terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Leiden, 22 januari 1832.

Bakhuizen heeft de Leidse eentonigheid onderbroken door gedurende de kerstvacantie nog weer eens te genieten van de oude studentengeest te Amsterdam en daar bovendien de herdenkingsfeesten van het tweehonderdjarig bestaan van het Athenaeum mee te maken. In zijn Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink (Werken V, 1885), wijdt Potgieter aan deze feesten veel aandacht met ruime, gebruikmaking van deze brief, die geciteerd wordt op blz. 347 en - zeer uitvoerig - op blz. 355-358.

Leiden 22 Jan. 1832.

Amicissime!

Van waar het komt dat gij eerst na zoo lang tijdverloop weder een brief van mij ontvangt zult gij ligtelijk kunnen bevroeden. Voorzeker schrijft gij zulks niet daaraan toe dat de Leidsche Bakkes zoo warm niet meer voor zijne vrienden is als de Amsterdamsche. Waarlijk, de Leidsche lucht is voor liefde en vriendschap anders beneden nul: want hier is alles verveelend en eentoonig en de eene dag zoo volmaakt gelijk aan de andere als ware het een horologie dat onze lieve Heer dagelijks opwindt. - Edoch vergeef mij de profaniteit. Ik verontschuldig mij met de dichterlijke spreuk fecit indignatio versum.113 Doch daardoor juist gevoelt gij ligtelijk dat ik een zeker heimwee naar Amsterdam heb en dat ook de Amsterdamsche vrienden mij idealen van een voorleden tijd worden. Ergo dat ik ze meer acht dan anderen. Atqui nu zijt gij nog een Amsterdamsche vriend. Ergo vergeet ik u nooit. Quod erat demonstrandum.-114

[p. 93]

Maar waartoe zooveel woorden om een zaak te zeggen die gij wel weet. Van meer belang is het dat ik u vertel dat ik met de wintervacantie eene maand in Amsterdam heb doorgebragt, en dat dit de hoofdreden was waarom ik u nog niet geschreven heb. Hoe drok ik het daar gehad heb, hoe ik mij daar weder in den stroom mijner geliefde studentenwereld gestort heb kunt gij gemakkelijk denken. De jongelui waren nog de ouden; allerfideelst, allerenthousiastisch, ijverig voor vrije en liberale studie, misschien een weinig los maar geheel anders als de houten studenten-machines van L. En dan de feesten en de herinnering aan een luisterrijk tijdvak van 200 jaren. Ziedaar Jan! hetgeen een Oud Amsterdamsch Student in een opgewonden stemming houden kan.

Toen ik eerst te Amsterdam kwam vond ik de studenten over de schikkingen van het feest meestal ontevreden. En inderdaad liet het zich aanzien alsof zij personae mutae ofte wel figuranten zouden blijven bij de vrolijkheden die de H.H. Curatoren met hunne hooge côterien zouden deelen. Edoch Professoren en studenten zorgden dat zulks niet gebeurde en het feest zelf viel boven verwachting algemeen goed uit. Wat een welsprekend man toch op de harten van echte studenten vermag! Toen van Lennep115 zijne redevoering opgesneden116 had, zouden geloof ik allen wel te vreden naar huis gegaan zijn al hadden de overige dagen niets meer opgeleverd. Van Lennep was op zijn stand te benijden: een beeld van Miltiades om de Themistoclesen die onder zijn gehoor waren uit den slaap te houden.117 Geplaatst toch was hij op hetzelfde terrein waarop voor twee honderd en honderd jaren mannen als Vossius118 en D'Orville119 stonden: en zijn naam zou in de jaarboeken des Athenaeums naast de hunne prijken. Voeg daarbij dat hij bij de viering van het Eeuwfeest het Athenaeum in gelukkiger omstandigheden zag dan zij: dat het gehoor waarvan hij omringd was bestond uit de bloem der natie, uit geleerden als v. Heusde,120 Hamaker,121 en anderen; dat de verwachtingen zijner toehoorders misschien overmatig hoog gespannen waren en dat hij echter onder de luide toejuichingen der vergaderde menigte van het spreekgestoelte afklom. Waarlijk zulk een dag was een Romeinsche triumf waardig. - Wat de inhoud zijner redevoering was hebt gij uit de Couranten

[p. 94]



illustratie
Scène uit Jacob van Lenneps ‘Een Amsterdamsche winteravond in 1632’, opgevoerd bij het 200-jarig bestaan van het Athenaeum Illustre van Amsterdam in 1832

kunnen vernemen: om het heerlijk Latijn en de fijne Oratorie te waardeeren moest gij hem zelf gehoord hebben.

De Comedie-partij des avonds was brillant. De jonge van Lennep had een regt nationaal stukje geleverd dat door zijne herinneringen aan de groote mannen uit het tijdvak van Fredrik Hendrik allen om het zeerst boeide.122 Bea speelde voor Tesselschade en zag er allerbetooverendst uit.123 Over haar was slechts één stem.

Den volgenden Woensdag bragten wij meest onder elkander door. Voor ons was het alstoen geen feest: maar wij maakten er ons een. Op de Societeit was het van den ochtend tot den avond open hof.

