'Otto van Eck en de anderen. Sporen van jonge lezers in schriftelijke bronnen'


auteur: Arianne Baggerman


bron: Arianne Baggerman, ‘Otto van Eck en de anderen. Sporen van jonge lezers in schriftelijke bronnen.’ In: Berry Dongelmans, Netty van Rotterdam, Jeroen Salman en Janneke van der Veer, Tot volle waschdom. Bijdragen aan de geschiedenis van de kinder- en jeugdliteratuur. Biblion Uitgeverij, Den Haag 2000, p. 211-224  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 211]

Otto van Eck en de anderen
Sporen van jonge lezers in schriftelijke bronnen
[1]

Arianne Baggerman+

En toen dit gedaan was, sloeg het één uur wanneer ik, de markt over wandelende, naar W[elding] ging, alwaar ik een reisje door Spanjen gedaan heb (geographie) en daarna naar de maan (astronomie).[2]

Deze ruimtereis werd in het jaar 1796 ondernomen door de vijftienjarige Otto van Eck, oudste zoon van de Haagse advocaat Lambert Engelbert van Eck en burgemeestersdochter Charlotte Amélie Vockestaert.[3] Regelmatig maakte Otto ook reizen in de tijd. Zo verplaatste hij zich bijvoorbeeld op 8 september 1794 naar de periode rond 300 voor Christus toen de Romeinen te kampen hadden met oproerige Samnieten, waaraan ‘niet veel interessants’ te beleven zou zijn:

Het zijn geduurige oorlogen met de nabuurige Samniten, welke volken, hoewel sij altoos met grovt verlies teruggeslagen wierden, telkens weeder de eerste de wapens opvatteden en niet konden besluiten de wapens neer te leggen, voordat zij van de dienstdaerheid der Romeinen bevrijd waren.

Otto raakte heel wat meer opgewonden door zijn uitstapjes in de wereld van de microkosmos waar hem de schoonheid van een sneeuwvlok of de structuur van een korrel zand werd geopenbaard:

't welk ons (met het blote oog beschouwd) zeer gemeen toeschijnen en egter, wanneer wij het door een vergrootglas bezien dan is elk korreltje een kunstig gewrogt driekant of rond bolletje.

Daarnaast werd hem de mogelijkheid geboden zijn kennis van het dierenrijk uit te breiden met de populatie in de Afrikaanse oerwouden waardoor hij zich mocht verbazen ‘over de verstandigheid, het overleg, de gehoorzaamheid, de verdraagzaamheid en voorzichtigheid der olifanten, deugden welke zig in geen een beest zo volkomen te vinden zijn als in deze’.[4]

In werkelijkheid voerden Otto's reizen hem echter nooit verder

[p. 212]

dan Kampen, een tocht die toentertijd per trekschuit of koets enkele dagen vergde en uitzonderlijk genoeg werd bevonden hiervan een apart reisverslag te vervaardigen. Voor Otto's overige, verder reikende, reisbestemmingen kon hij gebruikmaken van een veel sneller transportmiddel: het lezen van boeken. Gedurende de periode waarin Otto opgroeide - ‘de eeuw waarin men naamentlijk voor kinderen schrijft’[5] - waren kinderboeken in steeds ruimere mate voorhanden gekomen. Tegelijkertijd groeide ook het aanbod van pedagogische verhandelingen waarin ouders werd geadviseerd de verbeelding van hun kinderen niet de vrije loop te laten. Otto hoefde zijn reizen daarom zelden alleen af te leggen. Zijn lectuur werd intensief begeleid door zijn ouders die zijn receptie, waar nodig, tijdens het lezen bijstuurden en naderhand nog eens controleerden door ook zijn dagboek hierop na te lezen. Toen Otto zijn literaire omzwervingen over de aardbol, in de ruimte, in het verleden of in de wereld van de microkosmos optekende, kon hij niet vermoeden dat ook zijn eigen dagboek nog eens in druk zou verschijnen en latere generaties als voertuig zou dienen zich te verplaatsen in een voorbije wereld.

