Ronald van den Bogaert mag de vorst op zijn blote knieën danken, maar dat zal hij wel niet doen.
Lezer C.d.B. uit Eeklo in Het Laatste Nieuws van maandag 3 februari 1986
Van den Bogaert had veeleer woorden van dank moeten uitspreken aan het adres van de Belgische regering en van de koning. Zij hebben geld, tijd en energie ingezet om hem uit de nesten te helpen waarin hij zich had gewerkt. Ondank is 's werelds loon.
Lou de Clerck in de Gazet van Antwerpen van 4 maart 1986
Woensdagavond, 25 december 1985. In de woning der Belgen wordt de beeldbuis gestoffeerd met twee rustieke stoelen. Enkele uren vroeger is het potige meubilair van zijn hoes ontdaan, waarna geschoold televisiepersoneel - zweetdoek tussen zit en zitvlak - de hoogwaardige attitudes uitprobeerde.
In de met oktoberbruine motieven overtrokken fauteuils nemen nu plaats hij, Boudewijn, en zij, Fabiola, samen het Belgische vorstenpaar. Het staatshoofd zal zo dadelijk zijn jaarlijkse kerstboodschap tot de natie richten. Daarbij veronachtzamend dat 1 januari
een tactvoller datum zou zijn, nu wordt de niet-christelijke onderdaan gemakshalve méé bij de os en de ezel gerangschikt.
Onder het fraseren fronst de koning in de lens; een kippige imker die een dartel bijenvolkje doorvorst. Koningin Fabiola, rechts in beeld, tuurt naar het plafond in het onzichtbare gedeelte van de salon en neigt dan het smalle hoofd (op die langzame hals) naar haar echtgenoot die formuleert hoeveel hij aan haar te danken heeft. Al een kwarteeuw huwelijksleven lang. Zij glimlacht gipsmatig, hij verschuift zijn linkerhand van de linkerleuning van zijn stoel naar haar rechterhand; hun handen omvatten elkaar in een stramme pantomime van zich verstrengelende vingers. Platonisch gewriemel.
(Hoe opgelegd is die tedere handoplegging? In een apart opgenomen message de noël haken de handen op precies hetzelfde moment op precies dezelfde manier in elkaar, krijgt de Franstalige onderdaan een identiek vinger-vlechtwerk te zien.)
De vijfde koning der Belgen declameert dat het gezin weer hoeksteen moet worden. Een veelzeggende passage uit de message: ‘Onder voorwendsel van de zogenaamde bevrijding van het individu worden familiale waarden al te vaak in diskrediet gebracht.’ De monarch zonder nageslacht voegt er aan toe dat ‘vele tekortkomingen en ziekten van onze maatschappij hun oorsprong vinden in de aantasting van de gezinsbanden.’
De linkerhand stut nu de rechterhand van de Spaanse gemalin die een Nederlandse heilwens gorgelt.
(Met haar 57 levensjaren maakt Doña Fabiola de Mora y Aragon een gedeshydrateerde indruk. Volgt zij een streng strobloemendieet?)
De dag na de uitspraak zijn de t.v.-recensies in de katholieke pers van een handenwrijvende teneur. De Standaard monkelt dat het land zich gelukkig mag prijzen over een zo zedig-gaaf vorstenstel te beschikken. De voorpagina van de Gazet van Antwerpen - toch nog
altijd 40 cm. × 60 cm. groot - is ontoereikend om de hoeksteen uit te stallen. In de krant Le Soir staat de koninklijke billenkoek voor loslopend individualisme naast het zweepproza van Karel Dillen die pleit voor een gespierde ‘familiepolitiek’. Twee zielen, één hoeksteen-gedachte. Dillen is voorzitter van de extreem-rechtse partij Vlaams Blok.
In 1985, na vijfendertig jaar van voorbeeldig parlementair koningschap, zweert monarch Boudewijn I een neutrale houding af en komt een geprononceerde maatschappijvisie naar buiten. Zijn optreden begint in mei 1985, met het zesdaagse bezoek van de paus aan België. Terwijl de ultramontane Gazet van Antwerpen in zijn editie van 16 mei - eerste Bezoekdag - nog eens onderstreept dat de paus niet als staatshoofd wil ontvangen worden, handelt de koning haaks op deze belofte. Boudewijn is niet van de kerkvorst weg te slaan. In plaats van zich te tonen als de hoeder van een pluralistisch samengestelde natie, ziet B. zich als de Proost van negen miljoen parochianen, de Gouverneur-Misdienaar van kerkprovincie België.
Vijf bezoekdagen lang klit de koning aan de clericus, peddelt de vorst in de voetsporen van de visser, laat Laken het handje van de Grote Witte Man uit Rome niet los. Vonken uit het vorstelijk wierookvat, na de pauselijke nederdaling per helikopter in het Brusselse Jubelpark: ‘In naam van de liefde is u een hardnekkig verdediger van de mensenrechten en van de onvervangbare rol van het gezin in onze maatschappij. (...) Helaas worden deze fundamentele waarden van liefde, rechtvaardigheid, vrede en verzoening, eerbied voor de waarde van de mens en van het gezin in deze tijd dikwijls bedreigd en zelfs veracht. Individueel en gemeenschappelijk egoïsme neemt al te dikwijls cynische vormen aan zoals onverschilligheid, hongersnood, terrorisme, marteling en oorlog.’
