terug  begin  verderprepost
[p. 88]

Bakhuizen van den Brink aan J. van Geuns
Leiden, 12 november 1831.*

Deze brief, vrijwel in dezelfde tijd geschreven als de hieraan voorafgaande aan J. ter Meulen, klaagt natuurlijk ook wel over de verveling van Leiden, maar maakt het toch duidelijk, dat Bakhuizen zijn heil zoekt in de literatuur, nu de theologische studie hem zo weinig te bieden heeft. Drost heeft getracht zijn geestdrift voor Jean Paul op hem over te brengen. Hij heeft hem gelezen: ‘verslonden mag ik niet zeggen, want schoon mijne maag vrij wat verduwen kan, eenige onverteerbare brokken zijn mij in de keel blijven steken’. (Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink, Werken V, 1885, p. 359-360). Hij heeft literaire gesprekken met Drost en met Heije, welke laatste hij nu eerst beter leert kennen en heeft tweemaal per week een bijeenkomst met de Amsterdammers, die op deze wijze blijkbaar hun isolement in Leiden trachten te doorbreken.

Deze brief wordt geciteerd in Potgieters biografie op p. 330-331 en 360-361.

Leiden 12 November. 183193

Amicissime!

Toen ik u bij mijn vertrek uit Amsterdam kwam vaarwelzeggen: beloofde ik wanneer ik ledigen tijd had u eens te zullen schrijven. En echter tans eerst ontvangt gij een brief. Ledigen tijd echter had ik genoeg, in de eerste weeken zelfs meer dan mij lief was: want op alle manieren trachtte ik den oneindigen dag te Leiden te bekorten. De eenige ware manier, het vlijtig studeeren slechts wilde er bij mij niet in. Niets geloof ik zoo doodelijk voor ons verstand en gevoel, als die verveeling: en dan in die uren van landerigheid, u ijverigen werkman, briefsgewijze een bezoek te komen geven, wilde en konde ik niet.

Levius fit patientia quidquid corrigere est nefas.94 Eenmaal te Leiden zijnde, moet ik mij in mijn lot zoo goed ik kan schikken: Van het ongerijf dat deze stad voor de verstrooijing aanbiedt is partij te trekken voor de studie: en in het verschiet, schoon wel wat chimaerisch, zweven mij dagen voor den geest, waarin ik geheel en al achter mijne boeken zal verschanst zitten. Cool95 heeft daarvan reeds een nobile exemplum gegeven. Mij armen echter gelukt het tot dusverre

[p. 89]

maar half. Drost echter beschouwt reeds de tijd als aanstaande waarop hij zal kunnen zeggen: Richard's himself again.96 Een fraai kompliment, maar wat al te heroiek voor mijn eenvoudigen persoon; ondertusschen accipio omen.96

Het is vooral aan de literatuur te danken, dat ik langzamerhand wat rustiger aan mijne studie ben. Eerst was het Jean Paul97 die mij in mijne lange en slepende uren bezig hield en sedert vijf dagen is het Thomas Moore.98 Ik weet niet of gij dien dichter kent: maar anders is hij voor een bellettrist als gij wel der leezing waardig. Het non plus ultra van elegante poezij, met een toerusting van klassieke geleerdheid, die aan zijne gedachten de grootste soliditeit geeft, en over de eenvoudigste kortste producten zijner fantasie, ik weet niet welken antieken luister verspreidt. In mijne editie van hem heb ik twee gedichten van langer adem Lalla Rookh en the Loves of the angels, wier tooneel in het Oosten is, en waarvan de gang der denkbeelden en de wijsgeerige grondslag aldaar te huis behoort. Voor zoo ver ik dezelve gelezen heb, vind ik ze om derzelver echt Oostersche kleur, verre boven de Orientales van Victor Hugo te verkiezen, waarmede zij ook echter in dit punt alleen overeenkomen. Hij heeft ook Satires geschreven, doch deze heb ik nog niet meer dan doorgezien. Zij schijnen gans op de Engelsche wijs ingericht, vinnig bijtend, tusschen beide Pamphletachtig zoodat de namen van Canning,99 Wellington,100 Eldon101 er met de voorletters in uitgedrukt staan. Het meerendeel van zijne werken zijn minnedichten, echt muzikaal en den Griekschen meer dan den Latijnsch klassieken geest ademende.