Dankzij het dagboek dat hij verplicht van zijn ouders moest bijhouden, kunnen we Otto van dag tot dag volgen in veel van zijn bezigheden: zijn danslessen, zijn bezoeken aan de kermis, de ruzies met zijn zusjes, zijn spel met vriendjes, de lange educatieve wandelingen met zijn vader, maar ook, en hierover tonen zelfs egodocumenten zich over het algemeen weinig spraakzaam, zijn dagelijkse lectuur. Niet alleen informeert hij ons over de boeken die hij leest, maar ook op welke momenten van de dag dit lezen plaatsvindt, hoe hij leest, wat hij ervan vindt en soms zelfs welke conclusies hij aan zijn lectuur verbindt. We weten eveneens hoe hij zijn lectuur in het algemeen waardeerde. Tot onze grote teleurstelling was hij weliswaar een veellezer, maar geen enthousiaste. Veel liever speelde hij buiten met zijn geitenwagentje of timmerde hij hokjes voor zijn vogeltjes. Nog liever ging hij naar de markt om daar rond te slenteren en weer een nieuw sijsje op te duiken. Wel lijkt zijn enthousiasme voor zijn literatuur naarmate hij ouder wordt toe te nemen. Deze groeiende waardering gaat echter gepaard met een dalende frequentie in het dagboekschrijven - het ouderlijk regime verslapte - waardoor we minder dan voorheen de mogelijkheid hebben hieraan deel te nemen. Na zijn zeventiende jaar, in november 1797, stokt het dagboek abrupt met de woorden: ‘Gister slegt weer met sneeuw. Vandaeg beeter met vorst wind oosten’.[6] Deze stilte is bijzonder jammer. Het zou

[p. 213]

interessant geweest zijn Otto's ontwikkelingen op het terrein van boekgebruik en leesgedrag ook te volgen nadat hij volwassen was geworden. Welke visies uit zijn literatuur beklijfden? Hoe voedde hij zijn eigen kinderen op? Welke boeken gaf hij zijn kleinkinderen cadeau?

Voor ons mag het dan spijtig zijn dat we niet verder kunnen kijken dan Otto's zeventiende jaar, voor zijn ouders, die zich deze en vele andere vragen gedurende hun verdere leven zijn blijven stellen, was het tragisch. In tegenstelling tot Otto's jongere broertjes en zusjes die volwassen werden, trouwden, kinderen kregen en al dan niet een beroep gingen uitoefenen, werd Otto nooit ouder. Hij stierf op zeventienjarige leeftijd aan tuberculose. Het weinige wat zijn familie nog van hem restte, was de in zijn dagboek gestolde herinnering aan een grappig, soms tegendraads, hardhorend, goedwillend manneke dat nog op zijn sterfbed verklaarde alles te willen doen om zijn ouders te troosten:

de moeite die wij zo menigvuldig met hem gehad hadden en nu weder op nieuw hadden, had hij gehoopt op zijn beurt nog eens te zullen vergelden, maar tot zijn smerte ontviel hem die hoop en daarom wilde hij nog maar alles doen, wat hij wist dat ons plaizier zou doen.[7]

Uit de autobiografische aantekeningen waarmee Otto's jongere zusje die van Lambert van Eck aanvulde, blijkt dat Otto's vader nooit meer helemaal over de klap van Otto's overlijden is heen gekomen. Hij kreeg hierna te kampen met ondraaglijke hoofdpijnen om slechts enkele jaren later zelf ten grave te worden gedragen.[8] Otto's dagboek is daarom in zekere zin op te vatten als een ‘lieu de mémoire’ aan een te vroeg overleden kind. En dat zal de reden zijn geweest waarom dit dagboek zo zorgvuldig is bewaard, terwijl van de andere kinderen Van Eck geen enkel egodocument is overgeleverd. Het is daarom zinloos het overlijden van Otto 200 jaar na dato nogmaals te betreuren. Hoe wrang het misschien ook mag zijn, als Otto gewoon volwassen was geworden, zou hij weliswaar heel wat meer hebben kunnen doen, maar hadden wij daarvan aanzienlijk minder geweten.

Hoe veeleisend mag een onderzoeker zijn die zich bezighoudt met een reconstructie van de mentale horizon van mensen uit een ver verleden? De analyse van egodocumenten is moeilijk te combineren met de eis van representativiteit die binnen de geschiedwetenschap wordt gehuldigd. Is de vondst van het dagboek van Otto van Eck

[p. 214]

vergelijkbaar met die van de eerste opgegraven Neanderthaler? Zijn verwrongen bottenstructuur leidde tot een reconstructie van deze voorouder als een specimen dat gekromd door het leven ging. Dat ging goed totdat een soortgenoot, recht van lijf en leden werd ontdekt, waaruit bleek dat de eerdere vondst het slachtoffer was geweest van een prehistorische vorm van reuma. Deze vergelijking werd in stelling gebracht om de waarde van egodocumenten als bron voor leesgeschiedenis ter discussie te stellen.[9] Het voorbeeld gaat echter, hoe sterk ook in retorisch opzicht, even mank als de desbetreffende Neanderthaler. Hadden de archeologen die de pech hadden uitgerekend een reumatische Neanderthaler op te graven deze voormens daarom maar beter niet kunnen onderzoeken? Hadden ze het onderwerp bij gebrek aan meer dan één getuige - volgens het juridische principe one witness, no witness - moeten laten rusten?[10]

Hoewel de sporen van leesgedrag en leeservaringen zo schaars zijn dat een positivistische benadering in de vorm van een breed kwantitatief onderzoek met percentages en grafieken nooit tot de mogelijkheden zal gaan behoren,[11] is het inmiddels wel mogelijk aan de juridische eis te voldoen en de zitting met meerdere getuigen voort te zetten.

