In de eerste dagen van maart schreef Heije aan Beets: ‘'k Heb vruchteloos alle voorschriften der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, tot Redding van Drenkelingen en Schijndooden bestudeerd, en op onze arme, in het waterig Holland verdronkene Muzen toegepast. Ze zijn en blijven dood, mijn waardste! Het eenige dat mij overblijft is, dat ik ze door eene generatio equivoca zal pogen op te wekken en te doen herleven. Misschien zal er met 1o Juli, of anders zoo ik hoop stellig met 1o Januari 1836 een nieuw maand- of tweemaandschschrift ten huize van den boekhandelaar Beyerinck geboren worden’. (N. Beets, Everhardus Johannes Potgieter. Persoonlijke herinneringen. Haarlem, 1892. p. 49)
En op 8 april 1835 schreef dezelfde Heije aan Potgieter: ‘Onze arme Muzen, blijven dood! ...... Na onderscheidene mondgesprekken met Westerman, komt het mij voor, dat hij gelijk heeft, wanneer hij het eene onbillijkheid acht, hem bijna ƒ200 schade te doen lijden en het bij hem begonnene, gesteund door de opgedane ondervinding en de verkregene reputatie bij een ander voort te zetten. - Indien wij dus met Nieuwjaar ons plan bij Beyerinck volvoeren, moet dit als iets geheel nieuws, als iets geheel op zich zelf staand ingerigt worden’. (U.B. A'dam Al 62 j, ook geciteerd bij J.H. Groenewegen, Everhardus Johannes Potgieter. Haarlem, 1894, p. 102, n. 1.)
In diezelfde brief heet het nog over Bakhuizen: ‘'t Schijnt mij toe dat v.d. Brink niet spijtig is over het uitstel dat wij hem moeten gunnen. 'k Heb in al dien tijd niets van hem vernomen.-’
Amicissime!
Met bevende schaamte leg ik dit briefje en mijne nederige naamtekening onder uwe oogen. Ik heb schuld: bedenk dat deze erkentenis de eerste stap tot verbetering is.199 Als Hercules zijne knods vergat en aan de zijde van Omphale breijen leerde, kunt gij een zwak schaap als mij vergeven dat -- doch ik weet: gij vergeeft mij. Anders laat ik aan nevensgaand boekje dat mij gisteren van Beets gezonden werd de taak over uwe gramschap te bezweeren.200 Het is zoo als gij uit de letterbode van gisteren vernomen zult hebben reeds in handen van Prof.
Geel gevallen en vrij scherp behandeld.201 De stansen 58-73 bevallen mij wel het beste. Intusschen vertrouw ik mijn oordeel te minder nadat ik gezien had dat [dat] van Prof. Geel over Jose met het uwe zoo volmaakt zamenstemde!202 Vergeef deze allerongelukkigste trek uit de zuurdeesem der studiewereld. En al had Prof. Geel het niet gezegd zou ik gaarne mijn oordeel onder het uwe schikken. - Onze vergaderingen kunnen dunkt mij aanstaanden Woensdag voortgaan. Reken op mij voorzooveel mijne zwakke krachten toelaten een dragelijk offer op het altaar der gemeenschappelijke vriendschap te brengen.
Vaarwel, verzeker mij spoedig dat gij mijn ontijdigen uitstap vergeven hebt: groet uwe Tantes en geloof mij steeds
tt
Van den Brink