|
|
|
| |
| |
| | | |
Derde bedryf
Daar werdt + een groote brandt vertoont en van binnen + vreeselijk geroepen, daar op verbaast + uyt komen, elk met een bloten + deegen:
Caraffa. Spinelli. Mataloni.
Wat yselijk gerugt en naar geschreeuw is dat?
Santinelli, van binnen.
Waar is de brant, is 't buyten of in de stadt?
In stadt, zoo vreeselijk of 't alles af zou branden.
850
Wat schender schendt zijn handen
Aan zoo veel heylighdoms de godtheyt toegewijdt?
Van binnen werdt geroepen.
Wie zijt gy? Melt uw naam, die dus vervaarlijk krijt.
Op burger hopliên, op, bezet met uwe troepen,
| | | |
Wat wil dat yslijk roepen?
855
Brandt, hellep, hellep, brandt, op, waap'nen by der handt.
Een meer dan oyt gehoorde brandt.
Is 't onraadt, meldt ons waar, op dat wy 't stuyten mogen.
Santinelli uyt.
Waar ben ik? 'k Zie maar rook en dampen voor mijn oogen.
'k Hoor menschen en ik zie hier mensch noch mensch ontrent.
860
Wie zijt gy, die by nacht dit slot zet overendt
En door gebaar de stadt in rep en roer derft zetten?
Wat wil dat trappelen, dat lossen der musketten
En 't kleppen van de klok? Wat onheyl naakt dit Rijk?
Is 't brandt of oproer, zegh, in wat gewest of wijk
865
Der stadt is 't, dat w'in 't kort daar af de waarheyt hooren.
In 't cijnshuys op de markt ontrent Sint Laurens tooren +
En d'oude Abdy, zoo wydt door heyligdom vermaardt.
Het volk verhit + dat zich by troepen hadt vergaardt
En 't zaam gerot om nu naar 't scheen den ganschen Adel
870
En Raadt en Ridderschap te ligten uyt den zadel
Van staat en magt en pragt gezach en heerschappy
En alle die van 't Hof door hunne razerny
En schrikkelijk gebaar ten grondt toe uyt te roeyen
En al wat ampt bekleet hun achtbaarheydt te snoeyen
875
En magt te dempen door hun t'zaamgeraapte magt -
Dees + hebben zich ontrent nu dezen middernacht
In eenen vollen drom tot naar de markt begeven
En voorts van daar gelijk als razende gedreven
| | | |
Naar 's Koninks tol al waar, op dat ik 't regt verhaal,
880
Men daaglijks is gewoon de lasten van 't gemaal
Ten besten van den Staat eerbiedigh te betaalen.
De wreetheydt, die zich door geen reeden laat bepalen,
Had hier by dit gespuys gedurigh d'overhandt.
Zy, brandend als vol vuur op moorden, roven, brandt
885
En scheuring afgeregt, bestaan + voorts met hun allen
Op dit gebouw gelijk als raazendt aan te vallen,
't Geen in der yl ook straks + door hun vermeesterdt wordt
En naar een weinigh tijts in d'assche neder stort.
Hier zach men teffens 't al door vuur en vlam verteeren,
890
Kleynodien en schat, onmooglijk te waardeeren,
Ia keuren, wetten zelfs, bezeegeldt by den Staat.
D'Aartsbisschop yverigh + en minlijk van gelaat
Bestont + door zijn gezach en vaderlijke zeegen
Hun al tot enigheyt en ruste te beweegen,
895
Toch al vergeefs, Hy zelfs, niet buyten lijfsgevaar,
Begaf hem entlijk weêr in stilt naar Sint Ingnaar +
Om zoo de woestigheyt van hun geweldt t'ontkomen.
En zoo men niet in tijts hun moetwil zoekt te toomen,
Het staat (gedenkt my vry) te dugten, end'lijk, dat
900
Dit maar een fakkel zy om naderhandt de Stadt
('t Geen 's hemels gunst verhoê) in ligten brant te steeken.
Met hunne magt te breeken
U eygen ondergang of ligt 't verderf van 't Rijk,
905
Indien gy door geweldt hun zoekt te wederstreven.
En zoo men hun bestaat een weinigh both + te geven,
Wy zijn ons achtbaarheyt, gezach en luyster quyt.
| | | |
Lang marren geldt hier niet. 't Gevaar en ook de tijt
Gebiedt ons hooft voor hooft nu elk zijn pligt betragte +.