In dit artikel zal ik een poging doen de leeservaringen van Otto in een ruimere context te zetten door zijn dagboekschrijven in te bedden in de achttiende-eeuwse pedagogische literatuur. Hoe luidden de adviezen? Eerst zal ik echter proberen met behulp van allerlei andere bronnen, fragmentarische puzzelstukjes - dagboeken, leefschema's, klantenboeken, boekcatalogi en advertenties - zijn leesgedrag met dat van een aantal andere kinderen te vergelijken.

Leesgedrag

Zelfs een weinig intieme bron als advertenties blijkt in combinatie met Otto's dagboek een aantal verrassende nieuwe gezichtspunten op te leveren. Voor het eerder geciteerde fragment over de wijsheid van olifanten putte Otto uit een boek dat hij in dat jaar vrijwel dagelijks las: het Manuel élémentaire van de Duitse, verlichte pedagoog Basedow. Deze titel is ondanks een agressieve reclamecampagne van een groep achttiende-eeuwse boekverkopers nooit in het Nederlands vertaald. Toch verwachtten de uitgevers dat dit een winstgevende onderneming zou zijn. Dit blijkt uit de vele advertenties voor een dergelijke vertaling. Het blijkt ook uit de, in de kranten openlijk uitgevochten, ruzie toen er meer kapers op de kust kwamen.[12] Als we

[p. 215]

ervan uitgaan dat uitgevers in het algemeen een goede neus hebben voor de markt dan mogen we aannemen dat Otto niet het enige kind was dat dagelijks zat te worstelen met het Franstalige Manuel élémentaire. Omdat wij, anders dan de achttiende-eeuwse boekverkopers, inzage hebben in Otto's dagboek krijgen we een vermoeden waarom een vertaling van dit handboek zo weinig intekenaren wist te trekken.

Als het aan Otto had gelegen, was die vertaling er beslist gekomen. Maar het lag niet aan Otto. Otto's ouders bepaalden nauwgezet welke boeken hij las, wanneer hij ze las en in welke talen hij ze las. Wanneer Otto na een logeerpartij in Rotterdam zijn bij oom Pieter Paulus begonnen lezing van Stuarts Romeinsche geschiedenissen thuis wil voortzetten, krijgt hij nul op zijn rekest. Niet omdat, zo blijkt uit de intekenlijst op deze Romeinsche geschiedenissen, de familie Van Eck de genoemde titel niet in huis had. Otto's ouders gaven echter de voorkeur aan Rollins Histoire Romaine over hetzelfde onderwerp. Vermoedelijk prefereerden Otto's ouders het werk van Rollin om dezelfde reden als waarom Otto's voorkeur juist uitging naar het werk van Stuart: de taal.[13]

Uit Otto's dagboek kan men leren dat zelfs zijn vrijetijdslectuur - door Otto's ouders geformuleerd als zijn lectuur ‘van plaizier’ - in het teken stond van een verruiming van zijn algemene ontwikkeling en eveneens werd aangewend om zijn talenkennis te vergroten. Dat zij niet de enige ouders waren die deze combinatie nastreefden, zou kunnen blijken uit het geringe animo voor een Nederlandse vertaling van het Manuel. Het blijkt ook uit een toevallige vondst in het familiearchief Blussé. In een van de meer dan honderd dozen ongeïnventariseerde familiepapieren die dit archief rijk is, vond ik geen dagboeken zoals dat van Otto. Ik vond wel twee vodjes papier waarop zwart op wit het bewijs dat Otto niet het enige achttiende-eeuwse kind was met een geheel voorgeprogrammeerd leef- en leesschema - dat hij dus niet de enige kleine Neanderthaler was met reuma. Hij had ten minste twee lotgenoten: Adolph en Abraham Blussé junior. Terwijl Otto opgroeide in de kringen van de elite, moeten deze kinderen worden gesitueerd in de kringen van de middenklasse. Evenals hun vader, Pieter Blussé, waren ze voorbestemd voor een carrière als boekverkoper en uitgever. In de tijd dat de veertienjarige Otto zich nog mocht overgeven aan lange tochten met het geitenwagentje, zat de vijftienjarige Adolph reeds voor dag en dauw in de boekhandel van zijn vader. Hij werd hier geacht toezicht te houden, klanten te

[p. 216]

bedienen, boeken in te binden en tegelijkertijd de krant door te nemen op boekadvertenties:

