het is een grove psychologische fout om
te veronderstellen dat ooit een lezer zal vragen “Wat gebeurde er ook?” in plaats van “Wat gebeurde er toen?”.’24 Dat in de ‘Groote Voorbeelden’, die eveneens
op de Groszstadt geïnspireerd zijn - Ulysses, Manhattan transfer,
Berlin Alexanderplatz - het simultaneïsme niet storend werkt, komt
omdat daar op de een of andere wijze de noodzakelijke continuïteit aanwezig is,
continuïteit die Varangot Stad te enen male ontzegt: ‘Een
stelletje levens, die geen van allen interessant zijn, worden naast en door
elkaar afgedraaid.’25
Revis en Stroman kunnen de, naar de woorden van Van Vriesland, ‘extremisten der
nieuwe zakelijkheid’ genoemd worden, die hun romans van bedrijf en beroep
schreven ‘uit modernen werke- | | | | lijkheidszin en sociaal gerichte
aandacht’.26
De kansen die Marsman in 1929 voor het proza zag, lagen in het breken met de
‘lyrische bewogenheid’ en de explicatieve psychologie.27 De wijze waarop dat door onder andere Revis en Stroman
werd gedaan, en de niet onwelwillende houding van de kritiek, zullen ertoe
hebben bijgedragen dat Marsman zijn standpunt ten aanzien van het proza nog eens
duidelijk onder woorden bracht, het meest uitgebreid in De
aesthetiek der reporters. Met de nieuwe zakelijkheid als norm - door
Marsman zelf in De kansen van ons proza min of meer
voorgestaan - ontwikkelde het proza zich in een voor hem ongewenste richting.
In een aantekening uit 1931 voor De vrije bladen, die niet werd
afgedrukt omdat, aldus Van Wessem, ‘zijn waarschuwing op dat moment, midden in
den strijd voor het nieuwe proza, waarbij het gesignaleerde een te onbelangrijke
“misstand” gold, minder opportuun kon werken’,28 had
Marsman zich reeds gekeerd tegen ‘de mode van het anti-literaire’ in de
literaire kritiek van de jongeren. Aanleiding tot het schrijven van die
aantekening is een boekbespreking van Ter Braak. Wat Marsman onder andere
frappeert in die recensie is ‘dat zij slecht en opzettelijk-gewoon,
opzettelijk-onverzorgd was geschreven’. Hij vindt deze ‘misstand’ symptomatisch
‘voor een sinds kort, maar vrij sterk opkomende neiging tot naturalisme in de
jongere critiek’, en hij vervolgt: ‘Men protesteert tegen het al-te-literaire -
en terecht -, maar men slaat nu plotseling om in een praat-toon (Praat-stijl is een contradictio in adjecto). Deze neiging berust op
een verwarring, en op een verkeerd inzicht in het wezen der schrijfkunst,
waartoe ook het schrijven van critieken behoort, of moet behooren althans.
Natuurlijk moet het ideaal van iederen schrijver zijn: zoo te schrijven, dat men
niet meer merkt, dat het geschreven is; maar deze opperste eenvoud en, als men
wil, natuurlijkheid verwerft men, indien ooit, alleen door zoo goed mogelijk te
schrijven, en zéker niet door het zoo slécht mogelijk te doen. Misschien zal men
zeggen: maar goed-schrijven is geen styleeren - Ik geloof dan, daartegen in, | | | | dat alle schrijven, dat geen natuurlijke, maar een spiritueele,
scheppende functie is, een wijze van styleeren en rhythmeeren der wereld in de
taal is; en dat inderdaad de beste stijl deze is, wier gestyleerdheid men niet
meer merkt, doordat zij, per analogie, het leven (dat is natuur-èn-geest)
inhoudt, of tenminste: verbeeldt.’29
Hier refereert Marsman aan zijn theorie over de dichterlijke vormkracht die het
leven transformeert tot schoonheid, tot kunst; een theorie die in wezen niet
verschilt van zijn vroegere creativiteitsopvatting,30 en die in De aesthetiek der reporters een
van de pijlers van het betoog zal vormen. Marsman is er zich van bewust dat het
verwerpen van de ‘antiartistieke neiging tot het gewone’, en het opkomen voor
het stijlbegrip voor sommige jongeren een verouderd standpunt impliceert; dat is
dan jammer: ‘Ik ben dan op dit stuk graag en hartstochtelijk verouderd. Ik
protesteer tegen deze democratische nivelleering van het gestyleerde, en tegen
den keukenmeidentoon van de critieken vooral van Slauerhoff en Albert Helman.