910
Ik gaa voor af en zal u op het Slot verwagten
Om met d'Aartshartogh daar beneffens zijnen Raadt
Te ramen middelen om dit verderflijk quaat,
Het zy op wat een wijs +, ons van den hals te weeren. bin.
Wy zijn gezint met u ook derwaarts aan te keeren.
Alle binnen.
Marionet. Majombe. Rey van gewapende Vrouwen.
Alle met bussen stroo, takkebussen en brandende
915
Den hemel spaar de Vorst, dat die zijn Rijk vermeere,
En sterven die het volk door tyranny regeere.
Slaa doodt die honden, weg met dat verduyveldt zaat,
Slaa doodt, slaa doot die zelf de hel en afgront haat.
Zoo kind'ren, dat gaat wel, door dit gebaar en teeken
920
Zien wy een wegh om ons regtveerdighlijk te wreeken.
Dat ieder slegs volhardt en handthaaft zijne zaak,
Terwijl den hemel nu door een geregte wraak
Ons aanvoerdt om dien hoop al teffens te verdelgen
Die nu tot barstens toe van zoo veel bloets te swelgen
925
Noch zat zijn van u bloedt. Nu is de regte tijt
Zoo gy alle rustigh + zijt
My nu te volgen daar ik u zal spoor gaan maaken
Om neffens my, het zy te plondren of te blaaken
Of brandt te stigten of iet anders t'onderstaan,
930
Zoo zult gy zien dat ik u moedigh voor zal gaan.
Dit is het geen daar wy al overlang naar tragten
| | | |
En ieder gaat ons voor, waar zullen wy naar wagten?
Kom gaan wy, gaan wy slegs, al lang genoegh gewagt.
Indien 'er oyt voorheen ook iet door vrouwen kragt
935
Is uytgewerkt, zoo staat ook op ons doen te letten.
Wy zijn gezint met u nu voet by stuk te zetten
En ons gelijkelijk te voegen naar uw handt.
't Is tijt en meer dan tijt dat elk hier tegens kant.
Men laat zich langer niet dus payen nogte sussen.
940
Dees toortze en dit stroo en deze takkebussen
Zijn teekenen van wraak en deze voeren wy
Om uyt te roeyen hun vervloekte dwinglandy
By ons zoo lang bezuurt. En om hier toe te raaken,
Zoo volgen wy de rest in 't plond'ren, branden, blaaken
945
En alles wat men zich derft moedigh onderstaan.
Wat zoo mijn kind'ren, zoo, vaar voort, zoo moedt het gaan.
Dus zullen wy dien hoek naar wens te boven komen +.
Volhardt slegs in het geen wy hebben voorgenomen,
Dus doende zien wy haast ons lijden tot een endt.
950
Zoo is 't, maar ieder laat zich niet door dreygement
Vertzaagen +, dit 's mijn raadt dan moedig stant te houwen,
Op dan +, Itaaljen mach berugt zijn dat door vrouwen
In spijt der mannen is iet manlijks uytgevoert.
Zoo werdt de helhont zelfs door ons de muyl gesnoert
955
En alles wat bestaat ons aan te komen blaffen.
't Staat ons als and're vry die schellemen te straffen
En uyt te royen dien vervloekten hoop. Zoo wy
Maar slegs volharden 't staat ons schoon de slaverny
Op deze wijze ons nu van den hals te weeren.
960
Volharden? Ja al zou het onderst boven keeren,
Noch wy, ziet daar, dat gaat u voor.
| | | |
Zoo doen wy al gelijk en volgen u op 't spoor.
binnen.
Aartshartogin. Arcos.
Is 't mogelijk, kan 't zijn, zoo laat u toch beweegen,
Wy zijn in doodts gevaar! De moetwil + opgesteegen
965
Loopt voort te post en ziet noch staat noch Hoogheyt aan.
Een weinigh both + zou ligt die buy doen overgaan;
Waar toe, mijn Lief, die streng zoo stijf en strak te rekken?
Vier uyt, ay matigt wat nu 't kan tot ruste strekken.
't Gevaar neemt toe terwijl het zaat van onlust groeyt.
