terug  begin  verderprepost
[p. 60]

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Amsterdam, 9 februari 1831.

Potgieter heeft voor zijn Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink (Werken V, 1885) p. 221-224, uitvoerig uit deze brief geciteerd.

Amsterdam 9 February 31

Amicissime

Is dat lang stilzwijgen dat er tusschen ons sedert ik u het laatst bij mij gezien heb heeft plaats gehad? Schoot u geen oogenblikje over om mij eenige regels toe te schikken? welnu dan zal ik mij eens aan het schrijven zetten en u daardoor eenige regels trachten te ontlokken. Ik had gehoopt tijdens gij deze brief ontvangt u zelven in persoon te bezoeken, doch zulks mag mij niet gelukken. Welaan, de receptie van mijnen brief zij even hartelijk als die van mijn persoon zou geweest zijn!

Reeds vroeger zou ik u geschreven hebben maar -- duizend maaren zijn er waarom ik zoo spoedig niet aan mijne belofte heb beantwoord. Ten eersten vleide ik mij zoo spoedig als ik mij voorgesteld had mijn Examen te doen en werkte derhalve als een ezel: collegiebezigheden echter stelden mijn voornemen te leur. Ten tweeden had ik niet minder dan zes correspondenten behalven u, Huet, Allebé,47 Drost,48 Boon, Tideman49: waarvan Huet, Allebé en Boon dubbeld op brieven kregen omdat de tijdsomstandigheden die drie te velde geroepen hadden, en zij en hunne brieven dus voor mij dubbeld belangrijk waren. De arme jongens hoorden in hunne vervelende werkeloosheid zich uit hunne stad en van hunne vrienden zoo gaarne eenige hartelijke woorden toeroepen. Ten derden schrijf ik tegenwoordig niet gaarne brieven omdat zij niet anders kunnen dan over dezelfde schijven loopen, dat is over den kommerlijken toestand des geliefden Vaderlands. Gij neemt dus niet kwalijk dat ik ook in dezen brief een grooteren rubriek daaraan wijde; gij stelt in hetzelve evenveel belang als ik.

Het is heden een dag, waarop de geest van Hollandsche nationaliteit mij zoo opwindt dat ik moeijelijk werken kan, en dus tot brieven schrijven mijnen toevlugt neem. Gij bevroedt ligtelijk de reden als gij weet dat ik heden morgen de Staats-Courant gelezen heb. Er is daar een zeer uitvoerig verslag in van den heldendood van Kapt Luitn Van Speyk,50 die liever dan zijn kanonneerboot en

[p. 61]

zich zelven in de handen der muitelingen te stellen, de brand in zijn kruid gestoken heeft en naar het echt-Hollandsche voorbeeld van Reinier Klaaszoon zoo zijn vijanden nog stervend bevochten heeft.51 Wanneer ik in vroeger dagen de beroemde Episode in Helmers Hollandsche natie herlas,52 dan las ik dezelve als een droom uit een lang voorleden tijd, of even als ik eene mythe der Grieksche fabelleer las. Ik bewonderde de dapperheid van den bezongen held, maar wanneer ik zie dat onder onze natie en bij onze tijdgenooten zoo iets gebeurt, met Tollens zou ik zeggen

dan gil ik mijn verrukking uit.

Er zijn in Amsterdam enkele van die kleine koopmanszielen die zoo hard zijn als hun geld, en die alle dingen op hun goudschaal wegen, welke de daad dol, onverantwoordelijk enz. noemen. Maar, beste jongen, wij stooren ons aan hunne redeneering niet, overtuigd dat zij niet in staat zijn te gevoelen welke verhevene gewaarwoordingen de borst van een held verheffen die zich voor zijn vaderland en deszelfs eer opoffert. Een oogenblik van zulk een gevoel heeft meer waarde dan 100 jaren bij een gevulde beurs en onder al het genot des dagelijkschen levens gesleten. Ik voor mij zou dunkt mij, indien ik in 's mans geval geweest ware, gebeden hebben om de moed van tot hetzelfde in staat te zijn. Onze jongelui heeft de daad ontzaggelijk opgewonden. Wagenaar53 en Helmers heb ik uit de boekenkast gehaald om nogmaals het verhaal van Reinier Claassen na te slaan en voor vandaag zijn mij ten minsten de woorden van Helmers niet van de lippen

Rust ongelukkigen, rust zacht in 't hart der baren!

Zulke gevallen inderdaad doen de natie gedurig aan zedelijke kracht winnen; en de nationale kracht die dezelve temidden van de angstige tijden heeft ontwikkeld stelt ons gerust dat wat er van een Franschen oorlog ook worden moge Nederland ten minste zonder slag of stoot niet bezwijken zal. Anders heeft de benoeming van Nemours een ongunstigen indruk en de vrees voor algemeenen oorlog algemeen gemaakt. Heden loopt echter ter beurze het gerucht dat hij of provisioneel of geheel en al voor de Belgische kroon bedankt heeft.54

 

Nu van iets anders: dat de stremming die de door de omstandigheden veranderde rigting onzer gedachten in onze studien gemaakt heeft diminuendo voortduurt gelooft gij geredelijk. Intusschen heb ik gelukkig mijzelve niet te beschuldigen dat ik mij het meest van mijne studien laat aftrekken. En hoe gaarne ik (gij weet het) het vaderland zou dienen, troost het mij aan de anderen kant dat

[p. 62]



illustratie

[p. 63]



illustratie
Het ‘uitvoerig verslag van den heldendood van Jan van Speyk’

[p. 64]

ik, al had ik dienst genomen, toch tot eene hatelijke werkeloosheid zou gedoemd zijn. De brieven die ik van Huet, Boon, Allebé ontvang, zijn zoo vele klagten over het nutteloos stil liggen te Oosterwijk of Tilburg. Allen verlangen zij, hoe groot ook het levensgevaar zij, zich met den vijand eens te meten, maar grommen er over dat hun daaraan de gelegenheid ontbreekt. Zulke brieven van de voorposten te ontvangen, al zijn zij ook in een knorrigen luim geschreven, is echter in deze nare tijden voor mij eene regte recreatie.