Maandag, en vervolgens, zy zyn oog oplettend op alles wat tot den winkel en handel behoord. Na 't aankomen der post leeze hy de nieuwspapieren, byzonder de annonces van vertalingen, nieuwe boeken en andere aanbiedingen; formeere een register waarin hy de pryzen stelle, of wat meer nodig zyn kan om zich met alle oude en nieuwe uitgaven van werken bekend te maaken benevens derzelver waarde. Kan dit op het ogenblik niet geschieden, de dag moet tog niet voorbijsnellen zonder dat dit verricht zy.[14]

Dit citaat is afkomstig uit een van de twee door Pieter Blussé opgestelde weekschema's waarin de activiteiten van zijn kinderen van uur tot uur zijn ingevuld.[15] Niet alleen op welke tijden zij dienen te lezen, maar ook wát zij dienen te lezen wordt van een uitwerking voorzien. Als we alle door Pieter opgestelde weekschema's hadden teruggevonden, zouden we het lectuurdieet van deze boekverkoperskinderen in extenso hebben kunnen vergelijken met dat van Otto. We moeten echter volstaan met de invulling van slechts één week uit het leven van Abraham Blussé junior rond 1784, toen hij twaalf jaar oud was, en één week uit het leven van zijn jongere broer Adolph, toen deze vijftien jaar oud was, in oktober 1794.[16] In dit beperkte boekenmagazijn vinden we al drie titels die Otto eveneens op het programma had staan: Wagenaars Vaderlandsche historie, in de speciaal voor kinderen verkorte, door Blussé zelf uitgeven versie van Te Water,[17] Onderwijs voor kinderen van de verlichte, door het filantropijnse gedachtegoed geïnspireerde, Willem Emmery de Perponcher en J.H. Campes Kleine zielkunde voor kinderen, een Duitse auteur uit dezelfde school als Basedow, de auteur van Manuel élémentaire. Op een enkele uitzondering na bevatten ook de titels die afwijken eenzelfde strekking als Otto's lectuur of zijn de verschillen slechts marginaal. Zo schrijft Otto een verhaal te hebben gelezen over ‘den ouden grijzaard J. Calas welke onschuldig ter dood gebragt is’. Hij zal hebben gedoeld op Voltaires aanklacht tegen de onrechtvaardige, inhumane executie van de Franse Hugenoot Jean Calas voor een moord die hij niet had gepleegd.[18] Abraham junior wordt door zijn literatuur weliswaar gestimuleerd zich te spiegelen aan een andere martelaar maar die heeft wel dezelfde religieuze achtergrond: de Waalse hugenoot Jean Marteilhe, die vanwege zijn geloofsopvattin-

[p. 217]

gen tot de galeien was veroordeeld.[19] Met Marteilhe liep het uiteindelijk beter af dan met Calas. Na een langdurig slavenbestaan op de galeien werd hij in 1713 vrijgekocht door de Engelse koningin Anna. Hierna stelde hij zijn herinneringen te boek die in 1757 voor het eerst in Nederland werden gepubliceerd.[20] De familie Blussé, die afstamde van Waalse vluchtelingen, zal zich met Marteilhe verwant hebben gevoeld. Ook de voorkeur van advocaat Lambert van Eck voor een martelaar als Calas, slachtoffer van een inhumane rechtspleging, is tamelijk voor de hand liggend en dateert vermoedelijk al van lang voor de geboorte van Otto.

De meest opmerkelijke overeenkomst tussen Otto's lectuur en die van de kinderen Blussé is het voorgeprogrammeerde en gecontroleerde karakter van hun leesprogramma. Waarschijnlijk is dit ook de reden dat de titels die zij voorgeschoteld kregen over het algemeen niet recentelijk waren uitgekomen maar langer in omloop waren. Dit verschafte de ouders, als zij de werkjes niet kenden uit hun eigen jonge jaren, de mogelijkheid de lectuur eerst zelf door te nemen. Mogelijk verklaart deze behoefte aan controle eveneens het verschil in actualiteit tussen de titels die de kinderen Blussé en Otto te lezen kregen en de werken waarin Alexander van Goltstein, een ver familielid van Otto, zich verdiepte. Alexander begon zijn dagboek op latere leeftijd, vanaf zijn zeventiende jaar. Hij deed dit niet omdat zijn ouders hem ertoe dwongen maar op eigen initiatief, zoals hij ook een eigen selectie maakte uit het boekaanbod van die dagen.[21] Het merendeel van de in dit dagboek aangetekende titels is van zeer recente datum.[22]

