terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan N. Beets
Amsterdam, 21 maart 1835.*

Beets schrijft op 20 maart 1835 in zijn dagboek: ‘Eenigszins onaangenaam te moede geworden door de Recensie in de Letterbode van heden van de Maskerade, (van Jose met één) door Xth (Xanthos, dat is gezegd Geel) die ik in 't eerst voor een persifflage houd. Pluygers beweert evenwel dat dit het geval niet is, en hij in mijn plaats zeer tevreden zou zijn met een dergelijke beoordeeling. In allen gevalle wordt Kneppelhout er in gepersiffleerd. Geel heeft mij tegen Maandag avond bij zich genoodigd. Ik ben nieuwsgierig naar de ontmoeting’.

Op maandag 23 maart heet het: ‘Geel was er hier en daar voor uitgekomen dat hij de steller was van het in den Letterbode van den 20sten voorkomend artikel, geteekend Xth (voor die Grieksch verstonden duidelijk genoeg). Hij had overal gevischt hoe het door de studenten, door mij, door anderen werd opgenomen. ‘Ja’, had hij gezegd, ‘'t werd te gek hier in Leiden. Men kon nergens komen of men hoorde de glorie van Beets voor en na. Dat jongmensch werd over 't paard getild’.

Geel begon bij de thee er zelf over, zeggende vernomen te hebben, dat het hem, Beets, geen pleizier gedaan had. En dan gaat het dagboek verder: ‘Dit bevestigde ik. “Dat speet hem. Zoo was het niet gemeend. Volstrekt geen persifflage. Geen spotternij. Had het in deze of gene uitdrukking daar iets van, dan was het tegen zijn zin uitgevallen. Bloote belangstelling in mijn persoon had het hem doen opstellen. Hij vreesde dat men mij zou bederven. Wat ik er dan wel hatelijks of onaangenaams in vond?”’

Zie verder Hildebrands voorbereiding, het dagboek van de student Nicolaas

[p. 128]

Beets, Uitgegeven en toegelicht door H.E. van Gelder, Den Haag, 1956 p. 62, waar ook op p. 118 een gedeelte van deze brief is opgenomen.

[Amsterdam, 21 maart 1835] 203

Waarde Vriend!

Geene verrassing kon mij aangenamer zijn dan die welke mij voorleden Vrijdag door u geschonken werd. reeds sinds lang had ik u gewenscht te spreeken of te schrijven. - En zie, het mij toegezondene biedt mij niet alleen gelegenheid maar ook stof tot eenen brief aan.204 In Amsterdam zijnde troft gij mij niet aan. Te Leiden was ik bij zulk eene plegtige gelegenheid als de masquerade niet tegenwoordig. Over de oorzaak dezer dubbele afwezigheid schrijf ik u niets. Zulk eene excusatio of captatio benevolentiae rekt de aanvang der brieven tot eene ongehoorde lengte uit: tot opscherping van vernuft en smaak zij de reden mijner afwezigheid u als een raadsel opgegeven.

Hartelijken dank dan vooral voor het mij toegezonden geschenk. Hoeveel gelukkiger toch de Dichter dan de Prozamensch door het

Multos sui memores fecisse merendo!205

Hoe gaarne wenschte ik u iets terugtezenden: maar mijn geest neemt even weinig eene poetische vlugt als ons handeldrijvend (?) Amsterdam daarvoor eene geschikte stof aanbiedt. Doet Leiden het? - Voorzeker in zoo verre een enkelde herinnering in staat is den geest des Dichters naar het heerlijke Grenade te verplaatsen en in eene opgewekte aandoening der fantaisie Spanje's schoonheden even duidelijk te vertoonen als de H. Petrus in zijn visioen het gansche beestenspel zag. Geluk met dat mijns inziens fraaiste en dichterlijkste gedeelte uwer masquerade. Voor het overige heb ik den trein gevolgd: met meer welgevallen en genot dan ik welligt in persoon zou gesmaakt hebben. Ik volgde ze aan uwe zijde en hoorde en beaamde de dichterlijke ontboezemingen die het fraaie en zeldzaame schouwspel u ontwrong. Gij schenkt mij vertrouw ik eene verdere beoordeeling. De mij toegezonden masquerade is in goede - wat zeg ik? - in beeldschoone allerliefste handen. - Beoordeel of uw vriend ook woekert met de eer, van een present-exemplaar van den dichter ontvangen te hebben.

Ik ontving uwe Masquerade nadat ik dien eigen ochtend in de Letterbode deszelfs beoordeeling door Xth (Xanthus? Geel?) gelezen had. Na de lezing en herlezing van uw gedicht begrijp ik deze recensie nog evenmin als voor dezelve.

