terug  begin  verderprepost
[p. 135]

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Amsterdam, begin november 1835.

[Amsterdam, begin november 1835] 232

Amicissime! Kon wel iemand het ongelukkiger treffen dan gij het gisteren bij mij troft. En toch heeft uwe vriendschappelijke welwillendheid mij in gedachte verschoond door de overtuiging dat drokke bezigheden mij buiten huis hielden. Gij gistet dan de snoode behandeling die uw vriend u aandeed maar ten halve. Niettegenstaande gij verzekerd hadt bij hem terug te zullen komen verliet ik echter moedwillig mijne wooning om met een anderen en jongeren vriend dan gij door A rondteslenteren en hem uitgeleide te doen. Weet echter dat die vriend niet alleen was maar twee Dames in zijn gevolg had, waarvan de eene (neem eer gij verder leest voor de schrik wat in) mij nog liever was dan gij, oude getrouwe vriend!233 Ziedaar het conflict van pligten waardoor ik gisteren geslingerd werd en welke ik op eene echt casuistische wijze heb zoeken te vereenigen. Want naauwelijks was ik weder vrij of ik ging er op uit om u te zoeken: had toen het genoegen uwen vader te spreken en begaf mij op zijn raad naar de Goudsche nachtschuit. Daar verzekerde men mij op mijne vraag naar u dat de Heer ter Meulen niet aanwezig was. Waar gij gebleven zijt weet ik niet.

Intusschen voldoe ik gaarne aan mijne verpligting om u eens te schrijven. Maar lieve vriend! hoe kwaamt gij in het denkbeeld dat ik mijn naam reeds in de geleerde wereld door Dissertaties bekend gemaakt had. Ten dien opzigte heb ik mijne kinderlijke onschuld nog bewaard. Neen in volle eenvoudigheid des harten zit ik nog aan dezelve te werken en de Hemel weet, wanneer zij afgewerkt zullen zijn.234

Van de Ridder,235 dien ik eenigen tijd geleden te Amsterdam sprak vernam [ik] dat gij te B. het gerucht verspreid hadt dat ik Doctor Litterarum en Theologiae geworden was. Ten zij men het mij buiten mijn weten honoris causa gemaakt heeft is zulks niet waar. Ontzagchelijk hoorde ik van het engagement van de Ridder op: ik had dien persoon in gedachte niet zoo spoedig uitgehuwelijkt. Maar zoo gaat het in de wereld: wie weet wat ik eenmaal misschien eerlang van u moet beleven.

[p. 136]

Heeft uwe bij Prof Swart236 gemaakte visite een gunstig en overeenkomstig uwe wenschen gevolg opgeleverd? Hoe gaat het u te Bodegrave? enz enz: beantwoord mij eens alle die vragen die gij u voorstelt dat ik zou gedaan hebben, ware ik gelukkig genoeg geweest u te Amsterdam te spreken.

Noch van mijzelve noch van anderen weet ik u veel nieuws te melden. Onze brave biechtvader blijft nog steeds zoo als ik gisteren vernam even zorgelijk.237 Tot groote eer strekt het den vromen man, dat hij schoon door ziekte gekluisterd door geschriften voor zijne gemeente zoo werkzaam is. Zijne preekjes, zijn laatst uitgegeven Feestboekje worden met dankbaarheid en eerbied ontvangen. Zeker zult gij dezelve gelezen hebben. Bij alle achting die ik den man toedroeg liep ik echter nimmer zoo hoog met zijne leerredenen. Ondertusschen is de Goede Vrijdagspreek mij bij uitstek bevallen en in allen vereer ik den echt gemoedelijken toon, en het Christelijk vernuft mag ik zoo zeggen des braven mans.

Mag ik hoopen te A u eens spoedig weder te zien? Kan ik het eenigzins uitbreken dan kom ik wel eens naar u overvliegen en bezoek bij die gelegenheid eens mijn vriend Boon.238 Schrijf mij spoedig groet de uwen en v Oorde en geloof mij steeds

 

T.T.

Van den Brink

232Door de moderne hand met potlood bijgeschreven: [Amsterdam] [1853] z.d. De nadere datering op begin november is gegrond op de vermelding van het bij Ter Meulen bestaande misverstand omtrent Bakhuizens promotie, een vermelding, die in de brief van 7 november nog eens wordt herhaald. Verder de mededeling van de zorgelijke toestand van Ds. Kakebeen, die in de brief van 12 november weer ter sprake komt.
233Dit was ongetwijfeld Ds. Domela Nieuwenhuis uit Monnikendam met vrouw en schoonzuster, op welke laatste Bakhuizen verliefd was.
234Bakhuizen heeft dus nog steeds het plan, door hem in januari 1835 aan Ter Meulen meegedeeld, twee dissertaties te schrijven.
235Waarschijnlijk C.P.O.G. de Ridder, die van 1825-1828 in Amsterdam gestudeerd had, in 1830 proponent werd en in dat jaar als predikant zijn intrede deed te Nieuwkoop.
236W.S. Swart (1807-1847) werd in 1834 professor in de wis-, natuur-, sterren- en scheikunde te Amsterdam.
237Ds. Daniel Matthijs Kaakebeen (1788-1835) van 1820 af predikant te Amsterdam kreeg in februari 1834 op de preekstoel een bloedspuwing, wat het begin werd van een langdurige ziekte die eindigde met zijn dood op 30 november 1835 op de buitenplaats Amerika boven Weesp. Ter Meulen en Bakhuizen waren catechisanten van hem geweest. Hij heeft veel gepubliceerd, nog in 1835 Feestboekje of bijdrage tot de Godsdienstige viering van den Goeden Vrijdag, stillen Zaterdag en Paasch-Zondag.
238Vgl. noot 16.
prepostterug  begin  verder