terug  begin  verderprepost
[p. 47]

I
Brieven van R.C. Bakhuizen van den Brink

[p. 49]

I
Brieven van R.C. Bakhuizen van den Brink

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Amsterdam, 4 mei 1830.

De vriendschappelijke verhouding, die Bakhuizen van den Brink en Jan ter Meulen al van hun schoolbanken hadden gekend, bleef bestaan, toen zij beiden in 1826 hun theologische studiën aan het Athenaeum aanvingen. Bakhuizen was toen 16½ jaar, Ter Meulen, die tussen de Latijnse School en het Athenaeum een jaar verloren had, 17. Ondanks het feit, dat Bakhuizen van den Brink andere vrienden had gekregen en dat Ter Meulen geestelijk zich de mindere voelde van deze groep, was de verhouding toch zó goed, dat toen Ter Meulen in 1828 zich nog slechts pro forma liet inschrijven en in 1829 definitief de studie opgaf om in Bodegraven het beheer van een loodwitfabriek op zich te nemen, de banden niet verbroken werden. Een jarenlange correspondentie, die zij het soms met grote onderbrekingen, tot 1839 duren zou, was daarvan het gevolg. (Vgl. de brief van J. ter Meulen aan Potgieter van 14 september 1869). Jans vader, Hendrik ter Meulen, had een verfwinkel op het Damrak, die achteruitging en de fabriek te Bodegraven werd door een compagnon slecht beheerd. Vandaar het vertrek naar Bodegraven van Jan ter Meulen, die een jaar later gevolgd werd door het gehele gezin: vader, moeder en tien kinderen (Jan inbegrepen), die zich in het bij de fabriek behorende huis, dat de naam Rhodus kreeg, vestigden.

Potgieter heeft deze brief gebruikt in zijn Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink, (Werken V, 1885) p. 154, 156, 167-168.

 

Amice!

In groote haast een lettertje en hoofdzakelijk om u te bewijzen dat ik mijne belofte houd. Ware ik niet in de gelegenheid u een brief nu kosteloos te bezorgen gij hadt er zeker van daag geene gekregen. Verbeeld u echter niet dat ik zoo schrikkelijk veel werk. Want het mooije weer en de mooije maneschijnen Goeden Hemel! zij kunnen mij zoo van het werk aftrekken en aan het dweepen maken dat ik meer om mooije meisjes denk dan om mijne Examina. En toch heb ik het vandaag geweldig drok. Van 9-11 uren bij Rooyens,1 om 12 uren naar Roorda,2

[p. 50]



illustratie
Zie p. 12 en 49
Het ouderlijk huis van Jan ter Meulen




illustratie
Zie p. 12 en 49
De familie Ter Meulen in de tuin van Huize Rhodus. Staande, 3de v. l., Jan ter Meulen Hzn.


[p. 51]

dan van 2-3 bij van der Hoeven,3 Euripides nazien voor van Lennep4 en dan 5-7½ ure op de Thee. Gij begrijpt dus dat ik van daag geen tijd heb om veel te schrijven. Provisioneel dus deze brief, bij gelegenheid een langeren.

En wat zal ik nu al vertellen. Dat ik niet veel werk zal u weinig belangstelling inboezemen en over eene negatieve zaak u zoo lang bezig te houden is noodeloos en welligt vervelend. Het positive echter dat er aan is zal ik u mededeelen. Dat is dat ik dag en nacht droom. Over dag nu en dan eens op hoop van goede ontmoetingen ga wandelen en bij nacht goede ontmoetingen heb. Er zijn twee dingen die mij vooral buiten het mooije weer etc den kop op hol brengen. De eene is dat zeker Student Jesaia W...... broeder van... van... van... gij begrijpt mij?5 na eene bedaarde weinig romaneske maar zeer huishoudelijke vrijagie van omstreeks zes jaren geengageerd is met Mejufvrouw Haverkamp, zijn nichtje, een klein niet zeer mooi maar zoo ik hoor zeer lief meisje. Ik wensch den jongen veel geluk. Onder mijne duiven heeft hij niet geschoten en dat kan hij ook niet. Echter heb ik ook reden om een weinig minder opgewonden te zijn, daar zijn kapers in het gezicht van de kust gekomen. Geland zijn zij toch nog niet. - De tweede zaak die de brandklok in mijne herssens aan het kleppen maakt is dat sedert ik mijne ouders in bewuste zaak confidentien gemaakt heb ik nu en dan er mede geplaagd word en van zeker huis naauwlijks kan terug komen zonder instantelijk na de welstand der familie en speciaal van zeker lid derzelve gevraagd te worden. Enfin ik behoud als een eerlijk eclecticus het goede van de zaak en denk; indien mijne ouders er zoo vlak tegen waren, zouden zij mij er niet mede plagen. Lagch eens om mijne dolligheden ik gun u die Schadenfreude te Bodegraven wel.

