In de eerste tijd gaan de briefjes bijna uitsluitend over de uitgave van Drosts Schetsen en Verhalen, waar men druk mee bezig is. Op 10 maart 1835 schrijft Heije aan Potgieter: ‘'k Weet niet, mijn Waardste of gij het ellendige werk over de menschelijke ellende, van den goeden Salzmann, kent? Niet dat ik er U over zou willen beklagen, Dieu m'en garde! ik zou U alleen willen voorstellen er nog een hoofdstuk bij te schrijven over de ellende van een critisch en critiseerend wezen te zijn. Ach! hoeveel had ik in de bladen die hier bij gaan willen doorschrappen en veranderen en welk een zware strijd heeft er tusschen mijne critische inzigten en mijne piëteit voor den nagelaten arbeid onzes vriends plaats gehad’. (U.B. A'dam Al 62 h)
Amice!
Ik had mij met de hoop gevleid u en Heye heden avond bij mij te zien! ik moet mij zelven ten dezen opzigte te leur stellen. Morgen ochtend vroeg denk ik voor

Zie p. 123
Brief van Heije aan Potgieter
eenige dagen uit de stad te gaan en heb daardoor heden avond nog een en ander te doen dat anders had kunnen uitgesteld blijven. Wat de schets betreft ik had een en ander in gereedheid, maar ik durf het niet aan het gevaar van naauwkeurig gelezen te worden blootstellen en beloof u dus liever om het toekomende week wanneer ik weder in stad ben u voor te lezen.195 Ik hoop dat deze afzegging van heden avond in uwe gemaakte plannen geene verwarring zal brengen. Verschoon echter deswegens
uwen vriend
Van den Brink