|
|
|
| |
| | | |
In 't voorbijgaan
Lied.
De zonne stijgt, de hemel blinkt;
Hij fluit een liedje dat het klinkt;
Hij plukt een bloem der vreemde streek,
En laaft zich aan de klare beek
| | | |
Hij trekt door 't dorp - de klokke klept;
't Beweegt zich al, en alles rept,
En ginds door 't spleetje der gordijn
Lonkt schuchter 't blozend maagdelijn
Hoe schoener prijkt nu veld en woud!
Wat glanst zijn blik nu fier en stout,
En sneller soms zijn boezem jaagt,
Als lonkte nog de zoete maagd
| | | |
't Hoofd vrij van zorgen,
Wat hoeft ons meer op 's levens baan,
Om moedig steeds vooruit te gaan,
Dan hier een bloem, en daar een dronk,
En ginds een kuische liefdelonk
Thourout 23 September 1873.
|
|
|