Het lezen van dergelijke producten van schoone literatuur, brengt mij in gedurige aanraking met Drost, die nog even zeer als van te voren met die soort van werken dweept. Gisteren nog hebben wij een allervinnigst aesthetisch dispuut gehad, dat u misschien zou geïnteresseerd hebben, omdat ik er met u te Amsterdam nog eens over gesproken had en ik toen de eer had u op mijne zijde te hebben of liever van op uwe zijde te staan. Het was namelijk over de noodzakelijkheid van de zedelijkheid tot de aesthetische schoonheid: welke ik verklaarde niet in te zien en meende dat Romans en Dichtwerken geene leermeesteressen van waarheid en deugd behoefden te zijn om aan hare vereischten te voldoen. Het gesprek

[p. 90]

kwam voort uit de bewuste Hermingard,102 welke hij tegenwoordig omwerkt en beschaaft. Ik voer een weinig tegen hetgeen ik Romanskwezelarij noemde uit, en zoo als gij begrijpen kunt hij vatte vuur. Het gesprek liep af zoo als het begonnen was. Piet Cool speelde voor partijganger, en Drost en ik eindigden met de zaak sub judice te laten.

Maar apropos van dichters en bellettristen. Sedert eenigen tijd heb ik kennis gemaakt met Heije, van wien ik, sedert dat hij Amsterdam verliet slechts half gunstige denkbeelden had. Hoe heeft hij hier mijn ongunstig denkbeeld beschaamd! De verzen die ik van hem gelezen had, heb ik wel fraai gevonden; maar zijne impetus poeticos slechts voor korte en zeldzame episodes in zijn leven gehouden. Tans ontdekte ik eerst welk eene hechte grondslag zijne dichtgeest had: hoe het niet alleen bij hem een schitterende maar ongevormde aanleg was, maar veeleer hoe hij die aanleg naar de begrippen van een gezond aesthetisch gevoel had ontwikkeld en gekuischt. Kortom, hoezeer zijne poezij op zuivere beginselen zoowel wat zijn gevoel als wat zijn verstand en moreel betrof gegrond was. Ik had een gesprek met hem over bijna hetzelfde onderwerp als dat met Drost maar stond verbaasd over de zuiver logische begrippen die hij ontwikkelde. Hij heeft mij een vers medegedeeld op Beeckman:103 De poezij is voortreffelijk, het mechaniek allerzuiverst, misschien alleen de hoofdgedachte wat al te wraakzuchtig. Of zulks met het karakter van Beeckman strookte weet ik niet, in een vers op Huet zou zij ongepast zijn.

Wat Allebé104 geleverd heeft, weet gij. De herinneringen aan zijnen leermeester v.d. Boon Mesch105 raken u dubbeld, omdat gij ook den geprezenen leermeester gehoord en geacht heb[t]. Over de gelijkheid van het beeld kan ik niet beslissen: wat den stijl, den toon, betreft bevalt mij het stukje uitnemend. Sommigen hebben aangemerkt dat de leerling zich hier en daar wat te beslissend over den meester uitliet: mij echter heeft zulks niet gehinderd vooral daar van Zijl106 alleenlijk dat beschrijft waar hij met van der Boon in aanraking kwam en zelf zegt, als leerling zoo al niet over het materieele ten minste over het formeele der leerwijs van zijn Professor het best te kunnen oordeelen: een recht dat niemand hem moet betwisten. De geheele aanleg van het stuk drukt het karakter van den schrijver uit. De schets van v.d. Boon te beginnen van het punt, waarop zijn edelst gevoel het eerst met hem in aanraking kwam, van zijne melancholie over

[p. 91]

den dood zijner moeder is goed gekozen en geheel eigen aan van Zijl, die de punten waarbij het gevoel moet worden opgewekt, wel weet voor den dag te halen. Vervolgens de uitweiding over het geniale van v.d. Boon en eindelijk het dweepen met geleerde humaniteit p. 12. Wie zou daaraan onzen vriend niet herkennen?

