terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Amsterdam, 15 augustus 1833.

Potgieters Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink vangt aan en eindigt met een bijeenkomst van Drost, Potgieter, Bakhuizen en Heije op een zomeravond in 1833. Van nu af aan zijn dan ook Bakhuizens brieven niet meer door Potgieter gebruikt, hetgeen een soms merkwaardige onvolledigheid bij de latere biografen, Fruin niet uitgezonderd, ten gevolge heeft gehad. Dit geldt al dadelijk het in deze brief vermelde kandidaatsexamen in de letteren, dat een soort propaedeutisch voor de theologie was en dat op 27 juni 1833 summa cum laude door Bakhuizen was afgelegd. Dit geldt evenzeer het mathesis-examen, dat - al heeft het niet zo bijster veel belang - voor Bakhuizen met zijn geringe wiskundige aanleg toch nog wel een moeilijk te nemen hindernis zal zijn geweest.

15 Augs 1833. [Amsterdam]141

Waarde Vriend!

De uitnoodiging, die ik heden morgen van uwen Vader ontving om ZED een brief aan u mede te geven, herinnerde mij aan mijne schuldige pligt. Gij zult wel denken dat het briefschrijven mij eene moeijelijke taak is. Doch dit is inderdaad het geval geenszins. Maar moeijelijk kom ik tot het besluit om eens geregeld mijne correspondentie voort te zetten. Want meestal zie ik dan op tegen eene menigte vrienden jegens welke ik in schandelijk verzuim gebleven ben. Buitendien trekt studiedrokte mij meermalen af. Naauwelijks toch had ik kort voor het begin onze groote vacantie mijn Candidaats-examen in de letteren en wijsbegeerte gedaan142 of het werk voor het Theologisch Candidaats lag mij te wachten en met eenige gretigheid ben ik op hetzelfde aangevallen omdat ik de termen van

[p. 104]

mijn Academisch leven met blijdschap reeds in het verschiet zie schemeren. Nu, beste Jan, het begint dan ook eindelijk tijd te worden.

Op het oogenblik dat ik deze schrijve zit ik van rondsom in de hoogere Kritiek te wroeten. Gelukkige die de slingeringen dezer studie niet, ten minste niet zoo van nabij kent. Verbeeld u een vak dat jaarlijks met een dertig of vijftig allergeleerdste hypothesen verrijkt wordt. Waarbij niets zoo klein en nietig geacht wordt of het kan allerbelangrijkste resultaten leveren, waarover de verschillen zoo fijn zijn, dat men na veel lezens niet weten kan wie gelijk heeft, en waarbij de memorie geoefend wordt in het woordelijk aanhalen van duizende plaatsen uit heilige en profane, uit kerkelijke en andere schrijvers: en gij zult u kunnen voorstellen hoe uw arme vriend moet zitten blokken. Als mij de gansche kritische strijd maar weinig aanging, dan zou ik nog over alles spoedig kunnen heenloopen: maar juist die geest en gevoel opscherpende wetenschap bevalt mij zoo dat ik er meer omslag over maak dan uiterlijk vereischt wordt. Maar wint de leek vraagt gij bij die Studie zijner Theologen? Eigentlijk gezegd niets: want al bewijzen [zij] b.v. nog zoo zeker dat de tweede brief niet van Petrus143 op [lees: is], toch wordt dezelve der gemeente voorgelezen, bepreekt, en door Theologen aangehaald ten bewijze der Oud-Christelijke denkwijze; Maar waar zou het naar toe indien wij niet onze smaak en zin bij het studeeren wat inwilligden, maar veeleer overal naauwkeurig het cui bono144 berekenden. Inderdaad heel wat van hetgene ons nu par force wordt ingestampt zou dan gerust vergeten of ingekort kunnen worden.

