Toen Bakhuizen op 22 oktober 1834 aan Beets schreef, liet hij doorschemeren, dat hij ondanks zijn gemakkelijke levenswijze zich wel eenzaam voelde en de omgang met de Leidse vrienden miste. Hij is dan ook in november nog voor een korte tijd in Leiden terug geweest. Beets tekent in zijn dagboek op 25 november aan: ‘Bij Beynen 't avondbrood met Bakhuyzen, Pluygers, Spengler en Schneevoogt. Beuzelpraat. De door en door kundige en intéressante Bakhuyzen moet men alleen hebben. Met velen, is hij weinig waard. Hij wil dan aardig zijn en wordt onbeduidend of vuil’. En op de volgende dag luidt het: ‘Afscheid van Bakhuyzen. Hij raadt mij af Drost in den Almanak te gedenken. Uitvoerige herinneringen aan hem zullen aan een volledige uitgaaf van zijn nagelaten arbeid voorafgaan’. Enkele weken na het overlijden van Drost stond dus het besluit van zijn vrienden al vast de Schetsen en Verhalen uit te geven. De werkzaamheden aan deze uitgave en nog enkele maanden na Drosts heengaan aan De Muzen verbonden, hadden een aanzienlijke vertraging van de briefwisseling met Ter Meulen ten gevolge.
Uit de wisseling van briefjes ook tussen Potgieter en Heije blijkt wel, dat zij en Bakhuizen geregelde bijeenkomsten bij elkaar aan huis hadden en ieders bijdragen voorlazen en aan het oordeel van de anderen onderwierpen. Zo schrijft Heije op 19 november 1834 aan Potgieter: ‘Lieve vriend! Van den Brink heeft onze afspraak goedgekeurd; heden avond om 7 ure zullen wij Dr. komen; welligt kom ik U afhalen; wacht echter niet langer dan 6½ op mij. Wees zoo goed de inleiding en de derde pligt van Silv. Pell. bij U te steken dan kan ik ze heden avond nog ter drukkerij zenden. Hierbij een paar versjes mij door Beets toegezonden; deel er mij, bid ik, uw oordeel over mede’. - (U.B., A'dam Al 62 f). Het betreft hier dus een redactiebijeenkomst van De Muzen, waarin op p. 312-325 een bespreking van Silvio Pellico's Dei Doveri degli Uomini met vertalingen van Potgieters hand is opgenomen.

F.J. Domela Nieuwenhuis (1808-1869)
consequentie getrokken hebben dan dat ik nederig genoeg ben
mijzelve met dien boozen man te vergelijken, die aan zijne regtmatige
verpligtingen niet voldoet. Ondertusschen heb ik minder uit lust, dan uit
zwakheid gezondigd.
Nunc omitte quaeso hunc. Ceterum
in posterum, si quicquam, nil precor.184
Maar van waar te beginnen om u een en ander te schrijven. De hoop om u voor het einde des jaars 1834 nog eens te zien is vervlogen. En toch zou ik u dan veel medetedeelen gehad hebben. Veel toch was er dat mij trof en aan moest doen. Mijn vriend Drost, dien gij kendet en van wien gij weet hoe hoog ik hem achtte ontviel mij. Met Jan Commelin bragt ik allertreurigste dagen door. Zelf hevig ziek verloor hij gedurende zijne ziekte zijn meisje. Alles was tot zijn in het begin dezes jaars aanstaand huwelijk in gereedheid gebragt; maar de ziekte, die hier ter stede zooveel slagtoffers maakte vernielde ook zijne levendigste hoop. Binnen weinige dagen bezweek zij voor het geweld der ziekte op het onverwachts zonder dat mijn vriend bij haar sterven of begraving kon tegenwoordig zijn. Alle deze gebeurtenissen ontstemden bij mij de lust zoowel tot gezet werken als tot getrouw brieven schrijven.
Ook in het nieuwejaar heb ik tot nog toe niet veel uitgevoerd. De eerste veertien dagen bragt ik in Noord Holland door: bij mijnen vriend Nieuwenhuis
te Monnickendam.185 Hoe ik mij daar vermaakte zult gij wel kunnen gissen. De zuster zijner vrouw is een Engel. Moge het nieuwe jaar iets goeds voor mij opleveren! - Maar hola! in een brief aan een vriend eerst zich zelven geluk te wenschen is wel het nec plus ultra van egoisme. En daarom beste vriend, wensch ik u al is het wat laat, ja veel te laat met het nieuwe jaar veel geluk: waaronder ik b.v. versta het behoud en de gezondheid uwer dierbare betrekkingen, drokke maar tegelijk aangename en welgeslaagde werkzaamheid, een meisje dat u wederkeerig lief heeft, voortgang en toeneming van uw poetisch vernuft waar van ik gisteren eene proeve ontving enz. enz. eindelijk vergeef mij weder deze proeve van eigenbaat dat gij twee dissertatien present ontvangt van uwen vriend van den Brink ten bewijze dat hij gepromoveerd is.186
Voor het vaderland opent zich dit jaar tot dusverre niet gelukkig. De ziekte van den kroonprins baart hier eene algemeene verslagenheid. Bij al de kansen die wij gedurende de laatste vier jaren berekenden werd er zelden aan gedacht wat het zijn zou indien de kroonprins ons ontviel. Hoe men ook over zijn persoonlijk karakter denken moge hij is voorzeker geen onbeduidend persoon. -
De klok slaat elf ure. Ik heb een treurige taak te vervullen. Het sorteeren namelijk van de boeken mijns vriends Drost. Anders zou ik nog langer schrijven. Misschien voeg [ik] echter bij mijne te huis komst hier nog eenige regels bij.
Nieuws weet ik nog niets te vertellen dan dat het weder zoo slecht is dat mij eene kilkoude huivering bekruipt bij de gedachte dat ik dezen brief nog bij den Hr. Kotting bezorgen moet. Ik had gehoopt nog eens den 8 February Leiden te bezoeken: de termijn is nog wel lang maar indien het zoo voortwintert zeg ik het plan vaarwel. - Van Boon hoor ik bijna niets: hoe hem de Kockenger gemeente op den duur bevalt weet ik niet: toen ik voor eenigen tijd hem sprak was zulks niet zeer bijzonder en zijne auctoriteit had bij de overgeloovige hoop schipbreuk op de auctoriteit van vader Hellenbroek en deszelfs boekje geleden.187 Aanstaanden week komt hij in stad en dan verneem ik zeker iets naders van hem en zijne vrouw.
Schrijf mij spoedig eens weder en vertrouw wederkeerig op mijne onveranderlijke bekeering. Groet de uwen en geloof mij steeds
T.T.
Van den Brink