terug  begin  verderprepost
[p. 65]

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Amsterdam, 25 maart 1831.

Voor zijn Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink heeft Potgieter uit deze brief uitvoerig geciteerd op p. 225-227 en p. 265-267.

Amsterdam 25 Maart 1831

Amicissime!

De ontvangst van uw laatste brief was mij zeer aangenaam en schoon ik aan het verzoek in dezelve vervat niet zoo kan voldoen, dat ik bij ons over en wederkaatsen den bal nimmer op den grond laat vallen, bewijzen u echter mijne onderhavige letteren, dat ik mij aan dat verzuim zoo weinig slechts mogelijk is denk schuldig te maken. Maar daar ik aan verscheiden andere jongelui te schrijven heb is het mij niet altoos mogelijk om zoo dikwijls: altans niet om iets te schrijven dat niet zoo oud als de weg van Rome is. Jammer dat ik geen militair ben, wanneer ik u een en ander zou kunnen mededeelen van marschen die ik gedaan, brigands die ik nagejaagd, boeren die ik bestolen, en meisjes, die ik chevaleresk gezoend had. Doch nu in Godsnaam! --- het is al geen goud wat er blinkt! en mijne vrienden die het studenten- met het soldatenpak verwisseld hebben klagen steen en been, in hunne brieven, dat het tegenwoordig militaire leven van die classieke en ridderlijke ontmoetingen en feiten ledig is. Die arme jongens! het liefste dat zij hadden, hunne studie hebben zij aan het vaderland opgeofferd: en het eènige dat hun buiten het gevoel van hun pligt te hebben gedaan, met de ontberingen hunner nieuwe stand verzoenen kan, het romaneske en luisterrijke dat den loopbaan van vrijwillige militairen versiert, ook dit missen zij! Schoon zij verder zijn en meer op hun post schijnen te staan, beklagen zij zich echter dat zij minder zien, hooren, leeren en dus kunnen schrijven dan ik Litt. Hum. Stud. te Amsterdam.

Kunnen schrijven, zeg ik: en onder ons gezegd, vriend, ik ben blijde dat ik die periode daar nedergeschreven heb: en de paarden van mijn denkvermogen, die, van de rede waarom ik u niet reeds vroeger schreef - uitgegaan, op een kleinen omweg geraakt waren, dat ik die hollende rossen zeg ik, behouden weder op stal gebragt heb. Reeds vroeger zou ik u geschreven hebben.... maar ik scheide er uit met mijn voorafspraak uit vreze dat mijn brief een kind met een waterhoofd worden zou: zij moge voor het overige zoo verward zijn als maar kan: denk echter omtrent dezelve niet als Boileau

‘Souvent un beau désordre est un effet de l'art’.56

Vrijdag l.l. was het mij een verrassing dat onze goede Cees Boon, tegenwoordig:

[p. 66]

Flankeur bij de Groninger Studenten onverwachts met verlof in de stad kwam: hij bragt mij terstond eene visite en tans slenter ik zoo wat met hem rond. Mijn werk moet dus voor eenigen tijd blijven liggen. Aangenaam was het mij een dier goede vrijwilligers te zien: ook hem geloof ik was zijn uitstapje regt genoegelijk. Want het weinige dat hij mij terstond verhaalde was eene Jobsiade57 of Ieremiade over het verveelend stilliggen en de nutteloos zware dienst. De Groninger Studenten liggen op een alles behalve gemakkelijken post en in het gezigt der dorpen Baarle Hertog, Chaam en andere broeinesten der brigands. Zij zien dan ook des nachts op hunne wachten meermalen brigands of smokkelaars of spions kuijeren en moeten op dezelve meermalen schieten: doch wegens de duisterheid van den nacht raken zij zelden of nooit. Het dorp Gilze waar zij tans gekwartierd zijn is uiterst armoedig, en de burgemeester had reeds vroeger geschreven dat hij bij zijne gemeente des noods eene kompagnie echter geen gedistingueerde kompagnie zou kunnen plaatsen. En, zonderling genoeg, juist daar legt men de Groninger Studenten.58

Uit de brieven van Huet op te maken hebben de Leidsche Studenten veel gemakkelijker dienst. Goede kwartieren, goed eeten, weinig wachten en exercitien maar des te meer lijden zij aan verveeling. Allen beklagen zich over den teruggang hunner studien, en wenschen of hunne terugkomst of eene gelegenheid (en het laatste wel het meest) om hunne vaderlandsliefde en dapperheid te kunnen signaleeren. Inderdaad schijnt daar eenige kans op te zijn.59 Men spreekt van een nieuw protocol waarbij Belgie met geweld zou bedwongen worden: van het vertrek van Prins Fredrik naar de armée in qualiteit van generalissimus60: van de benoeming van een nieuwen Staf enz. En zeker zoo als het tegenwoordig in Belgie er uit ziet, geloof ik dat de oorlog met vrij wat gevolg zou kunnen gevoerd worden.