Ook Ter Braak, en een enkele maal zelfs Van Wessem, vertoonen deze ellendige
neiging tot het alleen-natuurlijke.’31
Blijkens het artikel Derde dimensie en Europees peil uit 1932,
zal de stijl-nivellering niet het scheppend werk van de hier genoemde schrijvers
hebben aangetast. Tegenover de boeken van Coolen, De Man, Fabricius en Theun de
Vries, die niet uitkomen boven ‘het gematigde hollandse realisme’ - ‘Niemand is
gebaat met copieën van het alledaagse’ -, plaatst Marsman het werk van Helman,
Dekker, Du Perron, Van Wessem en Slauerhoff. Het doorbreekt ‘voor het eerst na
jaren, het provincialisme der nederlandse romankunst. Dit is de eerste en enorme
verdienste ervan, hoezeer het behept zij met fouten. De inzet is goed, het plan
is een plan waarop men kan leven, denken, bewegen en ademen. De richting is
goed, de kans van ons proza ligt dáár.[...] De kunstenaars die ik genoemd heb en
die hun verwant zijn, zullen in de volgende jaren de hollandse prozakunst nog
verder zuiveren van provincialisme. Zij strijden op een europees front, zij
staan, in potentie en soms in hun werken op europees peil’.32
| | | |
Overigens blijft het provincialisme - zie hoofdstuk IV - niet voorbehouden aan de
zogenaamde regionale romans: ‘De meeste provincialen wonen in de steden, in de
wereldsteden; zij reizen per vliegtuig, zij slapen in sleeping-cars, zij zwerven
door bars. De provincialiteit van een boek wordt [...] bepaald door den geest
van een schrijver.’33 Zo is Den
Doolaards De laatste ronde voor Marsman door en door
provinciaal, drie maal zo erg als Coolens Kinderen van ons
volk.
In de laatste jaargangen van De vrije bladen waren een aantal
controverses tussen de medewerkers aan het licht getreden, die de strijdbaarheid
van het tijdschrift aanzienlijk hadden verminderd. Zo deed Ter Braak een aanval
op het katholicisme waardoor hij Helman en Engelman tegenover zich vond. De
onderlinge verdeeldheid bleek vooral uit de zogenaamde Prisma-discussie.34 De verschillende standpunten in deze
polemiek, die tot de definitieve scheiding der geesten leidde, zijn lapidair met
de woorden ‘Vorm of Vent’ aan te duiden. Bovendien verloor het tijdschrift aan
niveau door het toenemend epigonisme, zoals Van Wessem later toegeeft: ‘[De vrije bladen] moesten vaak op een droevige wijze plaats
inruimen aan meeloopers en “zwakke broeders”, kunstnijveraars en eendagsvliegen,
om het tijdschrift maar te vullen. Dat daarop een reactie volgde, dat de
werkelijke persoonlijkheden onder de medewerkers, die zich onbehagelijk gingen
voelen, omringd door een horde van aangemoedigde epigonen en aesthetelingen,
deserteerden naar een nieuw tijdschrift, “Forum”, is begrijpelijk.’35 Als in 1931 pogingen om De vrije bladen artistiek
en zakelijk te reorganiseren op een mislukking uitlopen, is de weg vrij voor het
nieuwe tijdschrift waaraan behoefte was: Forum.36 In hetzelfde jaar verschijnt het eerste nummer van Forum onder redactie van Ter Braak, Du Perron en Maurice
Roelants.37 Het is in
dit tijdschrift dat Marsman in 1932 De aesthetiek der
reporters,38 het belangrijkste
afzonderlijke opstel over het proza in Forum, publiceert. Uit
het feit dat Marsman het in 1938 gebruikt als inleiding op zijn verzamelde
kritieken, kan men concluderen dat hij veel waarde hechtte aan de hier
geformuleerde opvattingen over | | | | het proza.
