terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Leiden, 8 oktober 1833.

Bakhuizen is na zijn examen van 27 juni 1833 druk bezig met de voorbereiding van zijn kandidaatsexamen in de theologie, dat echter heel wat later plaats vinden zal, dan hij zich voorstelt. Het kan nauwelijks van veel invloed geweest zijn, dat hij langzaam aan meer bij het letterkundige leven betrokken wordt. Heije, met wie in de laatste maanden van 1831 de kennismaking was hernieuwd, was hier de gangmaker. Hij had van zijn Leidse vriend, de penningkundige P.O. van der Chijs, hoofdredacteur van het tijdschrift De Vriend des Vaderlands, orgaan van de Maatschappij van weldadigheid, de zorg voor de daarin wel wat wonderlijk aandoende letterkundige rubriek overgenomen. Drost, die bij de familie van der Chijs door Heije was geïntroduceerd en zich daar thuis voelde, werd in 1832 ook bij het tijdschrift betrokken en leverde voor de jaargang 1833 een aantal boekbeoordelingen. Potgieter, eind 1832 uit Zweden teruggekomen, maakte in januari 1833 bij Jeronimo de Vries kennis met Heije en in de loop van dat jaar, wel door Heijes bemiddeling, met Drost. In diezelfde tijd - de zomeravond in 1833! - valt de kennismaking van Bakhuizen met Potgieter.

Potgieter, die ook in vroeger jaren reeds bijdragen voor De Vriend des Vaderlands geleverd had, droeg in 1833 verschillende gedichten en enkele recensies bij. Een recensie van Bilderdijks De Muis- en de Kikvorsch-krijg, Homerus nagezongen (Leiden, 1833) is in die jaargang van Bakhuizens hand (p. 764-771). Omstreeks 15 november 1833 schrijft Potgieter aan Drost: ‘De recensie van de Muis- en Kikvorschenkrijg doet mij boos worden op de luiheid van den Steller. Met zooveel talent niet meer te leveren, was hij geen zoon van het Noorden, het dolce far niente mogt hem verontschuldigen’. (J.M. de Waal. Briefwisseling van Aernout Drost met Potgieter en Heije, Tijdschr. v. Ned Taal- en Letterkunde 37 (1918), p. 112).

[p. 107]

[Poststempel: Leiden 8 Oct. [1833]] 150

Waarde Vriend!

In den vroegen ochtend zit ik op mijne kamer aan u te schrijven. Al bestond er geene andere reden die mij tot schrijven noopte zou ik zulks toch doen om alzoo aan mijne wensch voldaan te zien van eindelijk eenig schrijven van u te ontvangen. Ik vrees dat ik als een beloftenschender bij u te boek zal staan maar eene zee van ongelukken belette mij tot nog toe eens tot u over te komen. Eerst was het de grippe, vervolgens eene dikke wang die mij verhinderde en eindelijk pour comble de malheurs engageeren twee mijner beste vrienden en hun gelukkig lot vereischt dat ik hen een bezoek breng. Die vrienden zijn Jan Commelin en Cees Boon151 de eerste met een Amsterdamsch meisje de zuster van den Advok. Markus, dien gij nog als Student zult gekend hebben,152 de andere met een Haarlemsch meisje Mej. de Bruin. Daar nu de beide paren bij den Hr. Commelin aan het Mannenpad153 buiten waren en zij mij uitnoodigden hun aldaar te komen [bezoeken] begrijpt gij dat [ik] niet anders kon dan met de blijden te komen juichen en mij te komen verheugen in het lot van vrienden met wie ik zoo lang en zoo innig verbonden geweest ben. En tans zit ik met papieren en boeken digt omschanst: mijn candidaatsexamen in de Theologie moet zoo spoedig mogelijk gedaan worden en naauwelijks heb ik den tijd om te gapen of om dezen brief te schrijven.