Doch ik laat daar de politiek, bij welke mijn gezicht veel te ernstig een plooi aanneemt. Wij hebben de gansche winter somber genoeg doorgezwoegd, de tijdingen omtrent de Fransche ministeries afwachtende en met angstige bezorgdheid de gevolmagtigden van het Londensche Congres in de kaart ziende. En het is of de vrolijke lente ons door haar vroege verschijning uit die benevelde geest-gesteldheid heeft willen trekken en ons met de hoop op een gelukkiger jaar 1831 heeft willen opbeuren. Welaan lieve natuur, Uwe uitnoodiging gevolgd! Breng een heilzamer zomer aan ons dierbaar vaderland en aan onze vrienden, en vereffen door een zacht en kalm gelaat de storm der hartstogten die de borst der menschen verscheuren!

[p. 67]

Hm! Zie daar mijne nieuwejaarspreek, waaruit gij zooveel tot uwe stichting kunt vernemen, dat uw vriend het voornemen heeft om exceptis excipiendis61 weinig meer over politiek en des te meer over zich zelven, zijne studien, litteratuur (belles lettres zou ik gezegd hebben indien mij dat niet te Fransch klonk) en over Amstels meisjes (NB. een pluralis magnitudinis pro singulari)62 te schrijven en dus

1o Van mijne Studien. Zij schokken op denzelfden draf, om met Hooft te spreken.63 Mijn examen heb ik nog niet gedaan, doch daarom ben ik niet werkeloos geweest. Die Theologie! die theologie! Jan! gij weet niet van hoeveel zorgen en hoofdbreken gij u bevrijd hebt. Of uwe tegenwoordige betrekking boven de grillen der mode of tijdgeest verheven is en of waterbouwkunst door vele nieuwe inventien gedurig veranderd en zoo als het heet verbeterd wordt weet ik niet; maar moeijelijk kan deze studie meer van tijdgeest meer van nieuwe hypothesen en ontdekkingen afhangen dan de onze. Het getal der nieuwe boeken en nieuwe ideen die Duitschland ter wereld brengt is legio: en schoon hier te lande gewoonlijk met een trotschen blik op het Duitsch geschrijf, als op iets onrijps wordt nedergezien, bij nader onderzoek moet men echter met schaamte bekennen dat de staat der wetenschap bij ons vrij wat lager is, dan bij onze Germaansche neven. Ook dit vak zal zeker eens in ons land zijne revolutie krijgen na rato niet minder dan die welke de staatkundige wereld beroeren, en het is daarom voor ons Theologanten zaak ons met de staatkunde wat minder, wat meer met ons vak te bemoeijen opdat, wanneer de revolutien komen, wij bij de eerste stille vergeten burgers blijven, bij de andere op onzen post staande ons woordje mêe kunnen spreken.

Dikwijls wanneer ik oudere Theologanten hunnen vasten weg zie gaan en noch ter regter noch ter linker zijde zie afwijken begrijp ik niet hoe het hen mogelijk is bij de stormen die de Theologische wereld bedreigen in hunne apathie te volharden. Misschien dat ouder worden de eenige remedie voor de kwaal is, misschien dat dieper doordringen in onze studie ons geruster en vaster in onze schoenen doet staan en derhalve Voorwaarts! Tijd! Voorwaarts, Studie!

2o De literatuur te Amsterdam. Dat deze tamelijk belangrijk is zult gij ligt begrijpen daar de daad van v. Speyk niet nalaten kon den ganschen Helicon met zijne poeeten en poetasters in rep en roer te brengen. De gehoorzalen te Amsterdam daveren van zijn daad en wanneer de redenaar eene lange redevoering heeft uitgesproken verbleeken de aangezigten der hoorders van vrees dat een of twee dichters na hem zullen optreden en dankbaar voor de verleende spreekbeurt aan HH. Commissarissen, het geacht auditorium, verlof vragen om hetzelve met

[p. 68]

hunne rijmelarij te vermoeijen. Rijmlarij zeg ik, want de ware dichters, die het hart welsprekend had gemaakt hadden in de eerste dagen na het feit reeds hunne gewaarwordingen uitgestort, de krukken die

 
op hun beklad papier
 
Drie woorden voor het minst verand'ren van de vier

treden tans met hunne hersenvruchten op. De dagvogels hebhen uitgezongen en de uilen beginnen nu te vliegen. Wilt gij weten hoe ik aan die boze tirade kom? Maandagavond hoorde ik in het Nut eene vrij fraaije en lange verhandeling van Pr. van der Hoeven over den invloed van de Schouwburg op de volkszeden.64 De verhandeling hoe fraai ook begon mij reeds een weinig te verveelen omdat ik naar L.O.S.65 hunkerde waar Boon en de meeste oude leden zich vereenigen zouden. Eindelijk vertelt v.d.H. dat hij gezegd heeft en ik neem gretig mijn hoed op om weg te gaan. Maar zie, daar vliegt een dichter den catheder op, bezweert de Sprokkelmaand en de Noordenwind zijn adem in te krimpen en de Amsterdamsche ridder en wees niet op strand te werpen, stelt ons van Speyk in den nood voor en laat dezen zich zoo lang bedenken en zoolang in zichzelven praten, dat indien de groote man zulks gedaan had, voorzeker de Belgen in dien tijd wel al het kruid uit de boot hadden kunnen lossen. Na eenige honderde rijmwoorden verspild te hebben, na eenige antithesen zoo als deze

