terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan E.J. Potgieter
Amsterdam, ± 20 november 1835.*.

De geregelde bijeenkomsten van de drie vrienden beperkten zich niet tot de voorlezing en bespreking van gedeelten van De pestilentie. Al op 18 september

[p. 145]

1835 schreef Heije aan Potgieter: ‘Rembrandt en Douw hebben mij heden nachts in mijne droomen eene schitterende tentoonstelling gegeven’. Waarschijnlijk is het ditmaal de voorlezing van de voltooide Rembrandt, waarop Bakhuizen zich verheugt. (U.B., A'dam, Al 62 b)

[Amsterdam, ± 20 november 1835]265

Amicissime!

Schoon ik mij geene stellige afspraak kan herinneren, leef ik echter in de blijde verwachting van u nevens den Doctor heden avond bij mij te zien. Zelf heb ik niets kunnen uitvoeren bij gebrek aan hulpmiddelen. Ik hoop echter dat H. zijne pestgeschiedenis mag voltooid hebben266 en streel mij met de voorstelling van het genot dat de voorlezing uwer voltooide Rembrandt ons beiden zal opleveren.267

 

T.T.

Van den Brink

*Collectie Potgieter. Univ.bibl. Amsterdam. Al 11 k.

265Waarschijnlijk heeft Bakhuizen deze brief na zijn terugkomst uit Monnikendam geschreven. Dit zou verklaren, dat hij zich de afspraak niet herinnert en dat hij niets heeft kunnen doen hij gebrek aan hulpmiddelen. Hij is op vrijdag 13 november naar Monnikendam vertrokken, schrijft nog op woensdag 18 november een brief vandaar aan Potgieter. In zijn brief van 12 november vraagt hij een geleend boek voor de volgende vrijdag terug te bezorgen, wat er op wijzen kan, dat hij op vrijdag 20 november weer terug denkt te zijn. Vandaar de datering van deze brief.
266Eind oktober schreef Bakhuizen ‘denkelijk staat zijn heldin nog boven aard’, zodat thans verwacht kan worden dat Heije gereed gekomen is.
267Dit slaat wel op De eerste schilderij van Rembrandt van Rhijn in de Nederlandsche Volksalmanak voor 1836, p. 160-184.
prepostterug  begin  verder