Voorts zult gij kunnen begrijpen wat uw arme vriend tegenwoordig te lijden heeft. Gedurende de verloopen weeken ontving hij kwijnende sentimenteele, beangstigde brieven kortom de historia morbi154 van de ongelukkige lijders en nu eergisteren zag hij ze voor zich gelukkig tot boven de wolken aan de zijde van lieve en inderdaad mooije meisjes. Waarlijk men moet niet jong zijn om niet uit te roepen

Ach, wenn Ich nur ein Liebchen hätte155

Maar helaas, ik moet vooreerst de gedachte daaraan van mij afstooten en mij verdiepen in de Ingeving der H.S. het hoofdstuk der Dogmatiek aan welks bewerking ik tans zit. Bovenal wil ik u niet met verliefde droomen aan het hoofd malen die zoo ik wel gehoord heb, tans genoeg door een dergelijk tooneel zult

[p. 108]

geplaagd worden. Het is immers waarheid, hetgeen mij in Leiden verteld is dat uwe oudste zuster met van Oorde geengageerd is?156 Indien dat zoo is, wensch ik de beide gelieven hartelijk geluk.

Eene hoofdrede van mijn schrijven is een verzoek dat ik uit Amsterdam bekomen heb. Gij weet misschien de ongelukkige toestand van mijn nichtje Santhagens157 die sedert het ongeluk hare zuster overkomen malende en mijmerende gebleven is. Een paar jaar is zij tot herstel harer gezondheid te Hilversum geweest niet zonder eenig goed gevolg: zij is echter nog niet in zooverre hersteld dat zij tot den maatschappelijken kring geheel kan terugkeeren. Men zag dus om naar eene gelegenheid om haar ergens bij fatsoenlijke lieden te plaatsen ten einde hare herstelling te voltooijen. Daartoe heeft zich aangeboden uw Do. Romijn.158 - Mij is tans opgedragen bij u eens nader naar deze familie te onderzoeken en het resultaat aan de mijnen medetedeelen. Op onze stilzwijgendheid kunt gij rekenen en behoeft dus in het geven uwer informatien niet scrupuleus te zijn.

De klok van het collegie roept mij en ik moet daarom eindigen. Wees zoo goed mij zoo spoedig mogelijk eenig antwoord te doen toekomen. Gij begrijpt dat er haast bij het werk is. Vaarwel groet de uwen en geloof mij steeds

 

Uw ouden vriend

v.d. Brink

150Aantekening van J. ter Meulen in inkt: Ontv.: 10 Oct. 33, in potlood: Leyden.
151Jan Commelin, vgl. noot 140; Cees Boon, vgl. noot 16.
152Het Amsterdams Album Academicum vermeldt: 1823-1828 Marcus (Balthazar Jan Frederik) Jur., 17 j. Ingeschreven te Leiden in 1825 (Phil. et litt.) en 1827 (J.) alwaar gepromoveerd op 18 Jan. 1830.
153Het enige buiten, waar de vader Mr. Joh. Commelin aan het Manpad gewoond kan hebben is Manpadshoek, waar nu een nieuw huis staat. Vriendelijke mededeling van Jhr. F.J.E. van Lennep.
154Historia morbi = ziektegeschiedenis.
155‘Ach wenn ich nur ein Liebchen hätte, so grosz wie ich und rosenschön’ is de aanvang van een lied van de populaire schrijver Karl Müchler (1763-1857) uit Der Kleine Fritz, An seine jungen Freunde, dat in 1786 wel in de Gedichte is uitgegeven. Het is ook als Fliegendes Blatt uitgegeven en op muziek gezet door M.v. Weber. Inlichting van Drs. W. Post
156Hendrika Elisabeth ter Meulen (1806-1861) is getrouwd met Pieter van Oorde (1806-1861).
157Een zuster van Bakhuizens moeder, Elisabeth Ida van Eibergen, was in 1796 getrouwd met Arent Santhagens.
158Ds. G. Romijn was predikant te Bodegraven van 1812 tot zijn sterfjaar 1843.
prepostterug  begin  verder