Gij weet zeker reeds dat v Beeck Vollenhoven107 verhuisd is en tans bij Allebé woont. Mij verwondert zulks nog al: want beider karakter loopt zeer uit één. Bij Allebé echte humaniteit, groote kunde; bij den ander, weinig humaniteit maar veel Fransch vernis. En dan na eerst met Huet gewoond te hebben tans met v. Beeck te huizen, - mij ten minste zou het verschil te groot zijn. V. Beeck is een goede vent, heeft inderdaad een goed karakter, maar dat hij voorts achter Huet staat zal hij zelf erkennen. Ook Vrolik108 schreef mij ‘Van Zijl zal in hem Huet niet hervinden.’ Doch in wien zou hij dat ook?

Voorts moet ik u melden het bestaan van een soort Amsterdamschen klubs. Van tijd tot tijd kwamen de Amsterdammers 's avonds na tien ure bijéén. Van de week liep het zoo druk dat er alle avonden zulk eene cercle bij den een of ander was. In het begin ging het goed: gisteren avond echter verflaauwde het discours en wij besloten daarom die cercle slechts tweemaal in de week te houden.

Maar stil: Op het oogenblik schuift men mijn raam open en een cloak klimt naar binnen. Het is Nitus Vrolik. Van nacht zal hij bij mij logeeren. - Maar beste Putter laat dit onverwacht bezoek ons niet stooren en laat ons even als Archimedes in de woeling van Syracuse onze mathematische demonstratie afmaken.

Waar had ik het ook over? Over de Amsterdamsche klubs. Welnu daar heerscht de gulde vrijheid. Men kan komen of wegblijven naar verkiezing maar is altoos zeker Dingsdags of Donderdags, een gedeelte zijner Amsterdamsche vrienden vereenigd te vinden. Leden van de klubs zijn Allebé, v. Beeck V., Frans,109 Ott,110 Salie,111 Drost, Heije, Schumer112 en mijn persoon. Wat dunkt u van die vereeniging. Twee Amstelodamo-Leidenses echter missen wij inzonderheid.

De een zijt gij. Houd dit niet voor een bloot compliment, goede Putter. Want primo hebt ge de spooren van uwen goeden wandel hier achtergelaten. Onze Frans werkt als een ezel en schuift noode zijne boeken op zijde, wanneer hij de klubs zal bezoeken. 2o. heeft Heije ons verteld van eene nieuwe hoedanigheid die zich in u ontwikkeld had. Misschien mogt hij het niet vertellen, mogt ik het u niet overbrengen zoo hij het verteld had. Excuseer dan uwen collega om mijnent

[p. 92]

wil: het valt moeijelijk de goede hoedanigheid eens vriends te verbergen. 3o. Zijt gij ons aller vriend. Maar van u hebben wij nog hoop van u eenmaal te Leiden te zullen zien: den ander, dien wij, missen zien wij nimmer weder. Ja beste vriend nog altoos maken de herinneringen aan den onvergetelijken Huet een groot deel onzer gesprekken uit. Met Allebé altans spreek ik veel over hem, en indien Vrolik niet gekomen ware, zoude ik met dezen heden avond in zijne papieren hebben rondgesnuffeld.

Doch het wordt tijd dat ik mijn brief sluite. Adieu! groet mijne Amsterdamsche vrienden, denk en schrijf spoedig aan

 

Uwen vriend

Van den Brink

*Univ. bibl. Amsterdam. Bd 54.