Ook de voorkeur van Otto's ouders voor anderstalige werken kwam overeen met de preferenties van Pieter Blussé, die er bewust voor koos zijn kinderen werken in het Frans, Duits en zelfs Engels te laten lezen. Op deze wijze zouden zijn kinderen het nuttige met het aangename kunnen combineren. Of zoals Pieter het zelf in een eerdere brief aan Adolph formuleerde: ‘dat gij nu uit het Latijn in het Hoogduitsch overzet; dat is twee vliegen met eenen slag slaan, gelijk men zegt, en moet u zeer nuttig zijn’.[23]

Anders dan de dagschema's van Adolph en Abraham, waarin informatie over de te lezen passages ontbreekt, maakte Otto's dagboek het mogelijk over zijn schouder met hem mee te lezen en zijn receptie te toetsen aan de teksten zelf. Hieruit kwam Otto naar voren als een brave lezer die, weliswaar tevergeefs, maar wel hardnekkig probeerde zijn gedrag te modelleren naar de deugdzame voorbeelden waarvan achttiende-eeuwse kinderboeken zijn doordesemd. Na een

[p. 218]

reprimande van zijn ouders zijn huiswerk ‘niet met groten ijver en lust’ te hebben gedaan, leest hij dan ook op hun advies een passage uit De kleine Grandisson of de gehoorzaame zoon. Hieruit concludeert hij ‘dat het geen kunst is zijn ouders gedwongen te gehoorzamen, maar de kinderen moeten er een groot vermaak in vinden alles te doen wat de ouders hun gebieden’.[24] Otto had door alle deugdzaamheid in zijn literatuur zelfs de neiging door te slaan. Wanneer hij in Martinets Natuurlijke historie een technische uiteenzetting leest over de werking van het zonlicht blijkt hij het maar moeilijk te kunnen verkroppen dat de zon voor goede maar ook voor slechte mensen opgaat: ‘dog God laet weleens toe, dat het den boozen op deze waereld wel gaet, dog hij is evenwel regtvaerdig en zij zullen nae hun dood, hun verdiende loon vast wel krijgen’.[25]

Ook de kindertjes Blussé hadden door hun deugdzame lectuur de eigenschappen edelmoedigheid, gehoorzaamheid en trouw hoog in het vaandel staan. Dat wordt duidelijk uit een, alweer, toevallige vondst: een artikel in het kindertijdschrift Geschenk voor de jeugd. De familie Blussé was hierop niet alleen geabonneerd maar leverde aan dit tijdschrift ook een actieve bijdrage. In een aflevering uit 1783 vindt men een ingezonden stuk van ‘onze jongen correspondent’ Abraham Blussé - toen dertien jaar oud - waarin hij de aandacht vraagt voor een tweetal voorbeelden van ‘deugd en naarstigheid’ uit zijn eigen omgeving.[26] Beide lieden, de drukkersknecht die zijn leven lang spaarde om de schuld van zijn vader aan Abraham Blussé af te betalen en de garentwijnder die het presteerde 68 jaar goed garen te blijven spinnen voor zijn werkgever, konden zo zijn weggelopen uit een van de boeken van Otto van Eck. De beweging was echter omgekeerd. Uit nader onderzoek bleek dat ze niet uit een van Abrahams boeken zijn weggelopen maar écht hebben bestaan.[27] Daarna werden ze door Abraham tot kinderliteratuur omgesmeed.

Meer van dergelijke ‘leerzame en nuttige voorbeelden’ voor onderzoekers naar de receptie van kinderliteratuur zijn binnen het onderzoek helaas nog niet boven water gekomen. Een dagboek zoals dat van Otto van Eck vind je maar eens in de zoveel jaar. En het doorpluizen van een ongeïnventariseerd familiearchief doe je, mag men hopen, maar één keer in je leven. In het dozijn overige achttiende-eeuwse kinderdagboeken dat in Nederland is gevonden, zijn passages over lezen ofwel niet te vinden ofwel zo summier dat ze geen ruimte laten voor een analyse van de receptie van literatuur. Om dit te illustreren zal ik me tot twee hiervan beperken.

[p. 219]

Het eerste is dat van het jongetje Abraham van der Hoop uit 1788. Het betreft één jaar uit zijn leven en geen zes jaar zoals dat van Otto.[28] Zijn notities over de literatuur zijn ook nog eens veel beknopter. Wanneer hij schrijft: ‘ik herlas het boek van mijn broer’, weten we wel dat zijn broer een boek bezat en dat hij kennelijk boeken hérlas, maar nog altijd niet welke. De paar boeken die hij wel noemt, waaronder de reizen van Cook en werk van de Duitse pedagoog Campe, passen goed in Otto's patroon en dat van de kinderen Blussé. Abraham van der Hoop las deze boeken gedurende langere tijd, eerder maanden dan weken, zoals dat ook geldt voor de meeste van Otto's boeken. De dagindeling van Abraham lijkt eveneens op die van Otto, met vaste tijden voor werken, eten en amusement, en voor lezen.

