Geen daden maar woorden. Interviews


auteur: Fernand Auwera


bron: Fernand Auwera, Geen daden maar woorden. Interviews. Standaard Uitgeverij, Antwerpen / Utrecht 1970.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 214]

E. Troch

(ps. voor Luc Vandeweghe). Licentiaat geschiedenis. Eerst leraar MO. Sedert 1944 in de journalistiek. Verbonden aan de ‘Nieuwe Standaard’ daarna aan ‘de Nieuwe Gids’ tot 1950, van 50 tot 60 chef buitenland van ‘De Standaard’ en sedert 1960 directeur-redactie van de bladen van de Standaard-groep. Publiceerde een studie over het Hitler-Stalin-pakt (1958) en een overzicht van de internationale politiek in de jaren vijftig onder de titel ‘De grote dooi’ (1960).

 

A Ik herinner me nog vaag dat u, 20 jaar of langer geleden, de enige journalist in Vlaanderen was die in zijn commentaren op de buitenlandse politiek meer aandacht besteedde aan de tegenstelling tussen het Westen en wat wij nu de derde wereld noemen dan aan de Oost-West-tegenstelling.

T De enige was ik zeker niet al is het juist dat daar toen niet zoveel aandacht aan werd besteed. Mijn belangstelling voor de factor ‘onderontwikkeling’ in de internationale politiek is, geloof ik, te herleiden tot een reis die ik in 1950 in Egypte maakte. Daar werd ik in concreto geconfronteerd met overbevolking, armoede, honger, ziekte, verbonden aan het verschijnsel ‘onderontwikkeling’. Ik heb er het verband kunnen leggen tussen koloniale overheersing, feodale maatschappelijke structuur en economische exploitatievormen. In de loop van de jaren vijftig ben ik steeds meer belang gaan hechten aan de tegenstelling tussen arme en rijke naties en aan de explosieve betekenis hiervan voor de internationale verhoudingen. In verband hiermee heb ik de Oost-West-tegenstelling eerder gerelativeerd. Ik ben ongetwijfeld een van de eersten in

[p. 215]

Vlaanderen geweest om over die Oost-West-tegenstelling te schrijven in coëxistentietermen. En dat was in een periode waarin iedereen nog in de beklemming van de koude oorlog leefde lang niet altijd gemakkelijk. Het publiek zag alles door de ideologische anti-communistische bril. Er is toen tegen mij een vrij harde campagne gevoerd waaraan een memorandum is te pas gekomen dat naar verscheidene vooraanstaande katholieke personen werd verstuurd. De stelling was dat de crypto-communist of gewoon de communist Troch zich in de Standaard-redactie had geïnfiltreerd. Men bedreigde de directie van de krant met boycot van de bladen. Aangezien die directie op het ogenblik vaak scherp wordt verweten, van z.g. progressieve zijde, dat zij de vrijheid van de journalist zou beknotten is het, geloof ik, van belang vast te stellen dat die campagne haar volkomen koud heeft gelaten. Ik heb nooit met enige censuur-maatregel van de directie te maken gehad.

A Maar u houdt zich dan, althans als E. Troch, uitsluitend met de buitenlandse politiek bezig, en nu hoort men wel eens meer beweren dat vele kranten zich een progressief tintje trachten te geven door het buitenland erg open te bekijken, maar zich heel wat benauwder opstellen als het om binnenlandse aangelegenheden gaat.

T Het is mogelijk dat de accenten soms verschillend liggen. Maar ik geloof dat dit te maken heeft met de aanpak van de betrokken journalisten. Ik kan u wat mijn ervaring betreft in elk geval verzekeren dat er in de krantengroep waaraan ik verbonden ben geen directieven bestaan voor het aanleggen van verschillende maatstaven bij het behandelen van binnenlands resp. buitenlands nieuws. Als norm geldt: objectief informeren. Ongetwijfeld is de reactie van buiten uit op binnenlandse informatie en commentaar veelvuldiger en meestal krachtiger. Persoonlijk werd ik hiermee geconfronteerd in 1960 en volgende jaren toen ik over Belgisch Kongo schreef. Ik behandelde het onderwerp met dezelfde maatstaven als ik aanlegde voor om het even welke andere kolonie. Mijn standpunt riep nogal wat verzet van buitenaf op. Allicht omdat er meer belangen gemoeid waren met de ontwikkeling ginds.

A Hoe zou u uw manier van schrijven typeren?