970
En of den Adeldom een weinigh wiert besnoeyt
En 't volk hun regt wat meer gehandthaaft wiert ten besten
En 't Rijk gezuyverdt van zoo wrede wolvenesten,
Waar dat zoo vreemt, mijn Lief? Want onder ons gezeyt:
Al wat men met de naam bekleet der Majesteyt,
975
Wat is 't toch anders dan dat lastigh valdt en smartigh?
Ik spreek wat vry, mijn Lief, een vrou is openhartigh,
'k Zagh alles garen eens gebragt in goeden stant.
Daar + smeult een vonk in 't stroo en raakt dat in de brandt
Ligt ziet men 't gantse Rijk in vuur en vlam te blaaken.
980
Indien gy zat aan 't roer en hadt bewindt der zaaken,
Hoe zou 't toch gaan, mijn Lief, niet even als gy zegt?
Gy gaat wat breet +, doch zijt zeer qualijk onderregt +.
Maar 't best zal zijn u slegs gerust en stil te houwen
En dat men ons de zaak ten besten toevertrouwe.
985
Het zal wel gaan, wy zien een middel voor dat quaat.
‘Het zal wel gaan’... maar hoe? Gelijk men ziet hoe 't gaat?
Hier mede zoekt men ons en elk in slaap te zussen.
En nu dien brandt noch met een droppel is te blussen
En dat men dit gevaar oogschijnlijk kan ontgaan,
990
Waar toe zich langer dan noch op dit stuk beraân?
Of wagt men tot men 't al gelijk ziet overheeren
En Hof, Paleys en Slot het onderst boven keeren?
Zoo vaar maar voort en maak ons lijden tot een endt.
| | | |
Al wat voor muytery en oproer is bekendt,
995
Of wie door scheuring zoekt zijn schelmstuk op te tooye
Om in een stadt van rust dit heyloos zaat te strooye
En elk te hitsen aan, die zal men, 't gaat hoe 't gaat,
Doen straffen aan den hals als schuldigh aan verraat.
Ia zoo, om spoedigh hun tot reedlijkheydt te dwingen,
1000
Een deel der koppen flux doen over 't lemmet springen,
Dat maakt den kortsten wech en 't alderbest ontzagh.
Verreykt u niet te ligt aan zoo een swaren slagh.
Dit onheyl waar wel ligt met min gevaar te hindren,
Indien men 't volk maar slegs van lasten wou vermindren,
1005
Dit waar, mijns dunkens, wel het heylzaamst overlegh.
En voor den Staat en ons den schandelijkste wegh.
Of zaagt gy liever dat dien hoop ons zou braveeren?
Wy opstaan uyt den Raadt en laten 't volk regeeren?
Dat waar een smet voor 't Rijk in eeuwen nooyt gehoordt.
1010
Wie klopt daar zoo verbaast en heftigh aan de poort?
Och, och, mijn hert beklemt, wat zal ons hier genaaken?
Santinel. Arcos. Aartshartogin.
Wat is 'er gaans? Zegh op.
Den quaden stant der zaaken,
En 't algemeen verderf, dat voerdt my herwaarts aan.
Hoe gaat het doch in stadt?
1015
Het grauw by duyzenden, die hebben met hun allen
Zoo aanstonts voor mijn komst Sint Laurens + overvallen
| | | |
En al stadts waapenen gekreegen in hun magt.
En wie hun wederstreeft of by hun is verdagt
Werdt op het derelijkst mishandelt en geschonden.
1020
Den ouden Karlo leyt gesneuvelt in zijn wonden
En 't hooft des ridders, 't geen een ieders hart beroerdt,
Werdt door hun op een spiers moordadigh omgevoerdt.
En al wat gruwzaam is dat schijnt hun spoor te geven +.
Een visscher, arm en slegt, nu tot hun hooft verheven
1025
En afgeregt + (hoewel van een geringen staat)
Munt uyt en gaat hun voor in bootsgezels gewaat.
Dees weet door zijn gezach zijn driften uyt te voeren,
Is sterk en groeyt vast aan, dwingt borgery en boeren
Tot zijnen dienst en krijgt het alles op zijn handt,
1030
Stigt zelfs in 't midden van het plonderen de brandt
En voerdt een ieder aan tot vordring van zijn zaaken
En weet den Adel zoo by 't volk verdagt te maaken
Dat elk verhit schijnt om door vuur, en vlam en moordt
Hun uyt te roeyen door hun gruwlen ongehoordt.