 
onsterfelijk schoon dood

besluit de dichter met ons te doen opmerken dat ieder rukwind voortaan een lofzang op van Speyk zal zingen: denkelijk voor de Midasooren dier Amsterdammers welke op dien avond het dichtstuk toejuichten. Neen! toen Withuys en Loots66 en van Lennep de groote daad van den tweeden Claessens hadden bezongen, moesten de overige gezwegen hebben. Tans wordt door die ellendige rijmpjes de luister der daad in de schaduw gebragt. Het vers van Withuys Hollands vlag getiteld is naar mijn oordeel het schoonste dat van dien aard in het licht verschenen is.67 Het vaderlandsch gevoel en de dichterlijke schildering, de vergelijking van den dag waarop het eerste de Vrije Hollandsche vlag in 1813 werd uitgestoken en van het tijdstip waarop van Speyk de eer dier vlag handhaafde, geven het gezegde vers eene groote waarde: en welk Nederlandsch hart juicht niet de Nederlandsche taal des dichters toe?

 
Wat de weelde ons deed verliezen
 
Is hervonden in 't gevaar.
 
Holland is twee eeuwen jonger
 
Dan het was voor vijftig jaar!
[p. 69]

De Hulde aan van Speyk door den jongen van Lennep voor de Hollandsche Schouwburg vervaardigd is insgelijks een meesterstuk van poezij, dat echter door de uitheemsch Rossiniaansche muzijk bij de opvoering op het tooneel zeer gedenationaliseerd is.68 Maar de verhevenste en meest nationale hulde aan van Speyk vind ik dien vuurtooren, ter zijner gedachtenis op te rigten. Over dit plan weet ik mij niet genoeg te verheugen. De eerbied voor onze grooten zeeheld stort zich uit in eene nuttige inrichting ten behoeve der zeevarenden.

3o Amsterdamsche meisjes. Zeker Amsterdamsch meisje is dezer dagen tot lidmate bevestigd.69 Ik reken de zaak van veel belang. Het godsdienstig gevoel beslaat in de meer werkelooze zieltjes der Sekse een grooter plaats dan bij ons, en ieder belangrijk verschijnsel daartoe betrekkelijk maakt meer indruk op een meisje dan op ons. Jammer dat Papa's preek bij die gelegenheid zoo dor en zoo ijskoud was.70 Quos ego!! Quos ego!!71 - Ik schrijf deze enkele passage, om u te overtuigen dat ik zeer ernstig en derhalve zeer innig verliefd blijf. Maar ach! wat zal er van worden! Beste Jan denk veel en schrijf spoedig een troostbrief aan

 

Uwen

Van den Brink

56Vgl. in Boileau's Art poétique II de regels:
Son style impétueux [de l'ode] souvent marche au hasard
Chez elle un beau désordre esc un effet de l'art.
57Jobsiade (1784) een grotesk-komisch heldengedicht van K.A. Kortum.
58Overigens werden de Groningers juist op 23 maart door de Leidse Jagers afgelost, die spreken van het ‘gastvrij onthaal’ der inwoners.
59De stemming der Londense conferentie was in die tijd niet gunstig tegenover België, dat geweigerd had de z.g. Januari-protocollen te aanvaarden.
60Prins Frederik had het door de gebeurtenissen in de laatste maanden van 1830 ontredderde Nederlandse leger in Noord-Brabant weer gereorganiseerd, maar op 29 juli werd de Prins van Oranje opperbevelhebber.
61Exceptis excipiendis = Met uitzondering van hetgeen uitgezonderd moet worden.
62Pluralis magnitudinis pro singulari = In plaats van het enkelvoud een pluralis, die het belang van de persoon in kwestie aanduiden moet.
63Vgl.: Schokkende de dingen op deezen draf, bij P.C. Hooft, Nederlandsche Historiën, 4e druk. Amsterdam, 1703, p. 577.
64Dit is dus prof. Abr. des Amorie v.d. Hoeven, zie noot 3. Vgl. Potgieters Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink (Werken, V), p. 225-226.
65L.O.S. is het bekende studentendispuut Litteris Orientalibus Sacrum.
66Cornelis Loots (1765-1834), zwager en leerling van Helmers schreef Bij den vrijwilligen heldendood van J.C.J. van Speijk. Amsterdam, 1831.
67C.G. Withuys (1794-1865), een in zijn tijd gevierd poëet, schreef Hollands Vlag. Uitboezeming op het vernemen van den heldendood van Van Speijk. Amsterdam, 1831.
68Jac. van Lennep (1802-1868) schreef Hulde aan de nagedachtenis van J.C.J. van Speijk. Amsterdam, 1831.
69Dit is dus nog steeds Anna Jacoba Wildschut.
70Bedoeld is Ds. Dirk Hendrik Wildschut (1788-1868), sinds 1819 predikant bij de Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam.
71Quos ego! - Virg. Aen. 1. 135 - Ik zal ze!
prepostterug  begin  verder