[p. 216]

T Als objectiverend. Van vorming ben ik historicus en als historicus is men geloof ik niet zo slecht gewapend om de gebeurtenissen nuchter te beoordelen en om ze te relativeren. Aan de tot op zekere hoogte subjectieve en tijdgebonden interpretatie ontsnapt de historicus evenmin als de journalist. De journalist heeft het moeilijker omdat hij wordt geconfronteerd met de onmiddellijke actualiteit en omdat hij als het ware verdrinkt in de maalstroom van feitenmateriaal. Essentieel is dat hij naar beste vermogen een oordeelkundige keuze doet en dat hij vooroordeel en emotie weert. Hij dient op zijn hoede te zijn voor al diegenen, officiëlen en niet-officiëlen, die beroepshalve het nieuws kleuren. Hij zal zich bij gelegenheid moeten verdedigen tegen overheids- en tegen groepsdwang.

Wie over buitenlandse politiek schrijft dient te weten dat machtsverhoudingen zeer sterk het beleid van om het even welke natie bepalen. Het is verkeerd zich bij het interpreteren van dit beleid al te zeer te laten leiden door ideologische maatstaven. Wij bevinden ons in het westerse anticommunistische kamp. Wij zijn daardoor geneigd de oorzaken van de internationale spanning steeds bij de andere partij (de communistische) te zoeken. In een kamp opgenomen zijn betekent blindheid voor de achtergronden van de houding van de tegenstander. Om objectief te zijn moet men proberen zich te verplaatsen in de huid van die tegenstander. Bovendien lijden wij nog steeds aan wat ik zou noemen het Europacentrisch complex. Wij zijn als Europeanen zo gewoon geweest de rest van de wereld te overheersen en wij hebben in dit verband een zo sterk zendingsbewustzijn ontwikkeld dat wij gewoon niet in staat zijn de situatie door de bril van de overheersten te bekijken. Wij spreken van de christelijke beschaving resp. van de democratische idealen en we zijn er ons niet van bewust dat we verkapte machtspolitiek bedrijven.

Ik probeer uit mijn commentaren, zo veel als menselijk gesproken mogelijk is, alle emotionaliteit te weren. Ik probeer vooral ook het buitenland niet door een partijpolitieke bril te bekijken. Dat laatste gebeurt bij ons nog wel eens meer dan gewenst. Ik denk bijv. aan een bepaald moment in de ontwikkeling van de Algerijnse kwestie toen men in onze socialistische bladen het zuivere Franse kolonialistische standput verdedigd vond, om de een-

[p. 217]

voudige reden dat de Franse socialisten toen in de regering zaten. Ik heb steeds gepoogd in de kranten waaraan ik meewerkte informatie te brengen op een behoorlijk, ik zou bijna zeggen, wetenschappelijk niveau. Ik hoop dat ik daar tot op zekere hoogte in geslaagd ben.

A Beschikken de kranten van nu over meer mogelijkheden om internationaal nieuws te brengen dan vroeger, ik bedoel dan in de periode toen u begon?

T Beslist. Men kan hiervoor verscheidene redenen aanvoeren. Op de eerste plaats is na de Tweede Wereldoorlog een ruimere belangstelling bij een deel van het publiek gegroeid voor buitenlandse politiek. De wereld is zoveel kleiner geworden en met de ontwikkeling van de moderne technologie wordt ieders lot mede bepaald door gebeurtenissen die ver van huis plaats hebben en door beslissingen die aan het andere eind van de aardbol genomen worden. Ik ontveins mij niet dat de belangstelling van het grote publiek in de eerste plaats blijft uitgaan naar sport en z.g. onderhoudende kopij, maar ik geloof dat jongere mensen meer oog hebben voor wat er zich buiten de eigen landsgrenzen afspeelt en dat zij zich meer open opstellen.

Tegen de tweede reden wordt dezer dagen wel eens geprotesteerd, maar zij is er niet minder geldig om. Een grote en financieel sterke krant beschikt uiteraard over meer middelen om haar informatie, vooral haar internationale informatie op peil te brengen en te houden. Zij kan dure correspondenties uit het buitenland betalen. Zij kan zich op meer nieuwsmedia abonneren. Het kritisch behandelen van de kopij wordt door de beschikbaarheid van meer bronnen bevorderd. Hier ligt een niet te onderschatten voordeel van krantenfusies in zoverre die ruimere middelen vrijmaken.

A Weegt dit voordeel op tegen de nadelen?

