Deze brief is afgedrukt bij J.M. de Waal, Aernout Drost. Utrecht, 1918, p. 119. De conclusie, die schrijfster daaraan verbindt ten aanzien van een verstek laten gaan van Heije bij het schrijven van hoofdstuk XII is m.i. onjuist. Reeds in zijn brief van half oktober zegt Bakhuizen de gevangenneming van Aelbert Jansz., die in hoofdstuk XII voorkomt in Heije's plaats op zich te hebben genomen. Eerder zou aan hoofdstuk I te denken zijn.
Amicissime!
Uiterst toornig ben ik op den Doctor. Op zijn aandrijven en om eindelijk van de zaak af te wezen heb ik gisteren het besluit gevat om aan een stuk voorzooverre van mij geeischt werd en mijne krachten toelieten de Pestilentie af te werken. Tans komt hij zeggen dat hij ons niet kan wachten (denkelijk staat zijne heldin nog boven aard)229 en bepaalt geen naderen tijd: maar zegt met een air d'importance230 aan mijne huisgenooten dat ik zijne geheimen van u heden middag ten 5 uren kan vernemen en gij zult dus de Pythia zijn waardoor hij zijne orakels spreekt. Heden middag ten vijf uren echter kan ik u moeijelijk bezoeken. Rest u heden avond na posttijd nog een half uurtje om over een en ander te spreken. Wij kunnen het dan zonder ZGeleerden afdoen. ‘Ik detesteer Passchier en zeg anathema’.231 Vale.
tt
V.d. Brink