Het tweede, ditmaal gezien de lange uitweidingen met veel plezier bijgehouden, dagboek, is dat van het Zeeuwse jongetje Pieter Pous.[29] Waarschijnlijk was hij een even enthousiaste lezer als dagboekschrijver. Van hem op latere leeftijd is immers een aantal notitieboeken bewaard met het opschrift ‘om niet te vergeten’ waarin hij fragmenten uit zijn literatuur heeft overgeschreven - variërend van Ansons Reize rondom de waereld tot een beschouwing ‘om vetvlakken uit de papier te doen’.[30] Hij was nog weer ouder toen hij werd teruggevonden als koper van een aantal kinderboeken in de klantenboekenadministratie van de Zeeuwse boekhandelaar Van Benthem.[31] Waarschijnlijk kocht hij deze boeken niet omdat zijn smaak met de jaren versimpelde, maar om ze aan zijn kleinkinderen voor te lezen of cadeau te doen. De mogelijkheid is echter niet uit te sluiten dat hij op jongere leeftijd minder vergeetachtig was en het daarom toen nog niet nodig vond zijn lectuur te noteren. Terwijl hij in zijn dagboek wel de moeite nam om systematisch alle door hem bezochte theatervoorstellingen met naam en toenaam te noteren, worden zijn boeken niet één keer gespecificeerd. Naast theatervoorstellingen bezocht hij met evenveel plezier wekelijks een kinderleesgenootschapje met een van ijver en goede voornemens bezielde naam: Fabricando Fabri Fimus, al doende leert men, later door Pieter aangeduid als zijn zaterdagavondse ‘chocoladepartij’. Men mag aannemen dat hier niet alleen warme chocolade maar ook boeken de ronde deden. Maar welke? Het is natuurlijk heel bijzonder er door dit dagboek op te worden geattendeerd dat kinderleesgenootschappen niet alleen in de literatuur maar ook in het echt bestaan hebben. Hiervoor waren immers nog niet eerder aanwijzingen gevonden.

[p. 220]

Een dergelijk gegeven doet echter hongeren naar meer. Bezocht Pieter een genootschapje in de trant van bijvoorbeeld de fictieve ‘Lilliputiaansche maatschappij’ van Tom Telescope waar de leden zich, onder het genot van taartjes en limonade, met de natuurlijke filosofie bezighielden? Vermaakten de jonge leden van Fabricando Fabri Fimus zich - in de Zeeuwse variant - nippend aan hun warme chocolademelk met natuurkunde of lazen ze romans?[32] Trouw bezocht Pieter Pous zijn wekelijkse kransje, enthousiast verhaalde hij alweer geen bijeenkomst te hebben hoeven missen en nooit vermeldde hij de gelezen en besproken titels.

Leesadviezen

Een van de laatste bronnen die hier aan de orde komt, is misschien wel even fictief als het boek over Tom Telescope. Deze bron blijkt eveneens tot leven te komen wanneer hij wordt vergeleken met de praktijk die uit dagboeken naar voren komt. Het betreft de pedagogische verhandelingen die in de tweede helft van de achttiende eeuw in groten getale zijn geproduceerd. In een aantal van deze verhandelingen vindt men leesadviezen. Dat is bijvoorbeeld het geval in Betje Wolffs Proeve over de opvoeding waarin een aantal boeken expliciet wordt aanbevolen.[33] Hieronder vindt men ook het door Otto en de jongetjes Blussé gelezen werk van Wagenaar en de, in ieder geval door Otto gelezen, Katechismus der natuur van Martinet.[34] In dit typisch fysico-theologische werk wordt Gods grootheid aangetoond aan de hand van de omloop van planeten, de structuur van zwerfkeien of de structuur van sneeuwvlokken. Waar vanuit Otto, zoals we zagen, wat al te consequent doorredeneerde door ook in de verdeling van zonlicht een goddelijke hand te willen zien. Om dan vervolgens verbijsterd te zijn over de onrechtvaardigheid Gods zonlicht zonder onderscheid des persoons gulhartig uit te delen. Deze beangstigende gedachte werd waarschijnlijk door Otto's ouders gesust door hem te verzekeren dat de rekening hiervoor in het hiernamaals alsnog zou worden gepresenteerd. Uit het dagboek blijkt immers dat Otto's ouders niet alleen trouwe lezers waren van Otto's dagboek, maar ook trouwe meelezers waren van zijn literatuur. Met dit meelezen probeerden ze, al even braaf als Otto zelf, hun eigen literatuur in praktijk te brengen. Zoals ook Pieter Blussé op zijn manier, met zijn strakke weekschema, probeerde het leesgedrag van zijn kinderen in goede banen te leiden en zelfs het lezen van Pieter Pous door een leesgezelschapje niet aan het toeval werd overgelaten.