Zulk eene recreatie hebt gij, mijn vriend, welligt te Bodegraven niet en daarom wilde ik het niet langer uitstellen u te schrijven, schoon ook mijn brief niet zoo interessant moge zijn als eenig schrijven van de voorposten onzer armée. Al uwe recreatie zal misschien zijn in het lezen der Couranten of in dat der menigvuldige Stemmen, Kreeten, Gedichten enz die ten minsten in Amsterdam uitkomen. Ik twijfel niet of Bodegraven zal uit haar boeren ook eerlang dichters zien optreden: want alle prullen zijn tol- dat is - censuurvrij wanneer zij slechts met hartige vloeken op Belgischen meineed, tijgers etc doorspekt zijn. Maar de minsten dier dichters zullen het voorbeeld van van Speyk volgen. Ik kom nog eens op den man terug, omdat ik ondertusschen een en ander van hem vernomen heb. Het is een Amsterdammer van geboorte, opgevoed in het Burgerweeshuis en vervolgens hier op het kweekschool tot de zeedienst gevormd. Hij moet weinig ouder dan 25 jaar en een zeer geposeerd en rustig man geweest zijn. Een zeeofficier, die insgelijks niet zijn boot vastgezeten had maar weer vlot geraakt is, schrijft zeer naif: ‘dat van Speyk zoo als natuurlijk is, zijn kruid in den brand heeft gestoken’. Men verhaalt dat gezegde officier zijn boot behouden heeft door de Belgen, indien zij naderden met dezelfde receptie te bedreigen. Deze moeten wel 60 man aan dooden en gekwetsten hebben. Het getal der gesneuvelden op de kanonneerboot kan, volgens de laatste berigten, niet boven 20 zijn. Eenige gekwetsten zijn aanstonds door Chassé opgeeischt en naar de Citadel gebragt. Men zegt dat van Speyk, vóór het bedrijven der daad zijne equipage gedeeltelijk in de sloep heeft doen gaan maar dat deze nog niet ver genoeg had kunnen afsteken om behouden te worden. Nog eens

Rust ongelukkigen, rust zacht in 't hart der baren!

En tans ga ik theedrinken bij Wildschut die door ziekte verhinderd is zijne medaille te gaan halen.55 Gij begrijpt dat dit eene visite is die ik niet gaarne verzuim. Vaarwel denk en schrijf spoedig aan

 

uwen vriend

v.d. Brink

47G.A.N. Allebé (1810-1892), medisch student 1827-1829 te Amsterdam, in 1829 ingeschreven te Leiden, later bekend arts te Amsterdam. Hij was in 1827 tot lid van het dispuut I.A.A.A.A. verkozen, waarvan Bakhuizen lid was.
48Aarnout Drost (1810-1834), theologisch student 1828-1829 te Amsterdam, in 1829 in Leiden ingeschreven; wegbereider der vaderlandse romantiek, oprichter met Potgieter, Bakhuizen en Heye van het tijdschrift De Muzen in 1834.
49J. Tideman (1807-1891), theologisch student, later predikant te Rotterdam, van 1856-1872 hoogleraar aan het Remonstrants Seminarium.
50Jan C.J. van Speijk (1802-1831) die op 5 februari 1831 voor Antwerpen zijn kanonneerboot in de lucht deed vliegen. Het verslag staat in de Ned. Staatscourant van 9 februari 1831.
51De Amsterdamse vice-admiraal Reinier Claeszen, die onder admiraal Willem de Zoete, heer van Haultain diende en, alleen gelaten bij Kaap St. Vincent tegenover een Spaanse overmacht, na enige dagen vechten op 7 oktober 1606 de lont in het kruit stak.
52In de derde zang van J.F. Helmers' Hollandsche Natie (Den Haag, 1812), blz. 70-73.
53Jan Wagenaars Vaderlandsche Historie, Dl. IX (Amsterdam, 1753), blz. 221-223.
54Louis Charles Philippe Raphael d'Orléans, duc de Nemours (1814-1896), tweede zoon van Louis Philippe, werd op 3 februari 1831 door het Nationaal Congres te Brussel tot koning der Belgen gekozen, maar de Londense gezantenconferentie sprak haar veto uit en Louis Philippe weigerde uit zijn naam.
55Op de door de Theologische Faculteit van de Leidse Universiteit uitgeschreven prijsvraag een verhandeling te schrijven over de verdiensten van Laurentius Valla had Wildschut een antwoord ingezonden, dat bekroond werd en afgedrukt is in de Annales Academiae Lugduno-Batavae, 1830-1831. Leiden, 1832.
prepostterug  begin  verder