terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Amsterdam, 18 september 1830.

Grote stukken van deze brief zijn door Potgieter in zijn Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink (Werken V, 1885) geciteerd op p. 163-166, 168-169, 228, soms met sterke wijzigingen.

Amsterdam Zaturdag 18 Sept. 1830

Amicissime!

Indien het eene zaak was beklag waardig zoudt gij u voorzeker beklaagd hebben nog geen brief van mij ontvangen te hebben, maar het is of met deze onrustige dagen de tijd nog gaauwer omvliegt dan anders. Men leest couranten, loopt nieuwtjes op, treedt in uitvoerige discussien over hetgeen de Koning of de Kamers moeten doen, vertelt wat men in hun plaats zou doen, zoekt gelegenheid om te disputeeren met anderen met wier opinies men zeker weet het nooit eens te zullen worden, leest nu en dan de geschiedenis der belgische opstand van 178734 of faute de mieux de Grondwet en - Sic teritur tempus of sic tero tempus.35 Want of UEd te Bodegrave wel in zulke politique beslommeringen zult verdiept zijn betwijfel ik. Immers om regt te politiseeren moet men in eene Stad

[p. 57]

zijn als Amsterdam met koffijhuizen, Couriers, Gazettes, Staatscouranten en Studenten Utriusque Juris. De Bodegraafsche Kroegen zullen zeker reeds lang geresolveerd hebben met eenparige stemmen dat Brussel platgeschoten en de noodige quantiteit Brabanders opgehangen moet worden en gij en anderen Bodegraafsche notabelen bezoekt denkelijk die kroegen niet om de discussien te leiden. Intusschen als er wat te kloppen valt zijn die Bodegraafsche bravo's uitmuntend en verre te verkiezen boven die Amsterdamsche fainéants in wien echter tegenwoordig een zoo martiale geest gevaren is, dat de boeken bij de Studenten voor het geweer, en de pennen op de kantooren nu en dan voor patroontassen verwisseld worden, dat wil minder dichterlijk zeggen dat van Amsterdams 200,000 inwoners 220 jongelingen een adres waarin zij hunne diensten aan Z.M. presenteeren getekend hebben en anderen waaronder uw vriend, bij oude Serjeants geweer op schouder speelen. Bromt dat niet?

Ik ben zoo als gij ziet vrij luchtig onder al den druk, versta mij echter niet verkeerd. Ik ben maar een antipathist van het Wee en Ach roepen, of het overdreven alarm kraaijen. Zeg mij toch: waar dient al dat lamenteeren toe? Om de Brabanders in het hoofd te brengen dat wij door hunnen opstand evenzeer in het naauw gebragt zijn als of een Fransch leger onze Barrières aanviel? Of om den Koning aantezetten tot krachtdadige maatregelen zoo als men het noemt, om hem te dwingen het voorbeeld te geven van een geweld dat misschien ons of onze kinderen (à venir), wanneer zij eens om rechtmatige grieven zich te weer stelden zou berouwen, om het Gouvernement in Braband bloed te laten vergieten dat over ons en onze kinderen zou kunnen komen? De opstand is wel hevig en boos genoeg, voor ons die nog weinig gezien hebben en altans niets dergelijks in ons vaderland, maar even als het bij individueele beledigingen tot matiging onzer driften goed is te denken: hoe gering zal mij dit of dat over een jaar voorkomen, denk ik ook bij politieke rampen hoe gering zal mij deze beweging welligt over vijftig jaar voorkomen in vergelijking met de langzame uitteering onzes handels, met de meerderheid der Engelschen in zeemagt, der Duitschers in wetenschappen boven ons, in vergelijking vooral met de veel heviger zedelijke opstand van Fransche ligtzinnigheid tegen Hollandsche nationaliteit, die wij in onze leeftijd in ons vaderland zien. Ik wil daarom niet dat men Gods water over Gods akker zal laten loopen, en met de handen in het haar gaan zitten, maar alleen geen alarmklok geluid of een geestdrift opgewakkerd hebben die toch zoo weinig beduiden zou wanneer ons Gouvernement geen andere middelen tot bedwang der oproerlingen bezat. In Amsterdam toch regent het verzen het een nog slechter als het andere, regent het aanspraken, en zelfs met de Amsterdamsche courant wordt het nu en dan paullo majora canamus.36 Ik bid u, is dat alles wel regt Hollandsch en nationaal? Mij dunkt het Hollandsch karakter toont zijn ontevredenheid over de gebeurtenissen niet door zulk geschreeuw maar zoekt voor dat men schreeuwt hoe men doen moet om de omstandigheden meester te worden.