[p. 221]

Zowel Betje Wolff als bijvoorbeeld Abraham de Bosson, H.A. Chatelain en A. Hulshoff bepleitten een door ouders begeleid en gecontroleerd lezen. Het lezen van kinderen moest, zoals De Bosson het formuleerde, ‘naar eisch worden bestuurd’.[35] Ook dienden ouders ervoor zorg te dragen dat het lectuurdieet van hun kinderen zorgvuldig werd samengesteld. Zo adviseerde Chatelain ouders ‘de beste Boeken in allerleie Weetenschappen’ uit te zoeken om daarmee voor hun kinderen ‘eene goede Boekerije te maken’.[36] Betje Wolff ging nog wat verder door er impliciet voor te pleiten ook leeftijdscategorieën aan te brengen binnen zo'n boekerij. Wanneer kinderen met lectuur werden geconfronteerd die te hoog gegrepen was, zouden ze het gevaar lopen ‘wijsneuzig te worden.’[37] Ook Chatelain was bang voor de creatie van een ‘droog en oud schoolvernuft’. Lezen moest ‘plaizier’ zijn, ‘bevindende dat ze het vermaak zowel door de Oogen als door de Ooren kunnen inneemen’.[38] Een jongen van veertien of zestien die alleen uit vrije verkiezingen ‘niets leest dan magere Oudheden’ en geen Engelse Pamela, de Clarissa of Grandison, ‘is zeekerlyk van de [goede] weg af [en wordt] een droog en oud schoolvernuft’.[39] Maar de auteur waarschuwde er tegelijkertijd voor dat ‘de smaak niet verbastere door die armhartige Prulschriften van Romans, welke hier dikwils saamgeflanst worden door hongerige huurlingen.’[40] De pedagoog Trembly drukte ouders vervolgens op het hart kinderen niet alles door elkaar te laten lezen: ‘Hierdoor worden hunne leez-oeffeningen van een geheel jaar evenzo belachglijk samengelapt als een Arlequins-pakje’.[41] Over dezelfde kwestie vindt men een interessante beschouwing in een ‘Zamenspraak over 't overdreevene gevoel’ in De nieuwe Nederlandsche Spectator.[42] Een vader vertelt een vriend dat hij zijn kinderen - in de leeftijdsgroep van achttien tot 23 jaar - Werther en andere romans heeft laten lezen. Dat heeft hen goed gedaan, meent hij: ‘deeze stichtelijke boeken, mijn vriend, heb ik mijne Kinderen te leezen gegeeven, en ze zijn, naa dien tijd heele andre Menschen geworden; van houten blokken zijn zij in gevoelige harten veranderd.’[43] Zijn vriend waarschuwt hem echter voor de funeste gevolgen van een al te grote gevoeligheid. Hij geeft de raad alle sentimentele boeken weg te halen uit de kamers van de kinderen: ‘want de beste romans zijn nu vergift voor beide’.[44] De romans moeten voorlopig vervangen worden door ‘eenvoudige zedekundige geschriften’. Pas als die gelezen zijn, kunnen ze zich weer eens aan Feith en soortgelijke sentimentele auteurs wagen.

[p. 222]

In het dagboek van Otto van Eck vinden we hiervan een echo. Wanneer Otto in 1796 op eigen initiatief de blijspelen van Gellert uit de boekenkast van zijn vader haalt, wordt hem dat verboden. Hij is er te jong voor. Blijkbaar moet Otto's argumentatie het afleggen tegen die van de verlichte pedagogen. Terwijl men Otto, als advocaat van zijn eigen zaak, toch bepaald niet moet onderschatten. Hij is handig genoeg een deel van hun argumenten te adopteren om ze in zijn eigen voordeel te kunnen ombuigen:

Dit vind ik een zeer goed boekje daar het aan den eenen kant zeer geschikt is om de fouten van het menschelijken hart te verbeeteren en ten anderen in een vermaaklijken comiquen stijl geschreeven is, geschikt om in snipperuurtjes te leezen.[45]



illustratie

Illustratie uit een boek dat Otto niet mocht lezen: C.H. Gellert, Blyspelen. Uit het Hoogduitsch met konstplaaten. Amsterdam 1778. (Koninklijke Bibliotheek B 846 G 36.)