Zoo ras het mooije weer in de lucht en in mijne herssenen over begint te gaan denk ik eens mijn Examen fiks op te vatten.6 Tegen het laatst van Mei moet er dat uit, en tegen dien tijd zal ik mijne joligheden zoowat dienen af te leggen. Tegenwoordig lees ik meest Romannetjes van Goethe b.v. wiens Wilhelm Meister alleraardigst is en die schoon geen direct nut voor hart of verstand hebbende ik u echter als een aangenamen tijdkorter in leege oogenblikken wel kan recommandeeren. Maar ik zie dat ik die zoo weinig tijd had om u te schrijven reeds bijna eene pagina met schrijven over mij zelven gevuld heb. Nu wat kan ik het helpen.

[p. 52]

De Heer administrateur van het Waterwerk te Bodegraven7 staat met zijne hydrostatische kundigheden al te ver boven het peil van een armen Theologant of Literator, en als ik over Theologie en Literatuur ging praten zou hij misschien al die theoretische kennis die geene stinksloot droog maken kan beneden zich rekenen. Ik moest dus wel zoo wat historietjes van mijn hart vertellen, en als gij mij in uwe brief, die ik eerlang van u veel grooter veel gevulder veel belangrijker als de mijne is, verwacht, ook zoo wat een en ander mededeelt zal het mij aangenaam zijn. Nu, beste jongen moet ik nazien voor van Lennep. Dus Vale et me Cogita.8

 

T.T

v.d. Brink

 

Amsterdam

Dingsdag 4 Mei [1830]

1G.J. Rooyens (1785-1846), hoogleraar in de theologie en kerkgeschiedenis aan het Athenaeum sinds 1827.
2T. Roorda (1801-1874), buitengewoon hoogleraar voor Oosterse talen en oudheden en de exegese van het Oude Testament sinds 1827. Werd in 1834 gewoon hoogleraar in de wijsbegeerte; bovendien in 1835 gewoon hoogleraar in de Oosterse talen.
3Abr. des Amorie van der Hoeven (1798-1855), werd in 1827 hoogleraar in de godgeleerdheid en de kerkgeschiedenis aan het Remonstrants Seminarium.
4D.J. van Lennep (1774-1853), sinds 1798 hoogleraar in de Latijnse en Griekse letteren en oudheden, de welsprekendheid, de poëzie en de vaderlandse geschiedenis. Vader van Jacob van Lennep.
5Jesaias Wildschut (1810-1879), werd in 1827 voor theologie te Amsterdam ingeschreven op 17-jarige leeftijd. In 1830 studeerde hij ook nog te Amsterdam, maar was tevens in 1829 te Utrecht ingeschreven (nog eens in 1831). Hij werd in 1827 door Bakhuizen voor het dispuut L.O.S. voorgedragen. - Zijn zuster, Anna Jacoba Wildschut (1812-1882) huwde 17 april 1834 Dr. Petrus Jas (1808-1866), sinds 1845 predikant te 's-Gravenhage.
6Dat betekent dus, dat Bakhuizen dan bij een universiteit zou ingeschreven moeten worden, omdat examens aan het Athenaeum niet afgenomen mochten worden. Meestal ging men naar Leiden.
7De compagnon van Jan ter Meulens vader had een ‘waterwerktuig’ uitgevonden, waarop ook op 8 december 1825 octrooi verkregen was op naam van H. ter Meulen en S. Rameloos. Later ging Jan zich daarvoor blijkens zijn brieven aan Bakhuizen interesseren. De formulering van de laatste is natuurlijk schertsend bedoeld.
8Vale et me cogita = Vaarwel en denk aan mij.
prepostterug  begin  verder