T Het is evident dat de z.g. concentratie een gevaar inhoudt in zoverre zij de opiniewaaier kleiner maakt. Een absolute of vrijwel absolute concentratie zou in dit opzicht een bedreiging kunnen vormen voor de vrije democratische meningsvorming. Intussen is die concentratie noch bij ons noch in het buitenland zover gevorderd, dat zij de gevaarlijke drempel heeft overschreden.

Grote financieel sterke kranten staan veel minder dan kleine financieel zwakke kranten bloot aan de druk van geldschieters. Ik

[p. 218]

denk bijv. aan kleine kranten die zich in bepaalde gevallen niet kunnen veroorloven er een zelfstandige filmkritiek op na te houden omdat zij de advertenties van de bioscoopexploitanten niet kunnen derven. Uit eigen ervaring ken ik geen enkel geval waarin door de directie druk zou zijn uitgeoefend om bepaalde berichten te weren op grond van het feit dat zij de belangen in de advertentiesector zouden schaden (ik denk bijv. aan de berichten in verband met tabak als kankerverwekker).

A U zei dat de gevarendrempel nog niet is overschreden. Is men er in Vlaanderen nog ver van verwijderd?

T Ik geloof dat we nog een heel stuk van die drempel verwijderd zijn. Overigens ben ik van mening dat dit een wat eenzijdige manier is om het probleem te benaderen. Waarom groeit de oplage van kranten? Omdat ze bij het publiek in de smaak vallen. Omdat de kwaliteit goed is. Met Lord Thomson geloof ik dat het stijgend intellectueel ontwikkelingsniveau de kwaliteitskrant een kans geeft. Sommigen willen het probleem van de afstervende kranten oplossen met staatssubsidies. Paradoxaal genoeg in de overtuiging zo de vrijheid van opinie te beschermen. Zullen die gesubsidieerde kranten integendeel niet veel meer aan dwang van de overheid blootstaan?

A Dat van die kwaliteitskranten klopt geloof ik toch niet helemaal. De Telegraaf?

T Natuurlijk kan men ook meer kranten verkopen door extra op de sensatiezucht te gokken.

A Of zelfs niet eens daarop. Een krant kan er zich ook toe beperken slechts dat te brengen dat de mensen vooral niet stoort. Dit is nog veel gevaarlijker.

T U bedoelt dat men door het bewust uit de weg gaan van serieuze politieke en andere voorlichting de mensen depolitizeert en ze rijp maakt voor politieke avonturiers. Inderdaad, maar dit verzwakt mijn geloof niet in de toekomst van de kwaliteitskrant. Ik meen dat de mensen zich steeds minder appelen voor citroenen zullen laten verkopen. In de sterk stijgende oplage van ‘De Standaard’ (verdubbeling in minder dan tien jaar) vind ik een argument. Ik heb er mede toe mogen bijdragen het niveau van die krant te verbeteren. Het is mijn overtuiging dat men de Vlaamse ontvoogding het best dient door het maken van een op ruim-

[p. 219]

denkendheid afgestemde goede krant. Een krant waarin journalisten kunnen werken die hun lezers de middelen aan de hand doen voor een zelfstandige oordeelvorming. Het publiek neemt het minder en minder tendentieuze berichtgeving te krijgen opgedrongen.

Anderdeels blijft het waar dat, om het met de Oostenrijkse historicus Friedrich Heer te zeggen, heel wat lezers aan hun krant de voorkeur geven boven andere kranten, niet omdat zij erin vinden wat zij niet weten, maar omdat zij er zaken in vinden die hun in hun eigen oordeel en vooroordeel versterken. Met andere woorden veel ‘normale’ lezers zijn bang voor juiste informatie.

De echte journalist moet de moed opbrengen tegen de opinie van zijn lezers positie te kiezen.

Om terug te keren tot de buitenlandse politiek zou ik er - om slechts een paar voorbeelden aan te halen - op willen wijzen dat het jarenlang in de westerse pers gebruikelijk was het Sovjet-russisch technologisch prestatievermogen te kleineren. Toen de eerste Spoetnik om de aarde cirkelde moesten veel lezers zich wel bedrogen voelen. Of nemen wij de berichtgeving over China. Wat weten wij over dat land? Bitter weinig dat met de reële feiten klopt. Nu maken de Chinezen het ons zeker niet makkelijk om juist geïnformered te zijn. Maar de hoofdschuld ligt bij onszelf en dan vooral bij ons ideologisch vooroordeel. Het is een wat gek geval, maar ten gevolge van de gespannen Chinees-Russische verhouding is het de Russische propaganda die momenteel het ‘vrije Westen’ met anti-Chinese fabeltjes voedt. Die Russische propaganda is het best te vergelijken met die, die we destijds konden horen uit de mond van sommige uit China verdreven Scheutisten...