Donderdag begon met een oratie van Rooyens in de Nieuwe Kerk. Doch aldaar was de Directie zoo slecht dat slechts weinigen den man konden verstaan.124 Het

[p. 95]

Amsterdamsche vulgus had zich van de beste plaatsen meester gemaakt. Nieuwsgierige flaneurs doorkruisten en doorschoffelden de omloop en eerst na een half uur konden eenige woorden ons oor bereiken. Hetgeen ik verstaan heb was uitmuntend, en sommigen die het geluk gehad hadden nader bij den redenaar te zijn prezen het stuk zeer. Het gedenkschrift van het Eeuwfeest dat eerlang zal uitkomen zal ons hoop ik te lezen geven hetgeen onze ooren vergeefs trachtten op te vangen.125

De Donderdag middag leverde een heerlijk besluit op het feest, gij weet dat toen op drie onderscheiden maaltijden de studenten en gewezen studenten van Amsterdam vereenigd waren.126 Onze partij want ik verhaal alleen

quaeque ipse -- vidi
Et quorum pars magna fui127

was in de Doelen. Ongeveer 130 studenten, die behalve de studentencommissies allen vroeger of nog in Amsterdam studeerden, hadden zich daar om een lekker maar kostbaar diner geschaard. Bourdeaux heeft toen rekening gemaakt. Intusschen de zatten waren zeer weinig; en over het geheel was er een min of meer plegtige stemming, als of de oude paruiken van voor honderd en tweehonderd jaar ons nog op de hand of op den mond keken. Na éen of twee uur 's nachts raakten echter de hekken wat meer van den dam, zonder dat er echter eenige excessen gebeurden. B.V. de studenten liepen over de tafels, dat immers altoos beter is dan dat zij er onder lagen: de toasten werden langer en inconsequenter, zotter. Van tijd tot tijd kwamen er oude Heeren, Advokaten, Professoren, Curatoren bij ons oploopen en toasten ten onzen welzijn instellen. Ten vijf ure scheidden wij vrolijk en wel te vreden van elkander. Wij hadden ons best vermaakt en het speet mij alleen eenige oude beste vrienden en daaronder ook u niet aan den broedermaaltijd te zien --

De politieke geest was in Amsterdam wat verflaauwd. Er heerschte eene groote gerustheid op edel zelfsgevoel gegrondvest. Men dacht wel aan nieuwe omwentelingen in Frankrijk, aan den kans van een geallieerden oorlog, maar hoopte van alles het beste. God geve dat dit jaar tot het heil onzes Vaderlands en van Europa bijdragen moge.

In Amsterdam heb ik mijn werk gemaakt om voor u een Calvijn te koopen, doch er moesten exemplaren ontboden worden zoodat ik niet terstond geslaagd ben, doch eerlang u een zal kunnen toezenden.

Te Leiden ben ik sedert Donderdag. Dien tijd heb ik in vrij drokke werkzaamheid gesleten zoodat ik vrij wel te vreden ben. Heden Zondag echter zet ik mij

[p. 96]

om aan mijne vrienden brieven te schrijven. Neem uw hoed af om dat de eerste aan u gericht is.

Groet uwe ouders en familie. En schrijf spoedig aan of liever kom eens in persoon opzoeken -

 

Uwen Vriend

Van den Brink

113Si natura negat, facit indignatio versum. Juvenalis 1. 79 - Als de aanleg tekort schiet, doet de verontwaardiging toch wel een gedicht maken.
114Bakhuizen geeft zijn betoog hier de vorm van een syllogisme, waarbij atqui (= welnu) de minor inleidt en de conclusie eindigt met: quod erat demonstrandum (= hetgeen te bewijzen viel).
115Dit is prof. D.J. van Lennep. (Zie noot 4).
116Opsnijden = voordragen.
117Vgl. Potgieter aan Drost ± 7 nov. 1833: ‘Zoo ik uit de Grieksche geschiedenis durfde citeeren, zoude ik u herinneren, dat de zegezuil van Miltiades den jongen Themistocles belette te slapen’. Tijdschr. v. Ned. T. en L. 37 (1918), p. 110.
118G.J. Vossius (1577-1649) was met Barlaeus de eerste professor bij de oprichting van het Athenaeum, dat op 8 jan. 1632 met zijn inaugurale oratie werd ingewijd.
119J. Ph. d'Orville (1690-1751) was van 1730-'42 professor in de literaturen aan het Athenaeum.
120Ph. W. van Heusde (1778-1839) was sinds 1803 hoogleraar te Utrecht in de geschiedenis, oudheidkunde, welsprekendheid en het Grieks.
121H.A. Hamaker (1789-1835), was van 1822 af gewoon hoogleraar in de Oosterse talen te Leiden. Hij en van Heusde waren aanwezig als ‘voormalige kweekelingen der Doorluchtige Schole’.
122J. van Lennep, Een Amsterdamsche winteravond in 1632. Geschiedkundig tafereel in twee bedrijven. Afgedr. in Gedenkboek (zie noot 125), p. 93-146. Ook afz. versch., A'dam 1832.
123Maria Francisca Bia, dochter van de acteur Lambert Bia, en getrouwd met de toneelspeler R. Engelman.
124G.J. Rooyens, Godsdienstige rede gehouden bij het Tweede Eeuwfeest der Doorluchtige School van Amsterdam. Gedenkboek p. 185-220.
125Gedenkboek der plechtige viering van het Tweehonderdjarig bestaan der Doorluchtige School te Amsterdam, samengesteld door Mr. J. van Lennep. Amsterdam, 1832.
126De verdeling was aldus: zij die vóór 1821 waren afgestudeerd in de Doelen in de Doelenstraat; zij, die na die tijd hun studie hadden voltooid, in de Munt; degenen, die nog studerende waren, in de Grote Doelen.
127Citaat uit Virgilius, Aen. 2. 6: Hetgeen ik zelf gezien heb en waarin ik een groot aandeel heb gehad.
prepostterug  begin  verder