terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan E.J. Potgieter
Amsterdam, eind oktober 1835.*

Deze brief is afgedrukt bij J.M. de Waal, Aernout Drost. Utrecht, 1918, p. 119. De conclusie, die schrijfster daaraan verbindt ten aanzien van een verstek laten gaan van Heije bij het schrijven van hoofdstuk XII is m.i. onjuist. Reeds in zijn brief van half oktober zegt Bakhuizen de gevangenneming van Aelbert Jansz., die in hoofdstuk XII voorkomt in Heije's plaats op zich te hebben genomen. Eerder zou aan hoofdstuk I te denken zijn.

[Amsterdam, eind oktober 1835] 228

Amicissime!

Uiterst toornig ben ik op den Doctor. Op zijn aandrijven en om eindelijk van de zaak af te wezen heb ik gisteren het besluit gevat om aan een stuk voorzooverre van mij geeischt werd en mijne krachten toelieten de Pestilentie af te werken. Tans komt hij zeggen dat hij ons niet kan wachten (denkelijk staat zijne heldin nog boven aard)229 en bepaalt geen naderen tijd: maar zegt met een air d'importance230 aan mijne huisgenooten dat ik zijne geheimen van u heden middag ten 5 uren kan vernemen en gij zult dus de Pythia zijn waardoor hij zijne orakels spreekt. Heden middag ten vijf uren echter kan ik u moeijelijk bezoeken. Rest u heden avond na posttijd nog een half uurtje om over een en ander te spreken. Wij kunnen het dan zonder ZGeleerden afdoen. ‘Ik detesteer Passchier en zeg anathema’.231 Vale.

 

tt

V.d. Brink

*Collectie Potgieter. Univ. bibl. Amsterdam Al 11 m.

228De datering van dit briefje berust op twee feiten. Op 21 october is Bakhuizen nog bezig met het schrijven van Sijmens verhoors, terwijl hij thans besloten heeft zijn aandeel af te werken. Op 7 november schrijft hij aan Ter Meulen, dat alles afgelopen is.
229Kan dit betrekking hebben op het sterven van Hechtje's moeder in hoofdstuk I?
230Heije werd door Potgieter en Bakhuizen wel ‘l'important’ genoemd. Vgl. noot 193.
231Citaat uit De pestilentie te Katwijk, p. 272.
prepostterug  begin  verder