1035
Al 't geen hy drijft of wil, dat werdt by elk (men letten)
Ten scharpsten uytgevoerdt, en wil + dat zijne wetten
Gehoorzaamt werden, neffens die ook van den Staat.
't Geroep daar dezen hoop mee daaglijks swanger gaat,
Is dat het alles strekt tot 's Rijks en 's volks behoeve.
1040
Hier op zoo groeyt hun magt door ballingen en boeven
Zoo dapper aan dat elk verzet staat in zijn zaak.
Ia vrouw en kindren zelfs als aangehitst op wraak
Bestaan handdadighlijk op straat en andre weegen
Ten spijt van + die van 't Hof hun boosheyt mee te pleegen,
1045
Zoo dat het alles werdt gedreygt door hun geweldt.
Ik heb dit onweer ons al lang voor heen gespeldt.
Daar komt d'Aartsbisschop zelfs, verzelschapt in het midden
Der Ridderschap om ligt u Hoogheydt af te bidden
Iet 't geen dat strekken mogt tot demping van die pest.
| | | |
Arcos. Filomarino Aartsbisschop van Napels. Aartshartogin. Mataloni. Caraffa. Medina. Santinelli.
1050
D'Aartsvader zy gegroet, die om 't gemene best
En 's Rijks behoudenis te vord'ren zigh beleedigt +
En 't regt der Heerschappy uyt onzen naam verdeedigt
En door zijn hoogh gezagh en overwijs beleydt
Ons aanwijst nu den wegh om d'eer en agtbaarheydt
1055
Des Rijks en 't regt des volks nu beyd'in stant te houwen.
Om dit gebouw van Staat op dezen grondt te bouwen,
Wert + by den Raadt vereyst een spoedigh overlegh.
Voor my, ik zegh als noch, en zie geen nader + wegh
Dan dat men middlen raamt om hun gewelt te stuyten.
1060
Wy zien de brandt in 't hof, al dreygts' ons noch van buyten.
't Gevaar neemt toe, 't geen ons niet dan verwoesting spelt,
En hunne woestigheydt te keeren door geweldt
Of hun door middelen van waapnen te verduuren,
Is gants onmogelijk. De diepe hartquetzuuren
1065
Die 't Rijk van tijt tot tijt hier door wel heeft geleên,
Getuygen + wy als noch en veelen van voorheen
Hoe zorghlijk dat het waar die wondt van Staat te heelen.
En nu men 't weer op nieuw door scheuring ziet verdeelen
En dat + het alles door hun drift vermeesterdt wordt
1070
- Zoo veel Paleyzen nu alree ter neêr gestordt,
En schatten, kostlijkheên, onmooglijk te waarderen
Die wy vast daaglijks zien tot assche toe verteeren -
Staat elk verzet +; te meer +, naar dat men gissen kan
Bestaat hun magt in meer dan honderdt duyzendt man
1075
En zoo verhit dat elk als schijnt vol vuurs te blaaken,
Doch zoo ordentlijk in 't beleydt van hunne zaaken,
Dat elk verzet staat over 't geens' hun onderstaan +.
Het hooft, by hun als nu verheven, voerdt hun aan.
Dees werdt in 't geen hy drijft + by hun in alle deelen
1080
Gehoorzaamdt als een Vorst, en wat hy doet beveelen,
Het zy ook wat het zy, of 't geen hy dienstigh acht,
Werdt spoedigh in der yl ook dadelijk volbraght.
Ia weet + door eene wenk hun naar zijn handt te zetten,
Is kundig, wel doorgrondt in 's stadts beschreven wetten,
1085
Doch van geringen staat, maar dapper van gemoedt.
| | | |
Een bedelbrok, by Kerk en Gasthuys opgevoedt,
Het schuym van boevejagt en 't hooft van 't puyk der guyten,
Een muytemaaker, die door ongeregelt muyten
En scheuring slegs een Staat het onderst boven keert.
1090
Die door zijn aanhang nu den Adeldom braveert,
En poogt door al dit doen van zijne metgezellen
Den Staat en ons en elk de wetten nu te stellen,
Het welk geen Ridder lijt, noch adelijk gemoedt.
Men sterve liever dan dat zoo doorlugtigh bloedt
1095
Zich van zoo woesten hoop zou laten overheeren.
Men steldt ons dan iet voor om hunne drift te keeren,
Gelijk wy lang voorheen u hebben voorgesteldt.