[p. 58]

Ik herinner mij van deze week met Huet37 die uit Leiden was komen overwaaijen gedisputeerd te hebben over het gevoelen, dat men de kermis zou uitstellen. Huet ijverde zeer tegen deze opinie. Ik stond dezelve nog al voor. Zie daar dunkt mij b.v. de wijze om bij Hollanders indruk te maken en het middel om de ware geestdrift zoo als zich die in Hollandsche zeden vertoont op te wekken. De Franschman lagcht en jolt38 over zijne eigen rampen en die van zijn vaderland heen. Is bij ons een onheil gebeurd wij zwijgen, toonen de teekenen van druk, overleggen alles, wachten welligt tot dat het te laat is, maar zeker zoolang tot dat wij billijke verwachting op den uitslag onzer pogingen mogen koesteren. Vosmaer zegt van de geneeskundige praktijk maar misschien zouden wij het in het algemeen kunnen zeggen: het oude nationale spreekwoord was bezint eer gij begint, dat der mode eerst praten en dan probeeren.39

Maar ik zou te lang worden met dat politiseeren daar ik nog een en ander te schrijven heb. Maar schrijf mij ook eens uwe gedachten over de staat van zaken. Ik mag wel zoo eens praten over hetgeen ik tekenen der tijden zou noemen, en per brief ontwikkelt men daar over zijne gedachten wel zoo gemakkelijk en wordt niet zoo warm en daardoor zoo verward als bij mondeling gesprek.

Gisteren middag werden ter beurze weder kwade nooten over den staat van Brussel gekraakt. Ten gevolge der afkondiging van 's Konings aanspraak40 zou het gemeen op de been gekomen zijn en op 's Konings paleis een aanval gedaan hebben. Met zekerheid echter wist men het niet. Doch waarover zou ik ook schrijven?

Al is de geest der Amsterdamsche Studenten tegenwoordig nog zoo Martiaal, en al politiseert of exerceert de meerderheid hunner, zijn er echter andere dingen die ons ook na aan het hart liggen en zoo als het bij de oude Ridders leuze was Dieu et Madame! zou het bij ons worden ten minsten Dieu, La Patrie et Madame. Zoo veel wil ik zeggen, dat bij den ondergeteekenden Madame eene groote plaats in hoofd en hart blijft beslaan. Ja, Jantje, de patient heeft in de laatste weken schrikkelijk gelaboreerd. Hij had bijna begonnen te vrezen dat een zeker dierbaar voorwerp uit Amsterdam geemigreerd, letterlijk geemigreerd was want sedert July had hij het genoegen niet gehad oog en hart aan het allerliefste Madonnakopje te vergasten. Begrijp dus zoo gij kunt zijne situatie toen hij verleden zondag avond bij Do Huet41 die verschrikkelijk ontoepasselijk preekte over II Cor. 4. vs 18 (Zie dien tekst eens na om te bevroeden hoe weinig indruk die preek op

[p. 59]

mij maken kon).42 Begrijp, zeg ik, mijne situatie (ik zweet om die duivelsche lange zin aan een einde te krijgen) toen ik in het ruim zekere jonge Dame zoo aanminnig als van te voren zitten zag.

