Nu de werkzaamheden aan Drosts geschriften afgelopen zijn worden de bijeenkomsten schaarser. Op 16 juli 1836 zal Heije aan Potgieter schrijven: ‘Doe mij het genoegen, mijn waardste! maandag avond ten mijnent een paar uren door te brengen; wij worden waarlijk elkander vreemd. Van den Brink heeft mij zijne tegenwoordigheid beloofd. - Ik reken op U’. (U.B., A'dam, Al 62 o)
Amice!
Heden ochtend kwam Heije bij mij en zonderlinge combinatie! dien ten gevolge noodig ik u bij mij zoo mogelijk heden te komen theedrinken, zoo niet, ten minste
eens aan te komen. Den vertaler van Barbiers269 Jambe sur la raillerie d'aujourd'hui270 kon het, dacht ons, niet onverschillig zijn eene vertaling te hooren der Jambe op de Statue Napoleon van den ongelukkigen autheur der Cusiade.271 Mijn eigen gevoelen daarover behoude ik voor mij tot ik het uwe vernomen heb. In allen gevalle acht ik het der moeite waard u hetzelve te mede te deelen. Geloof mij daaromtrent op uw woord en verheug mij door mijnen wensch te dezen opzigte te vervullen.
T.T.
V.d. Brink