Doch dit en passant. Ik haast mij met mijne studien te meer omdat zoo langzamerhand mijne tijdgenooten gaan verdwijnen. Drost met wien ik te Leiden het allermeest verkeerde wordt over twee maanden Proponent. Boon is het reeds sedert lang maar klaagt mij tans bijna dagelijks zijnen nood dat hij geen plaats krijgen kan. Laatst had hij nog eenige moeite om de Wormer gedaan maar de kaasboer moest in het kaasland: onze oude schoolmakker Ruys is daar geplaatst145: en zoo is het kortom met allen die ik voor om en nevens mij gekend heb. En als ik dan bedenk hoe mij misschien toekomende jaar steek en befje staan zal zou ik in de verzoeking komen kunnen om van mijzelve eene karrikatuur te maken. Doch haec hactenus ik schrijf u een en ander om uwe bluf op uwe allerdrokste bezigheden met eene van mijne zijde te beantwoorden.

Intusschen lieve vriend zoudt gij u bedriegen indien gij hierin de reden meendet opgegeven te zien waarom ik mijne belofte van u in de vacantie te komen zien welligt niet zal kunnen volbrengen. Neen maar gij weet het zwak mijner moeder om uiterst bang voor mij te zijn. De goede vrouw valt zoo als anderen wat bang voor de Cholera die zoo ergens in onze stad ten minste geen dreigend aanzien heeft: zij verkiest daarom dat ik zoo wat in den omtrek blijve en niet verre uit

[p. 105]

logeeren ga. Ik zal dus nogmaals mijne belofte tot mijne terugkomst te Leiden moeten verschuiven maar leef in de hoop u ten minste in Amsterdam nog eens van aangezicht te zien en mondeling te spreken.

Hartelijk wensch ik u geluk met de behaalde eer der medaille.146 Zal deze bekrooning voor het gebruik van het waterwerktuig nog eenige belangrijke gevolgen hebben? Ik vertrouw dat gij wel al uwe krachten zult inspannen ten einde de teekeningen met solide natuurkundige verhandelingen verzeld [te doen] gaan. Geluk op uw werk en goed dat ik er mij niet aan moest zetten. Ik ben nog als van ouds in de Sciences exactes een bitter brekebeen en zie met schrik op tegen het Collegie in de hoogere wiskunst bij de Gelder dat ik toekomenden cursus als Candidaat in de mathesis zal moeten houden.147

Hartelijk verzoek ik mijne groeten aan uwe familie en blijve in reikhalzende verwachting van eenen brief van u

 

uw oude vriend

Van den Brink

141De plaatsnaam in potlood door Ter Meulen bijgeschreven.
142Volgens het faculteitsboek van de literaire faculteit te Leiden: ‘27 juni 1833 candidatus factus, destinatus litteris et theologiae in utroque genere summa cum laude’. Een kandidaatsexamen in de letteren was verplicht als een soort van propaedeutisch theologie, zodat er nog een kandidaatsexamen in de theologie volgen moest. Blijkbaar was dit examen zó ingericht, dat het tevens als een volwaardig kandidaatsexamen in de letteren gold.
143De echtheid van II. Petrus is een omstreden zaak, ook nog in onze tijd.
144Cui bono = wien tot voordeel? Welk belang wordt ermee gediend?
145J. Ruys cand. in 1833 te Wormer; in 1840 naar Rhenen; in 1856 emeritus.
146Zie noot 7. Het betreft hier een medaille van de Maatschappij van Nijverheid. Vgl. ook de brief van J. ter Meulen aan Potgieter van 2 april 1870.
147J. de Gelder (1765-1848) was professor in de wiskunde. Ook de studenten in de humaniora moesten een wiskunde-examen afleggen, het z.g. klein-mathesis. Vgl. Beets' Dagboek 13 juni 1834: Felicitatie bij Beynen, die met Bakhuijzen van den Brink in de Mathesis getenteerd is en met hem 't jus docendi heeft verkregen.
prepostterug  begin  verder