Jesaia zie ik tegenwoordig niet veel, hij is met de vacantie nog al uit de stad, maar aanstonds ben ik des maandags naar hem toegegaan, en eerlang denk ik een hevige aanval op hem, dat is om bij mijn beeld te blijven, een hevigen aanval op de voorposten te doen. Audentes adjuvat ipsa Venus.43

Wat er voorts hier al met de kermis te zien is, zal u weinig interresseeren. Van Aken, Baptiste Blondin, het levend Geraamte en voorts meestal het oude, ik zelf heb er nog niets van gezien en de opdrift voor de kermis is alles behalven groot. De Tentoonstelling doet verre onder voor die van 1828 en van onderscheiden voorname schilders zoo als bij voorbeeld Navez, Maes, Brondgeest, Schotel, Kruseman vindt men er niets. Er zijn fraaije tableaux de genre onder andere van Brakeleer en fraaije landschappen van Koekkoek en Van Os, maar zie daar ook het mooiste.44 De levende natuur die men in de zalen ziet is wel zoo schoon en lokt mij nu en dan meer naar de Tentoonstelling dan de schilderijen. Het is er: Spectatum veniunt, veniunt spectentur ut ipsae.45

A propos. Ik hoor dat de Brusselaars bezig zijn de stad te omgraven. Zij zullen denkelijk dan die graften vol laten loopen: kunt gij dan met uwe watermachine dien toeleg niet verijdelen?

Nog iets. Gij hadt bij mij zijnde Boon gevraagd of hij uw Gesenius46 wilde koopen. Hij had niet geweten of het u ernst geweest was. Maar zoo ja wilde hij wel over den koop met u in onderhandeling treden. Hij heeft mij daarom verzocht er u over te schrijven en hem uw antwoord te melden. Denk er eens over en schrijf spoedig aan uwen vriend

 

Van den Brink

34In 1787 begonnen de ongeregeldheden in België tegen het Oostenrijkse gezag. Van een opstand kan men eerst in 1789 spreken.
35Sic teritur tempus = Zo wordt de tijd gesleten. Sic tero tempus = Zo slijt ik de tijd.
36Paullo majora canamus. Virg. Bucol. 4. 1.- Laat ons nu wat grotere zaken bezingen, laat ons nu tot ernstiger zaken overgaan.
37Théodore Guillaume Huet (gestorven 12 sept. 1831), zoon uit het tweede huwelijk van Pierre D. Huet (1761-1810), Waals predikant, laatstelijk in Amsterdam.
38jolt is wel = joolt; maakt gekheid, plezier.
39Vosmaer is wel Jacob Vosmaer (1783-1824), die eerst te Harderwijk en van 1818 af te Utrecht hoogleraar was in de geneeskunde en de geneesmiddelenleer.
40De troonrede van 13 september.
41Pierre Josué Louis Huet (1799-1846), in 1825 te Amsterdam beroepen, halfbroer van Th. G. Huet.
42II Cor. 4. vs. 18 - dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet zijn eeuwig.
43Audentes adjuvat ipsa Venus - een variant van: audentes Fortuna juvat Virg. Aen. 10. 284. - Het geluk is met de stoutmoedigen.
44De kermis in 1830 was van 6 tot 27 september. Van ouds werd tijdens de kermis een schilderijententoonstelling gehouden. De bibliotheek van het Rijksmuseum bezit een Lijst der Kunstwerken van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling van den jare 1830, waarin de volgende hier genoemde namen voorkomen: F. de Braekeleer (1792-1883), B.C. Koekkoek (1803-1862), J.A. Kruseman (1804-1862), J.C. Schotel (1787-1838) en P.J. Schotel (1808-1865), P.F. van Os (1808-na 1860) en P.G. van Os (1776-1839). De namen van Brondgeest (wel de landschapschilder A. Brondgeest (1786-1849) en van Navez (F.J. Navez, portretschilder 1787-1869) ontbreken inderdaad, terwijl stellig een andere Maes, misschien Joseph Maes, een zeeschilder, bedoeld is dan de door de catalogus genoemde.
45Spectatum veniunt, veniunt spectantur ut ipsae. Ovid. Ars am. 1. 99. - Zij (de vrouwen) komen om te zien, maar ook om zelf gezien te worden.
46F.H.W. Gesenius (1786-1842) een der grondleggers der Hebreeuwse taalwetenschap. Er kan hier sprake zijn van Hebräische Grammatik (1e ed. 1813) of van Hebräisches und Aramäisches Handwörterbuch über das Alte Testament (1e ed. 1810).
prepostterug  begin  verder