A U zegt zelf dat het moeilijk is tegen de opinie van de lezers te schrijven...

T Moeilijk, maar het kan. Het kan zeker in een sterke krant. Wat men dezer dagen hoort vertellen over het manipuleren van berichten raakt kant noch wal. Journalisten die door hun directie worden gemanipuleerd hebben dit vaak alleen aan hun eigen zwakheid te wijten. Wat de strekking van het commentaar betreft ligt het zo voor de hand dat de vrijheid van de journalist er niet in kan bestaan alles te schrijven waar hij zin in heeft. Er bestaan bepaalde ideologische grenzen waarbinnen hij zich kan bewegen

[p. 220]

en die kent hij wanneer hij bij de krant komt. Wie bij de ‘Figaro’ gaat werken weet dat hij niet zal kunnen commentariëren alsof hij bij de ‘Humanité’ werkt.

A Hoe verklaart u het feit dat zowat overal ter wereld rechtse stromingen en regimes aan kracht winnen of zich consolideren?

T In een dergelijke algemene formulering kan ik die stelling niet beamen. Wanneer men de ontwikkeling in de wereld beschouwt sedert de Tweede Wereldoorlog dan is er een duidelijke verschuiving naar links. Denk aan de overgang van China naar het communistische kamp. Denk aan de ontwikkeling in een aantal voormalige koloniale gebieden in Azië en Afrika. In Europa is er het vestigen van de militaire dictatuur in Griekenland. Maar er is toch ook het aan bod komen van de sociaaldemocraten in West-Duitsland. Hieraan zou ik willen toevoegen dat de tegenstelling rechtslinks ietwat uitgehold wordt door de technologische ontwikkeling. Ik bedoel dat het verschil in technologische ontwikkeling en niveau belangrijker is dan vroeger en dat dit verschil een steeds grotere rol gaat spelen. De technologische ontwikkeling geprojecteerd op het militaire vlak dwingt de supermogendheden uit puur zelfbehoudsinstinct en ondanks de ideologische tegenstellingen tot coëxistentie. Tussen Russen en Amerikanen bestaat in dit opzicht een parallellisme van belangen. De aantrekkingskracht van de ideologie blijft groot in de derde wereld. Hier bezitten de communisten een duidelijk voordeel. Ten eerste omdat zij een ontwikkelingsmodel bieden waarin een niet te loochenen aantrekkingskracht schuilt. Ten tweede omdat de ontwikkelingslanden de gevangenen blijven van een organisatie van de wereldhandel die de rijke landen bevoordeelt en dus van een economisch exploitatiesysteem dat hen geen uitzicht biedt.

A Systeem dat ook onze ontwikkelingshulp tot een karikatuur maakt van wat ze zou moeten zijn.

T De Westerse ontwikkelingshulp is inderdaad al te vaak een lege dop. De Sovjetrussische wordt in veel gevallen verkeerd gebruikt ter wille van politieke doeleinden. Het percentage ontwikkelingshulp van de rijke landen is belachelijk klein. Het vergroten van de kloof tussen arm en rijk hoopt fataal politieke explosiestof op.

A Zou West-Europa hier geen positievere rol kunnen spelen?

T Ongetwijfeld. Met zijn sterk economisch potentieel zou West-

[p. 221]

Europa op dit terrein heel wat kunnen realiseren wanneer het zich minder ‘neo-kolonialistisch’ gaat opstellen. Dit zou o.m. het losser maken van bepaalde bindingen met de Verenigde Staten veronderstellen.

A Het probleem is dat steeds meer mensen zich hiervan bewust dienen te worden. We hadden het daarbij over de invloed van de kranten. Kan ook de literatuur bij dit bewust maken een rol spelen?

T Zelfs in niet geringe mate. Om een oud voorbeeld te citeren. Denk aan de invloed van een roman zoals ‘La condition humaine’ van Malraux.

A Ondertussen is er de TV gekomen.

T De invloed van de TV is natuurlijk niet te onderschatten maar het beeld werkt oppervlakkiger dan het geschreven woord dat zowel in krant als in roman meer achtergrond en beter inzicht verschaft.