terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Leiden, 22 oktober 1831.

Op 17 oktober is Bakhuizen naar Leiden vertrokken, wat voor hem een overgang betekent, die hij zeer moeilijk dragen kan. Kort te voren, op 12 september, was Huet gestorven, hetgeen voor Bakhuizen het verlies van een zijner beste vrienden betekende. Het is een slag - het blijkt bij herhaling uit zijn brieven - die hij maar moeilijk te boven komt en die, naast het later heengaan van Drost, hem beroofde van een der weinigen, die in zijn leven wellicht een gunstige invloed op hem hadden kunnen uitoefenen.

Potgieter wijdt in zijn Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink, (Werken V, 1885) vele bladzijden aan de ziekte, het sterven en de begrafenis van Huet (p. 279-300), waaruit blijkt, dat Bakhuizen namens de vrienden aan het graf gesproken heeft. Deze brief wordt geciteerd op p. 292-293, 298-300, 329.

Leiden 22 October 1831

Amicissime!

Sedert 16 September ligt de verpligting op mij om op uwen hartelijken brief te antwoorden. En met moeite is het echter dat ik den pen opvat. Sedert Maandag ben ik te Leiden, en derhalve nog niet regt op mijn gemak. Alles tot zelfs het papier, waarop ik bij gebrek van beter schrijf is te onfideel om een brief aan een goeden vriend te schrijven. En bovendien indien ik alles waarop ik u moet antwoorden, alles wat ik u zou moeten melden naga, schiet mij de les van Horatius in de gedachten

[p. 78]
Sumite materiem vestris, qui scribitis, aequam
Viribus et versate diu, quid ferre recusent,
Quid valeant humeri84

Het eerste dat gij mij schreeft was over den besten Huet. Ik ontving uw brief juist den dag nadat wij hem plegtig hadden begraven, op een tijd waarin Amsterdam door de komst der Vorsten in volle drukte was, maar op een tijd, waarin het zoete morgengekraai der opstanding (zoo als Asmus85 zegt) hetwelk ons over het graf van Huet was opgegaan nog weergalmde in mijn hart, en hetwelk mij, als in slechte harmonie met de woelige juichkreeten der dankbare burgers, dreef om met een der vrienden van mij en Huet de stilte van het land te zoeken. Nimmer vergeet ik den plegtigen Vrijdag. Op het Diemer Kerkhof bestelden wij toen den opregtsten vriend van zijne vrienden ter aarde. In droevige somberheid, meer dan ik ooit bij eenige begravenis zag, stonden wij om de groeve. Maar de weemoedig-godsdienstig-blijde aandoening[en] die ons aller hart vervulden toen Ds l'Ange86 eenige plaatsen uit het testament van den verheerlijkten mededeelde, kan ik u niet beschrijven. Het waren de uitdrukkingen van een kinderlijk melancholisch gevoel, hetwelk met het ootmoedigste besef van schuld en bijna met de woorden van Paulus, de hoop op eene Zalige door Christus verworvene toekomst uitdrukken. Beste Jan! het leven is dikwijls beuzelen: maar het sterven is geen beuzeling. Met het gebed op de lippen om een einde te hebben als dat van mijn vriend verliet ik den godsakker. Die bede blijve de mijne in de woelingen en verzoekingen, waaraan ik op mij zelf staande te Leiden zal blootgesteld zijn.

Met aandoening zie ik de aanstaande week te gemoet. De Leidsche jagers die nog te Amsterdam waren, worden dan te Leiden gewacht en van hen keert misschien de beste en de zeker aan mij het naauwst verbondenste niet terug. Zijn geest echter blijve onder mij en zijne vrienden die tans dubbeld de mijne worden, levendig. - Doch indien ik alles wilde schrijven van de plechtigheid zijner teraarde bestelling, van de aanspraak van L'Ange, van Huets testament, van hetgeen ik aan hem verschuldigd ben, zou de tijd voor den brief, welke zeer kort is, ontbreken. Eerlang hoop ik u mondeling een en ander mede te deelen en de brieven van Huet de aanspraak van l'Ange enz. mede te brengen.

Ja, vriend, eerlang hoop ik u eens op een dag heen en weder te komen bezoeken. Want tans te Leiden smacht mijn hart dubbeld om oude vrienden te bezoeken. Het verlaten van mijn ouderlijk huis, waar ik zoo vele onverdiende zorg en goedheid genoot, het verlaten mijner vrienden, die zoo voordeelig op

[p. 79]



illustratie

[p. 80]



illustratie

[p. 81]



illustratie

[p. 82]



illustratie

[p. 83]

mijne vorming gewerkt hadden, het verlaten van Amsterdam, waar mijne eerzucht misschien te veel gevleid werd, door den invloed die ik op andere studenten bezat geeft mijn hart eene ledigheid, die gij misschien gevoelen kunt. Wel is mijn logies goed, mijn hospes een best man, wel krijg ik trouw bezoek van mijne Amsterdamsche vrienden en kennissen aan de Academie maar toch zal het mij wel zijn u eens te zien en te spreken. Den dag mijner komst wil ik liever niet bepalen, daar ik dan mijne vrijheid behoud, naarmate het met mijn werk en met het weder schikt te gaan of niet te gaan. Ik hoop u dan veel te vertellen en schrijf daarom tans te minder.

Gij hebt mij naar het vers van Van der Hoop gevraagd: ik heb het u niet gezonden, omdat het de port naauwlijks waard is. Doch over dit en hetgeen gij mij verder schreeft, eerlang mondeling. - Want de brief moet naar de post en langer het schrijven uit te stellen wilde en durfde ik niet. Vaarwel

 

tt

Van den Brink

84Citaat uit Horatius, Ars poëtica 38-40: Neem een onderwerp, gij schrijvers, dat overeenkomt met uw kracht. Overweeg langen tijd, wat uw schouders weigeren te dragen en waartoe zij in staat zijn.
85Matthias Asmus Claudius (1740-1815), de uitgever van Der Wandsbecker Bothe.
86J. Teissèdre l'Ange (1771-1853), predikant en schoolopziener te Amsterdam, die zich het lot van zijn neef Huet, toen deze ouderloos geworden was, had aangetrokken.
prepostterug  begin  verder