Om een beeld te krijgen van andere verboden lectuur die door Otto in ‘snipperuurtjes’ werd gelezen, moeten we uitwijken naar de laatste bron die hier de revue zal passeren: veilingcatalogi van boeken. Otto kon in zijn dagboek niet vaak worden betrapt op een bevlogenheid voor zijn literatuur. In die zin was zijn passie voor de blijspelen van Gellert een uitzondering. Op 12 januari 1795 gloort er echter voor de ouders van Otto - en voor boekenliefhebbers in het algemeen - een klein straaltje hoop. Hij noteert de hele middag te hebben doorgelezen in een boekje dat hij van zijn vriendje Keesje Reepmaker heeft geleend. Hij was hierin zo verzonken geweest dat hij de tijd was vergeten, zelfs vergeten was om zijn huiswerk voor de volgende dag af te maken. Erger is het dat hij eveneens vergat de titel van dit

[p. 223]

meeslepende boekje te vermelden. De duistere kant van Otto's leesvoer, de boeken waarover hij zijn ouders in zijn dagboek niet wilde informeren, zijn door mij daarom in een eerdere publicatie omgedoopt tot de ‘collectie-Reepmaker’.

Het zou wel bijzonder toevallig zijn geweest als er uitgerekend van Keesje Reepmaker nog een dagboek was bewaard waarin bovendien zijn lectuur is genoteerd. Maar de collectie-Reepmaker is inmiddels wel boven water.[46] Wie verwacht hierin een Samuel Pepys-achtige collectie aan te treffen, komt al snel bedrogen uit. In de veilingcatalogus die van het boekenbezit van deze familie is opgemaakt, vinden we tal van titels die ook door Otto werden gelezen: Zollikofers Leerredenen, De geschiedenis van Grandisson, De moralistische vertellingen van Madame de Genlis, De natuurlijke historie van Buffon, Wagenaars Vaderlandsche historie, Stuarts Romeinsche historiën, Pluches Schouwtoneel der natuur en - hoe kan het ook anders - Martinets Katechismus der natuur. Voor Otto was er dus geen enkele reden deze boeken bij Reepmaker te lenen.

Het zal voor Otto en Keesje niet eenvoudig zijn geweest uit deze collectie monumenten van beschaving en verlichting de meer onooglijke werkjes te selecteren die garant kunnen staan voor leesplezier met ‘rode oortjes’. Hoewel de keuze wat beperkter was en de bewuste boekjes zich misschien niet in de open opstelling bevonden, waren ze toch aanwezig: het driedelige Het leven van een lichtmis, met platen dat geen nadere introductie behoeft, het - nauwelijks minder lichtzinnige - Leven van gravin de la Motte, de autobiografie van de beruchte broodschrijver en oplichter Franciscus Lievens Kersteman en een bundel spookverhalen. Ook mijn suggestie dat Otto zich bij de Reepmakers thuis misschien wel vergreep aan ‘“gezonken cultuurgoed” uit de koker van Simon de Vries’ wordt door de veilingcatalogus niet weersproken.[47] De collectie-Reepmaker behelsde, naast een veelheid aan verlichte literatuur, een aantal heel wat minder politiek correcte zeventiende-eeuwse titels. Hieronder treft men ook een bonte verzameling van Simon de Vries' rijk geïllustreerde, met bizarre verhalen gevulde, compilatiebundels.[48]

 

Hebben deze boeken op ooghoogte gestaan voor Otto en Keesje? En wat trof de jonge Adolph Blussé aan op de schappen in de boekhandel wanneer hij in alle vroegte opstond om zijn oog te laten gaan over ‘alles wat tot den winkel’ behoorde? Zou het kwaad hebben gekund als zij stiekem boeken lazen die door de achttiende-eeuwse

[p. 224]



illustratie

Illustratie uit een boek uit de ‘Collectie-Reepmaker’: S. de Vries, Curieuse aenmerckingen der bysonderste Oost- en West-Indische verwonderens-waerdige dingen. Utrecht 1682. (Koninklijke Bibliotheek 534 C 6.)


pedagogen werden afgeraden? Die laatste kwestie heeft nog niets aan actualiteit ingeboet, getuige de steeds weer opwellende discussie over de invloed van televisie en internet op het gedrag, meestal naar aanleiding van geweldsdelicten van kinderen, vooral als het vergrijp treffende overeenkomsten vertoont met wat ze de avond tevoren op televisie hebben waargenomen. Ondanks deze oplaaiende debatten blijven maatregelen echter uit. Deze liberale houding zal zeker samenhangen met het moeilijk oplosbare probleem: hoe de invloed te stuiten? De discussie wordt echter eveneens bepaald door een andere kwestie: hoe de invloed te meten? Wat dat betreft vaart men een geheel andere koers dan in de - nog wat minder positivistisch ingestelde - achttiende eeuw. Toen besloot men het zekere voor het onzekere te nemen en pleitte men voor een drastische censuur van het lectuuraanbod voor kinderen en voor het lezen onder begeleiding.



illustratie

Jan Steen, Kinderen leren een kat lezen, ca. 1663. Olieverf op paneel, 45 × 35,5 cm. (Kunstmuseum Basel.)