[p. 129]

Wil ZHG. u prijzen en aanmoedigen of laken en waarschuwen? Ik geloof het eerste.206 Intusschen schijnt de gelukkige tirade over de Boeotia van Homerus hem boos gemaakt te hebben. Ik las de aangehaalde noot van Ernesti: ik herlas hem in mijnen Homerus omdat ik (vergeef mij!) uwe waarheidsliefde naauwelijks vertrouwde. En toch ik vond dat die smakelooze aanteekening door den grooten interpreet en bewonderaar van Cicero, door de hersteller der zuivere Latiniteit, door den Theologant, dien wij als het voorbeeld eener smaakvoller en liberaler denkwijze vereeren geschreven was.207 Zullen wij hem als van allen gezonden zin vervreemd, als een laffe schoolschen geleerden veroordeelen? Zijne overige werken zouden luide tegen zoo hard een vonnis roepen. Of zullen wij veeleer hem als overdreven met zijne classieken ingenomen beschouwen en er voor ons de leering uit trekken dat dweepers met een of ander zich voor partij en koele beschouwers altoos bespottelijk maken en de waarschuwing ons ten nutte maken dat wij der romantische Muze niet zooveel hulde toezwaaijen en met allerlei verguldsel opschikken als waarmede zij eenmaal der klassieke dochter van den Olympus hare schoolmeesterspruik en tuchtroede gegeven hebben?

Gisteren avond zag ik bij Matthes208 voor het eerst de Fragmens de Correspondance van K...209 Waar moet het heen? Ik vereer K's ijver voor een beteren smaak dan die tegenwoordig in de literatuur heerscht: ik mag lijden dat die flaauwe vaderlandsgezindheid die onze werken van smaak (?) kenmerkt, bespot en beschimpt, eindelijk voor meer wereldburgerlijken kunstzin plaats make. Maar God beware ons voor een Joannes den Dooper die het veld onzer letterkunde alleen en uitsluitend voor V.H. vlak maakt. Ecrasons tout!!! Ook van Hall,210 Wiselius,211 's Gravenweert,212 v.d. Palm,213 Staring, de v. Lenneps!!! Waar

[p. 130]

moet het heen?? Nogmaals Victor Hugo: hij heeft mij geboeid: ik heb hem bewonderd. Maar de verzekering dat K hem tusschen 8 en 9 uren meermalen gespr... gezien heeft doet hem niets bij mij in waarde rijzen. Zijne lieve famille overtuigt mij dat hij de mauresque ideen gelukkiger copieert dan gevoelt. Dan liever Byron in het kostuum van een Giaour te Samos of aan het strand van den Hellespont!214 - En Victor Hugo: hij heeft genie ik erken het, hij is dichter! maar als hij alleen de Messias der Fransche Letterkunde is, waartoe de verlagende afgoderij, die zijne vrienden met Chateaubriand durven plegen? eene afgoderij waardoor zij het voorwerp hunner vereering eerbiedwaardiger gemaakt hebben dan K. Victor Hugo door zijne correspondance. Vergelijk si tanti est215 de Lectures des Mémoires de M. de Chateaubriand214 en Kneppelhouts werk.

Nog eens: niemand gevoelt meer dan ik dat onze Letterkunde eene volstrekte herschepping noodig heeft: maar oók niemand is grooter vijand van die gepredikte kruistogten. Onze Muzen deden dunkt mij wat zij konden: en al bezwijken zij, ik zal het blijven toejuichen dat zij een verborgene maar niet te min venijnige oppositie tegen de bestaande denkwijze gepredikt hebben. Zulks zal misschien vruchten dragen nadat zij reeds lang vergeten zijn. Bedaarde kalmte maar niettemin standvastige getrouwheid aan het voorgestelde ideaal is dunkt mij van meer baat. Ik stel mij zoo gaarne Goethe voor in zijne kalme literaire verhevenheid met de armen op den rug in ernstige planmatige diepdenkendheid rondwandelend over het terrein dat hij zich verkoos. K's kruisvaarders zullen kwade jongens zijn en blijven die huns ouders huis ontloopen. Gelukkig zoo de klok (een goed beeld der Hollandsche prozaische huisselijkheid) hen terugroept zoo als Wittington:

Wittington
Keer weerom
Lord Maior van London.

Doch haec hactenus! -- Ein aesthetisches Chria, wobei der Auctor sich selbst nicht von lächeln enthalten könnte.216 - Van Lennep summae vir auctoritatis217 heeft mij sedert eenigen tijd Vondel ter lezing en herlezing aangeraden: Dit verklaart zeker mijne denkwijze voor het oogenblik. -

Aangenaam waren mij de groeten mijner oude Leidsche vrienden aan welke ik dikwijls herdenk, zoo dikwijls mij de eentoonige stilte alhier verveelt. Welke aangename winteravonden en nachten zou ik met hun, met u, hebben overgebragt.

Si quaerent, quid agam, dic, multa et pulcra minantem
Vivere nec recte nec suaviter.218
[p. 131]

Tot die multa et pulcra behoort een doctoraal Examen waaraan ik duurzaam werk en dat spoedig geschieden zal - omdat het mij tans duchtig begint te verveelen.

