De geregelde bijeenkomsten van de drie vrienden beperkten zich niet tot de voorlezing en bespreking van gedeelten van De pestilentie. Al op 18 september
1835 schreef Heije aan Potgieter: ‘Rembrandt en Douw hebben mij heden nachts in mijne droomen eene schitterende tentoonstelling gegeven’. Waarschijnlijk is het ditmaal de voorlezing van de voltooide Rembrandt, waarop Bakhuizen zich verheugt. (U.B., A'dam, Al 62 b)
Amicissime!
Schoon ik mij geene stellige afspraak kan herinneren, leef ik echter in de blijde verwachting van u nevens den Doctor heden avond bij mij te zien. Zelf heb ik niets kunnen uitvoeren bij gebrek aan hulpmiddelen. Ik hoop echter dat H. zijne pestgeschiedenis mag voltooid hebben266 en streel mij met de voorstelling van het genot dat de voorlezing uwer voltooide Rembrandt ons beiden zal opleveren.267
T.T.
Van den Brink