De zakelijkheid, stelt Marsman, is de nieuwe internationale esthetische norm die
op ieder gebied in de kunst de richtsnoer is geworden: ‘zij werd het universeele
geloof van een jonge generatie van acteurs, romanschrijvers, musici, schilders
en architecten: zij werd een leus voor de gansche moderne wereld.’ Toegespitst
op de roman moet de nieuwe zakelijkheid in eerste instantie opgevat worden als
een strijd tegen het psychologisme: ‘De impressionisten, de psychologen, de
karakterontrafelaars [...] gingen in hun procédé zoo analytisch, détailleerend,
subtiel en splitsend te werk, dat men in hun boeken in plaats van menschen
geanalyseerde lijken vond, wezens die verpulverden tot atomen, diagrammen van
menschen; de reacties en vooral de verklaringen dier reacties werden dikwijls
onwerkelijk van raffinement, willekeurig uit relativistische spitsheid. De
boeken dier ouderen maakten den mensch los van het geweldige massale leven van
den tegenwoordigen tijd, bestudeerden hem in zijn studeerkamer en laboratoria,
rukten hem uit zijn sociaal verband, gaven den tijd en de werkelijkheid
hoogstens als stemmingsdécor; en voor velen, voor heel een nieuwe generatie,
verspreid over heel de wereld, die weer staan wil in het volle sociale gebeuren,
in het rassen- en klassenconflict, in de economische, politieke werkelijkheid,
zien wat er om zich heen gebeurt en deelnemen aan de totaliteit van het harde
moderne leven, is deze romankunst onleesbaar geworden; omdat zij andere zenuwen
heeft, andere inzichten, andere verlangens.’
De verlangens van de moderne lezer die Marsman vervolgens onder woorden brengt,
zijn evenzeer die van de moderne schrijver: ‘De moderne lezer, aangevuurd nog
door de film, opgejaagd door de spannende reportage, vraagt naar kennis van de
moderne wereld en al haar phenomena en van den modernen mensch in wisselwerking
met die phenomena. Hij wil zien en doorgronden wat er rondom en in hem gebeurt.
Hij wil alles weten van dit duizendvoudige leven en alles concies, doordringend,
naakt, scherp. Hij wil de moderne wereld en den modernen mensch, de uiterlijke
en innerlijke werkelijk- | | | | heid exact, nuchter, klaar, gezien door
koele, zuivere oogen, en bondig samengevat.[...] Hij vraagt haar weergave,
objectief, onpersoonlijk, zakelijk, van den reporter en van de makers der
documentaire films - en in de litteratuur vooral van de romanciers.’
Dat ook aan de schrijver van literair proza dergelijke eisen gesteld worden noemt
Marsman een misverstand. Van Vriesland en Van Wessem hadden er al eerder op
gewezen dat journalistiek geen kunst is, dat in de reportage niet het ideaal en
de norm mochten liggen voor het nieuwe proza.39 Als de nieuwe zakelijkheid, ook literair,
voortreffelijke werken heeft voortgebracht, dan is dat volgens Marsman gebeurd,
‘ondanks zichzelf’. In de volgende passage gaat Marsman in
op het verschil tussen de kunstenaar en de reporter: ‘De eisch die toen [=
vijftig jaar terug; de periode van het naturalisme] en nu uitging van het
publiek, of van de werkelijkheid als men wil, die schreeuwde om vastlegging in
beeld en geschrift, of van de kunstenaars die haar gehoorzaamden in hun methode
en verhieven tot norm, was een eisch die men niet heeft te stellen aan eenig
artiest, maar aan ieder reporter. Van ieder verslaggever moet men eischen dat
hij zichzelf niet tusschen den lezer schuift en het object, dat hij het gegeven
natuurgetrouw afbeeldt en het spreken laat voor zichzelf, dat hij weergeeft wat
hij ziet en beluistert, exact en synthetisch, beknopt en precies. Maar men
vergist zich als men denkt dat de artiest geen andere werkzaamheid heeft dan de
reporter. Deze gedachte is, toen en nu, naar voren gekomen omdat de tijd arm was
aan scheppende krachten, en ieder kunstwerk dat, toen en nu, is ontstaan uit die
eenige kracht die de wereld schiep en het kunstwerk voortbrengt, de verbeeldende
kracht, is ontstaan in strijd met de eischen van naturalisme en zakelijkheid; in
strijd met de postulaten van natuurgetrouw weergeven en nuchter verslaan.[...]
