Ter Meulen, die blijkbaar gewend was over het wereldgebeuren zijn licht bij zijn vriend op te steken, zette nu deze gewoonte in geschrifte voort, te meer wellicht nu hij in Bodegraven ervoer van tal van zaken op politiek gebied onkundig te blijven.
Potgieter heeft voor zijn Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink (Werken V, 1885) p. 168, enkele regels uit deze brief geciteerd.
Amicissime!
Niet zoo zeer overvloed van nieuws als wel gevoel van schuldige verpligting noopt mij u eenige oogenblikken op het papier bezig te houden. Knor zoo veel gij knorren kunt over mijn nalatigheid in het schrijven, habes confitentem reum,9 die verzoekt dat gij zijne onderdanige boete in genade wilt opnemen en die reeds op het oogenblik zijne bereidwilligheid toont om het verzuimde goed te maken. Een tweede drangreden dat in uwe geeerde missive van verleden maand zooveel valsche hypothesen en ketterijen staan, dat de ijver voor de waarheid mij bijna zou dwingen UED een ellenlange brief te schrijven wel te verstaan indien ik stuk voor stuk UED brief wilde doorlopen. Het is mij echter aangenaam dat alle die hypothesen en ketterijen waarvan ik spreek ontstaan zijn uit de gunstige opinie
omtrent mij, welke ik niet even zoo gaarne mondeling zou willen verminderen als ik het tans scripto doe: want litera non erubescit.10 Ik zeg een kind met een waterhoofd. Zeg jij: in eeuwigheid. Amen!
Kortom dan Amice! is het begin van uwen brief valsch. Die felicitatie namelijk. Nu heb ik wel onlangs in een Philosooph daar ik de helft van begrepen heb gelezen dat tijd en plaats weg gedacht eene voorzegging even zoo wel eene geschiedkundige daadzaak is als een gebeurde zaak en ik zou dus om u te kunnen verdedigen aannemen dat gij bij wijze van voorzegging mij die felicitatie hebt gestuurd.11 Wat dunkt u ben ik daar niet regt wijsgerig? maar ik vrees maar dat men zoo ieder leugen waar zou kunnen maken. Ten minsten het is zoo wat de zeekapiteinstheorie als zij een refractaire jongen geslagen hebben ‘Heb je het aan mij niet verdiend dan zal je het wel eens aan je moer verdiend hebben’. Enfin Haec hactenus.12 De zaak is dat ik mijn Examen niet gedaan en om wijze NB. redenen besloten heb het niet te doen voor na de vacantie. Wat voorts de onderstelde verligting van mijn rug betreft, dat er mijn ruggegraad tot nog toe niet zwaar onder geleden heeft kunt gij begrijpen daaruit dat ik de moed heb om het pak zoo als gij wilt nog drie maanden langer te torschen. Voorts hartelijk dank voor het tweede Omnia fausta13 indien dat ten minsten een gelukwensch en geen gelukkigheeting is. Wat zal ik zeggen? De patient laboreert aan de oude ziekte en zoo er iets was dat hem volgens uwe meening krom zou doen gaan dan zou het die ziekte en een donker vooruitzicht in deszelfs gevolgen zijn. Met dat al zooals gezegd accepteer ik gaarne uw Omnia fausta omdat ik geneigd ben altoos een goede wensch voor een goed voorteeken aan te zien. Tot dus verre over mijne situatie.
Dat wij voorts weder in de wittebroodsdagen der groote vacantie zijn zult gij begrijpen. Rooyens heeft onder een snel jolletje14 gegarneerd met de noodige Rijnwijn St Jullien Io vivats en al wat verder tot een ordentlijke Professorsjol behoort de oude Cursus uitgeluid. Van zijne Theologanten gaat niemand naar Leiden dan van Vloten.15 In de vacantie ben ik met Cees Boon aan het werk over het principium religionis.16 Die jongen wordt te Groningen een excellent Theologant.
