terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan E.J. Potgieter
Amsterdam ± half februari 1835*

In de eerste tijd gaan de briefjes bijna uitsluitend over de uitgave van Drosts Schetsen en Verhalen, waar men druk mee bezig is. Op 10 maart 1835 schrijft Heije aan Potgieter: ‘'k Weet niet, mijn Waardste of gij het ellendige werk over de menschelijke ellende, van den goeden Salzmann, kent? Niet dat ik er U over zou willen beklagen, Dieu m'en garde! ik zou U alleen willen voorstellen er nog een hoofdstuk bij te schrijven over de ellende van een critisch en critiseerend wezen te zijn. Ach! hoeveel had ik in de bladen die hier bij gaan willen doorschrappen en veranderen en welk een zware strijd heeft er tusschen mijne critische inzigten en mijne piëteit voor den nagelaten arbeid onzes vriends plaats gehad’. (U.B. A'dam Al 62 h)

[Amsterdam, ± half februari 1835]194

Amice!

Ik had mij met de hoop gevleid u en Heye heden avond bij mij te zien! ik moet mij zelven ten dezen opzigte te leur stellen. Morgen ochtend vroeg denk ik voor

[p. 124]



illustratie
Zie p. 123
Brief van Heije aan Potgieter


[p. 125]

eenige dagen uit de stad te gaan en heb daardoor heden avond nog een en ander te doen dat anders had kunnen uitgesteld blijven. Wat de schets betreft ik had een en ander in gereedheid, maar ik durf het niet aan het gevaar van naauwkeurig gelezen te worden blootstellen en beloof u dus liever om het toekomende week wanneer ik weder in stad ben u voor te lezen.195 Ik hoop dat deze afzegging van heden avond in uwe gemaakte plannen geene verwarring zal brengen. Verschoon echter deswegens

 

uwen vriend

Van den Brink

*Collectie Potgieter. Univ. bibl. Amsterdam. Al 11b.

194Dit briefje kan in verband met de mededeling over ‘de schets’ waarschijnlijk geplaatst worden achter het voorgaande, door Potgieter op 6 februari gedateerd.
195Hetgeen in de schets door ‘een zijner vrienden’ is geschreven (p. IX-XI) is zeker wel van Bakhuizens hand. In hetgeen op p. XIV-XV over de zedelijke strekking der kunst wordt gezegd heeft Bakhuizen echter ook zeer waarschijnlijk de hand gehad. (Vgl. zijn brief van 12 nov. 1831 aan Van Geuns en die van 6 febr. 1835 aan Potgieter). Verder kunnen de herinneringen aan de wandelingen rond Leiden moeilijk anders dan van Bakhuizen zijn. (p. XVI).
prepostterug  begin  verder