Door een boeiend verslag wordt de lezer wijzer, in den zin van rijker aan
kennis, en misschien waakzamer tegenover het leven; door een kunstwerk wordt hij
aangeraakt door de verbeelding die de drijfkracht der wereld is.’ Voor de goede
orde stipuleert-Marsman dat de zakelijkheid als reactie niet
moet worden bestreden, integendeel: ‘Het is | | | | goed dat wij ons
rekenschap geven van de omringende werkelijkheid, het is goed dat wij
doordringen in het gecompliceerde phenomeen van het moderne leven. Het is goed
dat wij ons niet langer verliezen in de bijna onwezenlijk wordende subtiliteiten
omtrent den mensch. Het is goed dat wij den mensch opnieuw gaan zien als
mikrokosmos, als weerspiegeling van het geheel en het geheel als weerspiegeling
van den mensch. Het is goed dat wij hem zien in verband met de zichtbare
werkelijkheid, gemechaniseerd en organisch (dus in verhouding tot de kunstmatige
werkelijkheid en tot de natuur), maar het is verkeerd indien wij die
werkelijkheid van meer belang zullen vinden dan de interne werkelijkheid van den
mensch. Dit is een der neigingen van de zakelijkheid als aandacht, als drift,
die men niet genoeg kan bestrijden: dat zij, verbijsterd door de omringende
wereld, gefascineerd door het wereldgebeuren, geabsorbeerd door de nooden van
den tegenwoordigen tijd, den mensch, dien zij zegt te zoeken, gaat beschouwen
als hoogstens een spiegel der imliggende krachten, als een curieus bijproduct,
als een haast overbodige schaduw.[...] De neiging, de richting der zakelijkheid
is te uitsluitend gericht op de omringende uiterlijkheid, te weinig - wat zij
ook moge beweren - op het hart van den mensch.’
Het eenzijdige, als reactie overigens wel te begrijpen, pleidooi van Donker voor
de reportage van ‘feiten’ uit het moderne leven,40 en de boeken van Revis en Stroman, geven inderdaad te zien dat
‘de buitenkant’ sterk geaccentueerd wordt. Deze tendens acht onder andere Ter
Braak kenmerkend voor het proza uit ‘de school’ van Ehrenburg: Partij remise (1933) en Zuiderzee (1934) van Jef
Last, Harten en brood (1933) van Albert Kuyle en Sjanghai (1933) van W.A. Wagener. Het publiek waarop deze schrijvers
speculeren, is volgens Ter Braak het grotestadspubliek, dat film verlangt in
plaats van moeizame gedachtengangen en montage in plaats van psychologie.41
Wanneer Marsman vervolgens de methode, dat wil zeggen ‘dat de werkelijkheid, van
binnen of van buiten, scherp wordt geobserveerd, scherp wordt doorzien, scherp
wordt gebeeld’, bespreekt, komt hij tot een verwerping daarvan voor de
kunstenaar, vooral als het pro- | | | | cédé norm wordt. Deze stellingname
sluit aan bij het verzet van Forum tegen iedere vorm van
epigonisme, en verstarring veroorzakend dogmatisme. De methode, aldus Marsman,
‘Daar is natuurlijk niets tegen. Daar is misschien alles voor. Daar is zeker
alles voor voor den reporter, daar is alles tegen voor den artiest, als de
methode wordt verheven tot norm. Daar is alles tegen, als men niet meer zegt:
men màg streng, koel, indringend observeeren en beelden, maar: dit moet. Daar is
alles tegen als men zegt: De rest is frase, franje, vervalsching, literatuur en
romantiek. De rest is inderdaad literatuur. De rest is, dat een kunstenaar vrij
is, niet gebonden door het gegeven dat hij ontleent aan een interne of externe
werkelijkheid, maar dat hij het recht heeft en de taak dit gegeven te vervormen
naar zijn scheppenden wil. Hij kan met de natuur, met den mensch, met de
uiterlijke gegevens doen wat hij wil, als hij ze, aangegrepen door het scheppend
vermogen, laat leven naar de wet der verbeelding. De kunstenaar is niet de
slaaf, de volger, de reporter van zijn object, maar de volstrekt autonome
heerscher over al wat hij aanvat. Hij speelt met levens, met moderne tijden, met
goden en revoluties naar zijn scheppenden wil, hij kent geen andere wetten dan
die van het nimmer te demodereeren of te demaskeeren artikel: de schoonheid. Hij
kent den Droom die meer dan het ding is. Hij zoekt den vorm die onzichtbaar is.