Wy zeggen dan als noch: door waapnen en geweldt.
Daar toe zoo is 't alree te verre nu gekomen.
1100
Indien men hun in tijts hadt zoeken in te tomen,
Wy waren dit gevaar oogschijnelijk ontgaan.
Daar 's niet gelaten + 't geen dat nodigh waar gedaan.
En is 'er iet by ons te hevigh wat gedreven,
Gy zijt weêr zoo verhardt en by uw stuk gebleven
1105
Als onverzettelijk tot een'ge reedlijkheydt.
En 't geen der in den Raadt by u is wederleydt,
Heb ik om u en uw verheven ampt en Staaten
Ook voorbedagtelijk geweygerdt en gelaaten,
En my altoos gevoegt in 't stemmen aan uw kant.
1110
Maar nu wy 't schip van Staat alreede zien gestrant,
| | | |
En ons zoo verre zien aan lager wal gedreven,
Zoo weet dat aan ons is de hoogste magt gegeven
Om zelver middelen te ramen voor dat quaat.
Al 't geen dat strekken + kan ten besten van den Staat
1115
En zijn wy niet gezint te stuyten of te keeren.
Maar dat men zich ook zou dus laten overheeren
Is mis. U Hoogheydt die zy kenn'lijk + hoe vermaardt
En dat wy Ridders zijn van hooghgeboren aardt
En dat 't onmooglijk is die smaatheyt meer + te draagen
1120
Waar meê men daag'lijks ons komt trotsen en belaagen.
Wy werden vast verdrukt, vervolgt aan alle kant,
Paleysen, huysen, hof ten gronde toe verbrandt
En schatten dien wy zien door vuur en vlam verteeren,
't Welk t'onverdraaglijk is.
't Geen u, doorlugte Heeren,
1125
Dus drukt, dat drukt my ook en ik voel door die smart
My zelf ook neffens u getroffen in het hart.
En om het alles naar de reeden nu te voegen
Is 't nodigh dat men hun in alles vergenoegen.
Want weygerdt men hun dit, 'k verzeeker u, men zal
1130
In Napels hooren haast zoo yselijken val
Die zelfs het Spaanse hof zal siddren doen en beven.
Dies werdt + vereyst als noch vernoeging hun te geven
Om voor te komen hun verwoesting, groot en swaar,
En dat zich ieder bergt maar slegs voor lijfsgevaar
1135
En afwagt dat men hun tot reed'lijkheydt en reeden
Te brengen ziet om zoo door een gewenste vreeden
U weer hersteldt te zien in uwe achtbaarheydt.
Dit hebben wy dan voor en hoe het by u leyt +,
Dat hebt gy onderling dan t'zaamen af te wagten.
1140
Wy + zullen niet te min nalaaten te betragten
Al 't gene dienstigh is en oorbaar + tot het Rijk.
| | | |
Hier toe verlaaten wy ons dan ook algelijk.
binnen.
Wy blijven egter by het geen 'er is besteeken +
Om door Perrone hem noch voort den hals te breeken.
binnen.
Matheo d'Amalfi. Anjello. Genovino. Arapaia.
1145
Wie hadt gedagt dat dit ons komen zou te vooren +.
Ik staa verstelt, voor my, al hadt men 't my geswooren,
Zoo is hy nooit by my op 't minst verdacht geweest.
Wat staat ons nu te doen?
Voor eerst en 't aldermeest,
Is op de ballingen een waakent oogh te houwen,
1150
Men moet die schelmen nu op 't minste niet betrouwen.
Van wien het hooft ons nu vervloekte lagen leyt.
Dat daad'lijk uyt mijn naam het volk werdt aangezeyt
Zich op het spoedigst hun van waap'nen te bezorgen,
En dat ik wil dat elk van d'avondt tot den morgen
1155
Gedurigh toortsligt houdt en 't zelve zy gesteldt
Ter venster huys aan huys om niet door hun geweldt
Noch duysterheyt der nagt te werden overrompeldt.
Want naar dat ik bemerk en dat een ieder mompeldt,
Zoo hoort men dat zy zigh vast rotten sterk by een.
1160
Ook wil ik dat men straks afkundigt dat die geen +
Die eenige van hun verbergt of houdt versteeken,
Men zigh op d'alderfelst en swaarelijkst zal wreeken
En straffen aan den hals als schuldigh aan verraadt.