Heije en Potgieter zie ik dikwijls, te meer van wegen den nagelaten arbeid van D. Den eersten kendet gij reeds: Wat zegt gij van den ander. Ik ken weinig menschen van zooveel aanleg. Voor eenigen tijd ontving ik van hem een allerliefst Engelsch vers, dat het werk van eenige minuten geweest was.

Groet hartelijk de geene die mij hebben doen groeten. Vooral Louw en Willem.219 Hoe komt dat ik van beiden niets hoor? Misschien ligt de schuld bij mij. Eerlang hoop ik dezelve te herstellen en in persoon te Leiden te komen. Als gij eenmaal mijnentwege aan het complimenten-uitdeelen zijt vergeet dan ook vooral Gustaaf niet.220 Bram zal reeds vertrokken zijn. Voor Frans sluit ik een brief in.221 Bezorg hem S.V.P. aan adres. Hartelijk dank ik u nogmaals voor het gezondene: en voor uwen brief. In het vervolg mogen zulke lange intervallen onze briefwisseling niet afbreken. Ik ten minste blijf zoo als altoos

 

T.T.

v.d. Brink

*Coll. Beets. Bibl. Maatsch. d. Ned. Lett. Univ. bibl. Leiden.

203Deze brief kan vrij nauwkeurig worden gedateerd. Bakhuizen had op vrijdag 20 maart de recensie van Geel gelezen en het exemplaar van Beets' gedicht ontvangen. Op maandag 23 maart citeert Beets in zijn Dagboek uit Bakhuizens brief. Vrijwel zeker is deze dus op zaterdag 21 maart geschreven.
204Het betreft hier dus een exemplaar van De Masquerade.
205Citaat uit Virgilius Aen. 6. 664: die door hun verdiensten velen zich hunner gedachtig hebben gemaakt!
206De niet zo heel duidelijke recensie van Geel had Beets ‘eenigszins onaangenaam te moede gemaakt’. (Dagboek, 20 maart '35).
207Beets had met de catalogus der schepen in het tweede boek van de Ilias een loopje genomen en daarbij tevens in een noot de beroemde commentator van Homerus, Joh. Aug. Ernesti (1707-1781), bekend als philoloog en theoloog, betrokken.
208Er is een Matthes, die tweemaal in 1834 in de brieven van Drost aan Potgieter wordt genoemd, waarvan eenmaal als recensent in De Vriend des Vaderlands. Blijkbaar is dit dezelfde, maar wie? Dit kan wel zijn Hendrik Arn. Matthes (1804-1887), die in 1824 in Amsterdam voor medicijnen werd ingeschreven, maar in 1827 te Leiden voor theologie. Hij werd in 1834 cand. te Noordeloos en van 1837 af predikant te Valkenburg (Z.H.).
209Het betreft hier Fragments de correspondance. 22 octobre-26 novembre 1834. Leiden, 1835, een anonieme publicatie van J. Kneppelhout. Het zijn brokstukken uit Kneppelhouts brieven, tijdens zijn eerste verblijf te Parijs aan vrienden geschreven. Centraal staan hierin zijn bezoeken aan Jules Janin en Victor Hugo, waarbij vooral zijn verering voor de laatste duidelijk tot uiting komt en over de oudere schrijversgeneratie de staf wordt gebroken.
210M.C. van Hall (1768-1858), schrijver van tragedies, proza- en dichtwerken, navolger van de klassieken.
211S.I. Wiselius (1769-1845), schrijver van op de Ouden geïnspireerde drama's, waarmede hij zich in zijn tijd grote bekendheid verwierf.
212Jan van 's Gravenweert (1790-1870), vertaalde Franse toneelspelen en Homerus.
213J.H. van der Palm (1763-1840), godgeleerde en letterkundige, vooral bekend als redenaar. Van 1806-1836 hoogleraar in de welsprekendheid en dichtkunst te Leiden.
214Giaour is de titel van het uit 1813 daterende romantische gedicht van Byron. Het andere werk is: Lectures des Mémoires de M. de Chateaubriand ou Recueil d'articles publiés sur ces mémoires avec des fragments originaux. Paris, 1834.
215Si tanti est = als het de moeite waard is.
216Chria = opstel, verslag. Aan wie dit citaat ontleend is liet zich niet vaststellen.
217Summae vir auctoritatis = een man van het hoogste gezag.
218Citaat uit Horatius, Epist. I. 8. 3.: Als zij vragen wat ik doe, zeg hen, dat ik ondanks vele en mooie beloften een leven lijd, dat noch verstandig noch aangenaam is.
219Louw = Laurens R. Beijnen; Willem = Willem G. Pluygers.
220Gustaaf = G.E. Voorhelm Schneevoogt.
221Bram = Abrah. Scholl van Egmond. Zijn moeder was een oudere zuster van Beets' moeder. Later zou hij Beets' zuster Maria Elisabeth huwen. Hij vestigde zich als arts te Nijmegen. Frans = F.R. Spengler.
prepostterug  begin  verder