terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Leiden, 16 februari 1833.

[Poststempel: Leiden, 16 Febr. [1833]] 135

Waarde Vriend!

Reeds lang had ik het stellige voornemen gekoesterd u te schrijven doch door onderscheiden tusschenkomende bezigheden bleef de voorgenomen brief in den pen. In het begin dezer week echter vernam ik uit de Couranten den grievenden slag die uwe familie getroffen heeft en mijn gevoel en de pligt der vriendschap dwingen mij u te schrijven.136

Voor mij, die en ten gevolge onzer naauwe vriendschap meermalen van u vernam, en weleens getuige mogt zijn, van de naauwe banden van tederheid en liefde die de leden uwer familie onderling vereenigden, en van het huisselijk geluk, dat Gij onderling smaken mogt, kan het besef niet vreemd zijn, welk een gemis voor u en de uwen, de dood uwer dierbare moeder zijn moet. Ik die nog het geluk heb, beide mijne ouders te bezitten kan mij ter naauwernood eene voorstelling maken van de wonde die het gemis van een derzelven in mijn hart slaan moet. Doch slechts alleen zou ik het gewigt dier smarte moeten torschen en God geve dat eene zo treffende slag nog verre van mij af zij. Maar mijne hartelijke deelneming in uw lot, dierbare vriend, doet mij gevoelen welk eene dubbeld zware taak de voorzienigheid op uw schouders geladen heeft. De smart dien gij draagt

[p. 99]

is niet alleen de uwe, maar tegelijk die uwer negen broeders en zusters: op u rust de pligt om uwe tranen te matigen ten einde die van uwen geliefden vader te kunnen droogen: en de hemel zij gedankt dat de slag eerst toen gekomen is, toen gij de jaren bereikt had om dezelve met bedaarde onderwerping en wijsheid te dragen.

Hoe effen voor het overige mijn leven moge geweest zijn, heb ik echter sterfgevallen ondervonden die mij diep troffen maar vooral staat mij levendig voor den geest de zachte en weemoedige troost die vooral na den dag der begraving mijn hart trof. De afgestorvene staat dan niet meer onder het somber beeld van een dooden voor onzen geest: maar als in eene andere en betere wereld verplaatst schijnt zij ons hare herinneringen als troostende toe te zenden. Gelukkig dat wij eene Godsdienst belijden die deze verwachtingen niet als ijdele droomen beschaamt, maar die ons onsterfelijkheid en eene eeuwige belooning der deugd belooft en ons den troost schenkt van niet altoos van de onzen gescheiden te blijven. Hare vertroosting, dierbare vriend, blijve u bij.

Zeer verlangend ben ik naar eenige regelen van u. Hoe heeft het mij in deze omstandigheden gespeten dat ik niet zoo als vroeger mondeling met u spreken en u bezoeken kon. In droefheid is het dubbeld aangenaam zijn hart voor zijne vrienden te ontlasten. Doch welligt passeert gij eerlang eens weder mijn tegenwoordig verblijf en wij kunnen dan hoop ik eens op ons gemak spreken. Nieuws omtrent mij weet ik u niets te melden. Aanstaanden Woensdag denk ik voor een paar dagen naar Amsterdam te vertrekken. Die stad heeft altoos voor mij dezelfde aantrekkelijkheid. -

Eerlang schrijf ik u weder. Tans is mij de tijd te kort. Groet uwe geeerde familie en verzeker hun van mijne deelneming. Vale et me cogita

 

v.d. Brink

135De datum, 16 februari 1833, is door Ter Meulen in potlood bijgeschreven, de plaats in potlood met dezelfde moderne hand als in de brief van juni 1832.
136De moeder van Jan ter Meulen, Rachel Antonia Pennis (1784-1833) was op 7 februari 1833 gestorven. Uit haar huwelijk met Hendrik ter Meulen (1779-1849) waren tien kinderen geboren.
prepostterug  begin  verder