Dat ook + den Adeldom gants ongewaapendt gaat
1165
En op dat dezen hoop ons niet en zou verleyen,
Zoo schaf ik af't gevolgh van Paadjes en Lakeyen
En alderley gerit + van andre sleep en stoedt.
| | | |
Dat niemant zigh te paart begeve, maar te voet
En zonder zijdtgeweer + alzoo de straat betreede,
1170
Doch uytgezondert dat aan zijn Eerweerdigheden
Werdt toegestaan alleen, beneffens zijn gezin,
Als ook d'Aartshartogh met zijn stoet en gemalin.
Dees door de gunst van ons werdt vryigheyt gegeven
Te doen wat hun gevalt, de rest die 't wederstreven
1175
Of wie zich willens hier halsstarrigh tegens kant,
Dien zuldt gy, 't zy wie 't zy, voort helpen aan een kant +.
Men doe dit in der yl al om en 't om verkonden
En gy zuldt onder wyl by troepen doen de ronden
Om zoo van deze nagt te veyligen de stadt.
Barandino. Anjello. Genovino. Math. d'Amalfi. Arapaia.
1180
Ziet dezen gast, by ons zoo dadelijk + gevat.
Nu blijkt het schelmstuk klaar, hoe zou men ooyt vermoede
Dat zoo een schelm een slang kon in zijn boezem voede
En vallen af tot + zoo een vuyl vervloekte daadt!
Wy hebben dezen, dus vermomt in dit gewaadt,
1185
Doorzogt en aangerandt +, en wyl wy met ons allen
Hem dreyghden, liet hy zich ter sluyk dien brief ontvallen,
Waar in 't verraat geheel ten breetsten werdt vermelt.
Men open die terstont. Mijn leden zijn ontsteldt
En siddren over 't geen ons dus komt tegenstreeven.
1190
Men breng dien booswigt voort zoo dadelijk + om 't leven
En al die neffens hem zijn schuldigh aan verraadt.
Nu, Barandino, lees, dat elk 't geheim verstaat.
Barandino leest.
Achtbare Heer,
Den brief van U.E.D. Achtbare is my door brenger deses op gistren gelukkigh en wel ter handt gekomen, en daar in gezien+ de hooghdringende noodt waar in U.E.D. Achtbare zich bevint, als ook 't gevaar van 't verval der gansche heerschappy, beneffens het aanmoedigen+ om door my en mijn beleyt te moogen werden herstelt. Zoo weet, doorlugtighen Heer, dat ten waare+ de natuurlijke drift,
| | | |
dien wy hebben tot ons Vaderlant, en de zugt dien wy altoos hebben gedragen tot het vermaarde geslagte van de Caraffaas en Matalone, dat geen beloninge my zoude konnen beweegen, om my te steeken in zulk gevaar. Maar op dat het eene+ niet zoude vervallen in 't geweldt van zoo raazenden hoop, ende het ander (zijnde u doorlugtigh huys) niet en mogt werden gekneust, geef ik my over om neffens u Achtbare te vordren zoo een heylzaam werk; en tot dien eynde heb ik alreede, enen Guatimo Krassus, (man in zulk beleyt der zaken gants afgeregt)+gekreegen op mijn handt. Verlaat u dan hierop, en verwagt my ter bestemder uur en plaatse om den handel voorts te voltrekken. Loont brenger deses en doemdt de lettren ten viere+.
Perrone.
Nooyt snoder schelmstuk is 'er immer ooyt bedagt.
Dat alle toegang werdt verzien met dubble wagt.
1195
En 't geen 't gevaarlijkst is, dat 's dit: als dat men letten +
's Rijks magezijn zoo sterk van waap'nen te bezetten
Dat het verduuren kan hun lagen en geweldt,
Dat ook 't kanon zoo voort ter plaatze werdt gesteldt,
Maar zagt, wie komt daar herwaarts treeden?
1200
D'Aartsbisschop. 't Waar wel best voor zijn Eerweerdigheden
Dit stuk bedektlijk + noch te houden, want indien
Wy 't rugtbaar maaken, elk zal voort te rugge zien +
En wy versteeken + van geregte wraak te pleegen.
Filomarino Aartsbisschop van Napels. Anjello. Genovino. Arapaia. Math. d'Amalfi. Barandino.
D'Aartsbisschop zy gegroet.