Hoe trefzeker dropt mijn vorst luchtledige gehaktballen in een rijstebrij gemeenplaatsen. De Bezoeker, die op de privé-toer is en
niet als staatshoofd komt, wordt getrakteerd op de Belgische hymne en het Vaticaans volkslied, dat klinkt als de inzending van Cyprus voor het Eurovisiesongfestival. Op pauszondag 19 mei geeft de voltallige koninklijke familie acte de présence op het communierendez-vous voor de basiliek van Koekelberg; een dag later is er receptie ten paleize, met urenlang het geschuifel van voor de primaat defilerende dignitarissen. En met weer een speech waarin de soeverein terreinverkenner speelt voor de theorieën spuwende orthodoxe kerktank.
Bij de julival van de christen-liberale regering, nadat vervroegde verkiezingen zijn uitgeschreven, weigert Zijne Majesteit het ontslag van de regering te aanvaarden. Een meer dan ongebruikelijke manier om zijn persoonlijke en politieke sympathie voor de figuur van de christen-democratische premier Wilfried Martens te beklemtonen. Zodoende mengt de dynastie zich manifest in de verkiezingscampagne, bezondigt Laken zich aan het suggereren van een stemadvies.
Op kerstdag is er king op de kabel, met zijn hoeksteen in de kikkerpoel van een troebele samenleving. Tussen koninklijke neus en lippen wordt het feminisme met een dreun bedacht - ‘de zogenaamde bevrijdingen van het individu’ - en insinueert het staatshoofd dat onder meer Aids - ‘de ziekten van onze maatschappij’ - een gesel is waarmee Hierboven de verslappende familiebanden weer opstijven wil.
Ten slotte is er de ‘grootmoedige’ interventie in de zaak Ronald van den Bogaert, de Zaïre-specialist van de Socialistische Partij die in de zomer van 1985 in Kinshasa tegen de lamp vloog. De Belgische regering beschikte over honderd en één middelen om Van den Bogaert - die in Zaïre geen pink had uitgestoken - vrij te krijgen. In plaats daarvan speelde de Belgische eerste minister met de Afrikaanse dictator onder één hoedje, met de bedoeling de Socialis-
tische Partij en alle opposanten van Martens-Mobutu op een zacht vuurtje te laten sudderen en gaar stoven. Na zes maanden uit de neus eten van de verantwoordelijke autoriteiten, na alarmerende berichten over de gezondheidstoestand van Van den Bogaert, tovert het gezag konijn Boudewijn uit de hoge hoed. Waar gewone stervelingen falen zal de démarche - het dure woord ligt de pers dagenlang in de pen en in de mond bestorven - van de koning uitkomst bieden.
In zijn grote goedheid neemt de vijfde vorst van het wespennest B. de ganzeveer ter hand en krast een smeekschrift op perkament, zijn vis-à-vis overzee verzoekend om V.d.B. genadig te zijn. En, jawel, het wonder geschiedt! De gevangenispoorten openen zich en in de Ronald-krant De Morgen van 30 januari 1986 mag de Zaïrese ambassadrice Ekila Lyionda elke onduidelijkheid wegnemen: ‘Als de président-fondateur besloten heeft tot gratieverlening voor Ronald van den Bogaert is dat niet te wijten aan de druk van om het even wie ook, maar uitsluitend toe te schrijven aan de van oudsher persoonlijke banden tussen president Mobutu en de Belgische koning. En de grote achting die ze voor elkaar koesteren.’
In Het Laatste Nieuws vermaant een lezer de vrijgekomen laat en onverlaat de koning op ontblote knieën te danken. Een lezer kun je moeilijk iets ten kwade duiden, maar een maand later schrijft de hoofdredacteur van de Gazet van Antwerpen een epistel in dezelfde zin. Van den Bogaert heeft geen recht van spreken, kapittelt Lou de Clerck als reactie op een persconferentie van de Zaïre-specialist, want hij zat een dictator op een eigenzinnige manier dwars en zoiets doet men niet. Dictators zijn om voor te beven. Bovendien kent VdB zijn Vlaamse spreuken en gezegden niet, althans, hij past ze niet toe. Zo het gezegde dat Zwijgen goud is; waarom doet de in zeven Zaïrese sloten versukkelde socialist er het zwijgen niet toe, liefst in alle talen, vraagt De Clerck zich af en besluit zijn verbol-
gen opstel met een tweede gezegde, dat ondank's werelds loon is. Deze beeldspraak slaat op het uitblijven van stamelende dank door de teruggewonnen zoon aan het adres van hof en houding. Lou de Clerck heeft alle recht van spreken, al is dat dan geen goud, hij bestaat als ‘journalist’ bij gratie van de goedertieren premier Wilfried Martens. Hier spreekt de vazal die een honorabel burger volgzaam gedrag inpepert.
Niet alles is verwerpelijk aan de Antwerpse hoofdredacteur. Hij houdt zijn achternaam in ere.
⋆ ⋆ ⋆
Het verweer tegen het ontwaken van Laken zal niet uit de rode hoek komen. In 1985 vierden de socialisten hun eeuwfeest. Dat deden ze onder andere met een expositie van die naam, ‘Honderd jaar socialisme’, in de hoofdstad te bezichtigen van 22 maart tot 20 april. Toen ook koning Boudewijn belangstelling toonde, renden de initiatiefnemers door hun schepping met de paniekkreet drie voor koning Leopold III onwelvallige affiches (‘de koningskwestie’) te verwijderen. De koningskwestie was een revolutionair moment, roemrijk voor het socialisme. Men heeft toen de democratie gered door de sjah van België een voet dwars te zetten, een verlicht despoot vergulde rust op te leggen. Vijfendertig jaar later is in het rijk alles rustig en haast een geciviliseerde socialistische beweging zich om het verleden uit te vlakken en blinde vlekken aan de geschiedenis toe te voegen. Om een koningszoon niet te vergrammen.
Voor Vlaanderen pakte het jubilerend socialisme uit met een mooie slogan: ‘De Rode Verleiding’.
Rode Verlakking is ook toepasselijk.