93J. van Geuns (1808-1880), aan wie deze brief gericht is, was een grote vriend van Bakhuizen, medelid van het dispuut I.A.A.A.A. Hij studeerde 1825-1827 medicijnen te Amsterdam, vertrok naar en werd ingeschreven te Leiden in 1827, waar hij zijn studie voortzette en promoveerde in 1833. In 1846 werd hij buitengewoon hoogleraar in de pathologie en gerechtelijke geneeskunde aan het Athenaeum. Hij is ook redacteur van De Gids geweest (1838-1849).
94Citaat uit Horatius, Oden 1. 24: Door geduld wordt lichter te dragen wat te veranderen niet toegestaan is.
95P. Cool (1807-1891) was in 1825-'29 student aan het Doopsgezind seminarie te Amsterdam. In 1831 te Leiden ingeschreven werd hij proponent in 1832 en beroepen te Purmerend. In 1836 werd hij beroepen te Harlingen, waar hij tot 1872 werkzaam bleef.
96Citaat uit Colley Cibber's Richard III: Conscience avaunt, Richard's himself again. -Accipio omen = ik begroet het als een gunstig voorteken.
97Jean Paul Friedrich Richter (1763-1825), bekend als Jean Paul, humoristisch schrijver en voorloper van de Romantiek. Drost propageerde hem bij zijn vrienden.
98Thomas Moore (1779-1852), Iers dichter, als romanticus van het tweede plan in zijn tijd zeer geliefd, vooral met het Oosterse gedicht Lalla Rookh (1817) en The loves of the angels (1823). Zijn satyrische gedichten waren tegen de Tories gericht.
99George Canning, een meer liberale Tory, werd minister van buitenlandse zaken in 1822, en was in zijn sterfjaar (1827) een paar maanden eerste minister.
100De hertog van Wellington behoorde tot de conservatieve Tories en was eerste minister in het laatste Tory-kabinet (1828-'30).
101John Scott, 1st Earl of Eldon, lange tijd Lord Chancellor, was een van de meest conservatieve leden van het Tory-bewind.
102Hermingard van de Eikenterpen, Drosts historische roman, die in 1832 uitkwam.
103De student L.J.W. Beeckman was als Leidse jager op de Tiendaagse Veldtocht bij Beeringen gesneuveld. Het gedicht van Heije komt voor in de Leidsche Studentenalmanak voor 1832, p. 195-197.
104G.A.N. Allebé (zie noot 47) schreef: Herinneringen aan mijnen leermeester H.C. van der Boon Mesch in v. Kampen en de Vries, Hollandsch Magazijn, 1832, 189 vv.
105H.C. van der Boon Mesch (1795-1831) werd in 1823 hoogleraar in de natuurlijke historie en in de theoretische en farmaceutische chemie te Amsterdam.
106Uit het verband moet men wel afleiden dat Allebé en Van Zijl een en dezelfde persoon zijn. In het Leidse Album studiosorum en in de Studentenalmanak komt men de naam Van Zijl niet tegen.
107H. van Beeck Vollenhoven, studeerde medicijnen 1828-'30 te Amsterdam, in 1830 te Leiden ingeschreven.
108Agnites Vrolik studeerde rechten 1826-'29 te Amsterdam, werd te Utrecht ingeschreven in 1829 en nog eens in 1831 (Phil.).
109Frans = F.R. Spengler, juridisch student van 1826-'29 te Amsterdam, in 1831 ingeschreven te en voorgoed vertrokken naar Leiden.
110J.P. Ott, theol. student 1824-'26 te Amsterdam, in 1827 naar Leiden vertrokken, in 1832 Cand. t.d. H. Dienst.
111Salie. Het is niet duidelijk, wie hiermede bedoeld is.
112L.H. Schumer Jr., med. student 1829-'31 te Amsterdam, in 1830 te Leiden ingeschreven.
prepostterug  begin  verder