Mijn Zoon +, den hemel zegen
1205
U en het gantsche volk, en wie in raadt en daad
| | | |
U hanthaaft ende stijft + ten besten van den Staat,
Dien wenschen wy dat hun geen onheyl wedervare.
Wat 's d'oorzaak van u komst?
Mijn Zoon, de blijde mare
Die trekken herwaarts my. Ik koom zoo van 't Paleys
1210
Des Hartoghs. Deze staat volkomen toe den eysch
Des volks, gelijk gy uyt dien brief zult konnen horen.
D'Aartsbisschop lees ons die, zo 't hem gelieft, te voren,
Of hy gedoogh dat het door ons werdt zelfs gedaan.
Filomarino Aartsbisschop leest.
Alder-uytsteekenste Heer,
Terwijl+ wy bemerken dat het getrouwe volk van deze aldergetrouwste Stadt blijven volherden in 't bevord'ren van hunnen handtvesten, voorregten en geregtigheden, dien wy (ten opzigte van de menighvuldige diensten aan zijn Majesteyt betoont) toestaan ende vergunnen+ zodanige vryheyt ende ontstaaking van alle lasten als hunne privilegie, jegenwoordigh ter kancelery berustende, is behelzende, ende voorts hun vernoeging+ te geven in alles. Vertrouwe dat u Eerweerdigheyt naar den aardt van uwen heyligen yver zoo veel ten gemene beste zult vordren, dat het getrouwe volk mach verzeekert zijn van onze goede mening en opregtigheyt. Bevele onderwijle uwe Eerweerdigheydt &c.
Op ons Slot den 9 van Hooymaandt +, 1647.
D. Arcos
1215
Dit 's met zijn eygen' handt bezeegeldt en geteekent.
| | | |
Vergiffenis van als? Hoe werdt dat hier gereekent?
Als of men hadt den Staat door muytery beroerdt?
Of 't geen gedaan is waar onwettigh uytgevoerdt? +
Dien styl gevalt ons niet, men most hier klaarder spreeken.
1220
Dit 's, als men 't wel begrypt, een goedertieren teeken
Voor die zich zonder u bevel en ook beleydt
Vergreepen hebben aan gequetste Majesteyt +
Of zonder ordre van u hebben iet bedreven,
Dien werdt uyt 's Koninks [naam] dit eeuwiglijk vergeeven.
1225
Maar wat tot heden toe door u is uytgewragt,
Wert voor 't gemene best geroemt en hoogh geagt.
Dies is 'er niet het geen u deren mach, noch krenken.
Noch + is 'er iet het geen ons brengt in naabedenken
Van + dat hier niet een woordt in 't minste wert vermeldt
1230
Als dat ons werden zou door u ter handt gesteldt
Het eygen voorregt zelfs, wel eer dit volk gegeven.
Dat dit uytdruklijk hier (is waar) niet staat geschreven,
Maar dat begrypt + het woordt ‘voldoeninge in als’.
Dit goudt en houdt geen proef +, dies keurdt men 't hier voor vals.
1235
En u Eerweerdigheydt die houdt ons dit ten goeden,
Dat dit ons weder brengt al vry in quaat vermoeden.
Dies heeft men eens voor al beslooten dat men niet
Zal spreeken van verdrach, of 't zy + men klaarlijk ziet
Dat alles is gegront op goedt beleyt en waarheydt
1240
En alles blijkt zoo klaar als middags helle klaarheydt
Eer dat men enighsins zal spreeken van verdragh.
En noch te meer +: indien wy niet door u gezach
En hoopten om daar in gehandthaaft ook te werden,
Wy zouden in ons doen veel scherper noch volherden.
1245
Dies is het nodigh dat een middel werdt beraamdt
| | | |
Zoo doet het, maar 't betaamt
U mede billik ook naar dezen aart te voegen,
Wy hebben voor om 't volk in alles te vernoegen,
En niet te vordren dan de rust der heerschappy.
1250
En wy niet dan + om 't jok van deze slaverny
Op deze wyze ons van onzen hals te weeren.
Het drukt my neffens u, ik zal weêr derwaarts keren
Zoo aanstonts naar het Hof om daar door mijn beleyt,
Te vordren klaarder blijk en meerder zeekerheydt,
1255
Waar op gy heylighlijk u allen moogt vertrouwen.