Hij zoekt het geheim dat dieper ligt dan het hart, hij volgt de werkelijkheid
als hij meent dat zij niet misleidt. Hij heeft niets te maken met de eischen van
den tijd voor zoover die hem afleidt van het geheim der verbeelding; hij heeft
niets te maken met wat wie ook hem voorschrijft. De toekomst zal niet kunnen
zeggen of hij gelijk had, en de tegenwoordige tijd evenmin. Hij zal het zelf
nooit vernemen: en hij hoeft het niet te vernemen, hoezeer hij in tijden van
zwakte ook haakt naar een teeken, dat zegt of hij rechtloopt of dwaalt. Hij
heeft enkel gehoorzaam te zijn aan de stem en enkel gehoorzaam aan den wil die
brandt in zijn handen, en die in de werkelijkheid grijpt om die te vervormen tot
Beeld. Ver-beelden, her-scheppen, purifieeren van materie tot vorm; terwijl de
reporter mag af-beelden, na-bootsen, samenvatten in een boeiend verslag. Men kan
in een tijd als de onze niet fel genoeg | | | | staan tegenover de eischen
der zakelijkheid, zoodra die worden verheven tot norm.’
Marsmans houding ten opzichte van de nieuwe zakelijkheid is min of meer te
vergelijken met die van Lodewijk van Deyssel ten opzichte van het naturalisme,
waarnaar Marsman in dit opstel verwijst. Ook het naturalisme heeft ‘geweldige
werken’ voortgebracht, ‘ondanks zichzelf’. Het is met name Van
Deyssel geweest die zich scherp kantte tegen het steile dogmatisme waarmee
sommigen de naturalistische postulaten objectiviteit en wetenschappelijkheid
meenden te moeten interpreteren en toepassen, zodat ‘la part de l'invention’,
‘een der eerste voorwaarden voor den roman om “kunst” te zijn’, zijns inziens op
de tocht kwam te staan.42
De recapitulatie aan het slot van De aesthetiek der reporters
geeft de kern van het betoog weer: ‘De moderne zakelijkheid is goed als reactie
op een onvruchtbaar psychologisme, zij is verkeerd gericht als zij den mensch
voorbijziet voor zijn omgeving; zij is goed als methode, mits zij in het
kunstwerk overwonnen wordt, zij is onduldbaar als norm. De moderne zakelijkheid
als norm, dat is ongetwijfeld het verdoemlijkste barbarisme waartoe men kon
komen.’
|
1Donker: Ter zake, p.
145.
2Over de reportage
zie men bijvoorbeeld Bogdan Daleszak: ‘An attempted theory of the
reportage’. In: Zagadnienia rodzajów literackich 8 (1965),
p. 52-73, in het bijzonder p. 63-65 voor de literaire
reportage.
3Donker: Ter zake, p.
159.
4Ter Braak: ‘Ehrenburg maakt school’, p. 138.
5Ehrenburg: Das
Leben der Autos. Vorwort.
6Donker: Ter
zake. p. 166-167.
7Ehrenburg: 10 P.K. Het leven der auto's. p.
31.
8Ter Braak: ‘Ehrenburg maakt school’, p.