Thans tot het beantwoorden uwer vragen
| 1o. | Van het Roomsche jubilé weet ik niets17 |
| 2o. | Dat Z.M. van Frankrijk zich een blaauwe neus gestoten heeft aan de Algerijnsche expeditie weet ik niet en geloof ik niet. De tijden zijn sedert gij mij dat schreeft ten dien opzigte vrij wat veranderd.18 Maar als hij zijn neus niet gestoten heeft geloof ik toch dat Zijne Ministers in zijne naam vrij wat vuisten in het aangezicht en derhalve zoo gij wilt blaauwe oogen krijgen van die Arrondissementsvergaderingen tot het benoemen van de Leden der Kamers19 |
| 3o. | Z.M. van Engeland is dood. en zijn broeder Willem IV is zoo als gij weet hem op den troon gevolgd.20 |
| 4o. | Don Miguel regeert nog.21 |
| 5o. | Coquerel gaat naar Parijs.22 Van alle kanten krijgt hij er van langs. De beruchte Wibmer23 heeft onlangs in het licht gegeven bij onzen ouden Schoolmeester Martin24: Adieux et Regrets à Mr. Coquerel par un Theologien-Poète de sa Communion, in welk vers hij op een allergemeenste manier doorgestreken wordt. Deze brochure is gevolgd door een tegenschrift in Proza: Veritables Adieux et Regrets à Mr. C. par un veritable Membre de sa Communion. En reeds is een derde Brochure geannonceerd Le Chaos débrouillé ou Examen respectueux des raisons qui peuvent avoir persuadé Mr. Coquerel à quitter notre ville. Gij ziet hieruit dat het voor dien man tijd is om heen te gaan. Hij zal dan ook nog slechts door twee preeken de Amsterdamsche gemeente stichten. Zijne voorname drangreden was dat hij zijne kinderen beter te Parijs als hier eene geleerde opvoeding geven kon!!! Men zou waar- |
| achtig haast denken dat hij bang was dat dezelve hem boven het hoofd zouden groeijen indien zij hier te lande wat soliditeit hadden opgedaan en dat hij daarom ze liever met een luchtig Fransch waterverfje wil laten opschilderen. Zoo op het oogenblik verneem ik dat in zijne plaats Ds Mounier25 van Breda beroepen is. | |
| 6o. | Ds Broes26 heeft zoo als ge weten zult druk zijn werk voortgezet en Deel III is reeds gearriveerd. Hebt gij het gelezen? het is brillant vol nieuwe opmerkingen en fijne zetten. Hij heeft gedacht Gedaan werk goed rusten en is daarom naar Velp gegaan waar Rooyens hem 14 dagen komt helpen volhouden. |
| 7o. | Waarom of de Turken zich neutraal houden weet ik niet: maar zet eens een vuist als je geen hand hebt. De arme stakkerts zouden tegen de Franschen gaan vechten terwijl zij de Russen nog in hun land hebben!!!27 |
| 8o. | Met den Kanselridder te A of te E bedoelt gij immers ter Haar? Welnu die is te Emmenes en bevalt uitstekend. Ik weet van verscheiden lieden die hem gehoord hebben en alle stemmen zeer in in den lof zijner preeken zoo wat stijl als zaken betreft. Hij trouwt met Augustus.28 |
| 9o. | De aanbesteding der waterputten is mislukt maar het plan echter niet opgegeven.29 Daaruit dat het mislukt is maak ik op dat er geen goud te vinden is: want als dat te verdonkeremanen viel zouden er wel meer liefhebbers voor de aanbesteding geweest zijn. En daarom heb ik mijne petitie memorie of wat je me in uw brief hebt willen aanraden provisioneel maar ingehouden tot gij zelf eens in stad komt. Intusschen verzoek ik je dat je niet met onze vaderlijke regeering spot. |
Nu heb ik u zoo ten naasten bij alle uwe vragen beantwoord. Maar zeg mij nu nog eens wat zit er in de Bodegraafsche lucht dat gij zoo gek waart van uw brief
verbrand te willen zien of was het misschien eene navolging quae misluxit30 van Vergilius die zijn Aeneis wou laten verbranden. Hoe het zij, Jan, zijt gij zoo mal ik ben des te wijzer. Ik [heb] hem eerlijk in dat groene lessenaartje op mijn kamer, wel bekend, gemoffeld, en daar blijft hij. Vooral daar ik overtuigd ben dat wij veel te goede burgers zijn (of worden zullen?) dan dat zij onze correspondentie zoo als die van de Potter31 en Tielemans32 zullen ophalen en in druk uitgeven. Ik laat derhalve ook aan uwe beleefdheid om van mijn brief te maken wat gij wilt. Vale!
T.T.
v.d. Brink
Errata si quae forte insunt benevolus corrigat Lector.33