Wy zullen alles dan ook 't zelfde stant doen houwen
Om eens het volk te zien geredt van tyranny.
Ik gaa mijn zoon, en zijt verzeekert dat ik my
Zal spoeden in der yl om 't alles te bekomen.
binnen.
1260
't Gaat wel, het Hof begint zich zelve al in te tomen.
Dat elk nu op zijn pligt en mijn bevelen past
En uytvoer 't geender is bevolen en belast.
Alle binnen.
|
+van binnen: van achter het toneel
1d'oude Abdy: waarschijnlijk de ‘Sint Laurens’ (339, 673); nadat de opstandelingen deze kerk annex wapenmagazijn hadden bemachtigd, werd het bijbehorende klooster geplunderd en de inboedel in brand gestoken (Van den Bosch 1652, p. 90-93). Zie ook 866, 867.
+In [...] tooren: zie 460 en 339
+Het volk verhit [etc.]: het verhitte volk dat zich in troepen had verzameld om... (om-bepaling loopt door t/m 875)
+Dees: (lees:) die verhitte lieden uit het volk (868)
+Bestont: beproefde, probeerde
+Sint Ingnaar: zie 631, 637
+nu [...] betragte: dat nu ieder zijn plicht moet betrachten
+Het [...] wijs: hoe dan ook
+Dus... komen: zo zullen wij die moeilijkheden naar wens overwinnen
+Op dan [...] mannen: vooruit dan, moge Italië erom beroemd zijn dat (daar) in weerwil van de mannen...
+de moetwil [...] post: de omhooggekomen moedwil (d.i. het oproerige volk) snelt voort
+both: botvieren, toegeven, de vrije teugel laten (zie 967: ‘streng’, d.i. leidsel, en 968 ‘Vier uyt’)
+Daar [etc.]: er smeult een vonk in het stro en als dat in brand vliegt...
+Gy gaat wat breet: u gaat wat ver
+qualijk onderregt: slecht op de hoogte
+spoor te geven: (verder) te prikkelen
+en wil: (lees:) en hij wil
+Ten spijt van: tot hoon van
+zigh beleedigt: zich vrijmaakt (van zijn andere, kerkelijke plichten)
+Getuygen [...] heelen: (lees:) die (nl. de diepe wonden die het rijk zijn toegebracht, zie 1064), zowel die van nu als de vele van voorheen, getuigen ons hoe problematisch het zal zijn die te genezen.
+En dat: (lees:) en nu men ziet dat...
+Staat elk verzet: is iedereen ontsteld
+hun onderstaan: zij ondernemen
+Ia weet: (lees:) ja, hij weet..
+Daar [...] gelaten: er is niets nagelaten
+Dies werdt: derhalve wordt
+en [...] leyt: en hoe u er ook over denkt...
+Wy [etc.]: (lees:) wij zullen evenmin nalaten (al datgene, 1141) te bevorderen (wat)...
+is besteeken: is gepland
+dit [...] vooren: dat dit (nl. de - reeds ontdekte - samenzwering van Perrone met de edelen) ons zou overkomen
+die geen: (lees:) op diegene (vanwege ‘wreken’ in 1162)
+Dat ook: (lees:) ook wil ik dat...
+zijdtgeweer: sabel, zwaard
+helpen aan een kant: van kant helpen, ombrengen
+vallen af tot: vervallen tot
+daar in gezien: daar heb ik in gelezen over...
+beneffens het aanmoedigen: en tevens het dringende verzoek
+dat ten waare: als niet bestond
+doemdt [...] viere: verbrand de brief
+als dat men letten: dat men erop moet toezien
+elk [...] zien: iedereen zal direct terugschrikken
+versteeken: (zullen) verhinderd (zijn)
+(brief) Terwijl: aangezien
+dien [...] vergunnen: staan wij het (volk) toe en vergunnen wij het...
+Of [...] utgevoerdt: of alsof er onwettig gehandeld is
+Vergreepen [...] Majesteyt: majesteitschennis hebben gepleegd
+Van [...] gegeven: dat nergens een woord staat over het bewuste privilege, ooit aan dit volk geschonken, dat ons door u ter hand gesteld zou worden
+begrypt: omvat, ligt besloten in
+Dit [...] proef: dit is geen geldig bewijs
+noch te meer: nog sterker
+En wy niet dan: (lees:) en wij hebben niets anders voor dan...
|
|