138. Men zie ook Donker: Ter zake. p. 170-175.
9Van Vriesland: Onderzoek en vertoog. dl. 1, p.
433.
11Van Duinkerken: ‘M. Revis’. p.
221.
13Sassen:
‘Het geheim der metamorphose’. p. 245.
14Brandt Corstius en Praas: Nederlands
literatuuroverzicht. p. 37.
15Van Vriesland: Onderzoek en
vertoog. dl. 2, p. 288.
16Ter Braak:
‘Cerebrale fantasie’, p. 546.
17Revis: 8.100.000
m3 Zand. p. 29-30.
18Van Vriesland: Onderzoek en
vertoog. dl. 1, p. 391.
21Houwink: ‘Naar nieuwe
zakelijkheid’, p. 169.
23Varangot: ‘B.
Stroman N.N.’. p. 330.
26Van Vriesland: F. Bordewijk. p. 21 en 22.
Enkele bladzijden uit Stad zijn in dit boek fotografisch
opgenomen.
28Van
Wessem: Mijn broeders in Apollo. p. 132.
31Van Wessem: Mijn broeders in Apollo. p. 134.
32Marsman: ‘Derde dimensie en Europees peil’. p. 619. In een
reactie wijst Herman de Man erop dat Marsman en anderen ‘ons al tien jaar
lang, ieder seizoen verzekerd hebben, dat het nieuwe proza
geboren was’. Maar dat proza is reeds gestorven en begraven, aldus De Man.
Ter adstructie wordt het volgende overzicht gegeven: ‘Eerst waren de vieze
ochtenddroompjes van den onbereisden Roel [Houwink], opgesteld in
telegramstijl het nieuwe proza. Toen de Endegeest-kreten
van mijnheer de Boer, daarna de ontzachelijkheden van mijnheer Hondius
[...]. En via Kuyl-buitelingen is er nu weer nieuw-nieuw proza voorhanden
versch uit het Iljenburg-blik, maar deze conserven zijn wat zanderig en
ranzig.’ (‘Mijnheer Marsman is misselijk’. In: De nieuwe
eeuw van 23 juni 1932, p. 1229).
34Voor de Prisma-discussie zie men Oversteegen: Vorm of vent. p. 261-284; J.A. Mooij: ‘Vorm of vent’. In:
Raster 3 (1969), p. 383-401; L. Mosheuvel: ‘Over de
historische context van “Prisma”’. In: Studia Neerlandica
1 (1970), p. 77-94; en het in deze serie te verschijnen boek van Mosheuvel
over poëzie-opvattingen tijdens het interbellum. ( Reflecties op
letterkunde. dl. 3a).
35Van Wessem: Mijn broeders in Apollo. p.
16.
36De vrije bladen bleven tot 1949 in cahiervorm
voortbestaan.
37Over Forum zie men
bijvoorbeeld Forum; Brieven, citaten, dokumenten en
knipsels. Verzameld door Willem Mooijman, ingeleid door L. Mosheuvel.
's-Gravenhage etc., 1969; Oversteegen: Vorm of vent. p.
371-381; M. Roelants: Roman van het tijdschrift Forum of les
liaisons dangereuses. 's-Gravenhage etc., [1965].
38Marsman: ‘De aesthetiek der
reporters’, p. 141-150; de citaten op p. 144 vv.
39Desalniettemin had Van Wessem met instemming geconstateerd: ‘De schrijver
werd “neutraal”, volgde slechts, berichtte.’ ( Twintig Noord- en
Zuid-Nederlandsche verhalen. p. 8.) Vanuit de herscheppende functie
die Marsman de kunstenaar toedacht moest hij wel tot afwijzing van een
dergelijke uitspraak komen.
41Men zie onder andere Ter Braak: ‘Ehrenburg maakt school’,
p. 138-144; ‘Tsjang Kai-Sjek is een Chinees...’. p. 79-84; ‘De realistische
bril’, p. 403-409.
42L. van Deyssel: ‘Over
literatuur’. In: Verzamelde opstellen. dl. 1. Amsterdam,
1894. p. 67.
|
|