terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan E.J. Potgieter
Amsterdam, eind september 1836.*

Het prospectus van De Gids, Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen, was verschenen in augustus, zodat Bakhuizen van de plannen voor een nieuw tijdschrift op de hoogte was. Hij was geen vriend van Beyerinck en heeft, zoals later blijken zal, het lidmaatschap van de redactie geweigerd, maar heeft al spoedig meegewerkt.

Het laatste gedeelte van deze brief is afgedrukt bij J.H. Groenewegen, Everhardus Johannes Potgieter, Haarlem, 1894, p. 119.

[Amsterdam, eind september 1836] 289

Amicissime!

Zelf zou ik bij u komen, ware het niet dat eene hevige hoofdpijn van koorts

[p. 151]

verzeld mij gister aangetast en mij voor heden het uitgaan ten minste 's avonds verboden had. - Intusschen is onze Dr mij eens deze week komen bezoeken en vragen wanneer wij eens onderling een avond zouden doorbrengen. Ik proponeerde hem aanstaanden maandag met u ten mijnent te komen, in hoop dat zoo wel uwe wang als uwe bezigheden u zulks zouden veroorloven. - Hoe staat het echter daar mede? Mij zou het natuurlijk zeer aangenaam zijn. R.F.S.V.P. -

Ik ben van de week eens bij Beijerinck geweest. Welk een bespottelijke boekverkoopers twist! Immers het laatste nommer der Letteroefeningen hebt gij gelezen. Yntema die als een stervende Caesar zijne smerige jas over zijne pruik trekt en uitroept: Ook Gij! mijn Br -- Brutus, Bram had ik haast geschreven!!!290 Vaarwel en geloof mij steeds.

 

T.T.

V.d. Brink

 

De maandwerken bevatten al weder geene recensie der Sch. en Verh.291

*Collectie Potgieter. Univ.bibl. Amsterdam. Al 11 n.

289Deze brief is geschreven, nadat het stuk tegen het Prospectus van De Gids in Vaderlandsche Letteroefeningen, 1836, II, p. 589-601, verschenen was. Dat was volgens de brief ‘het laatste nommer’. Aangezien dat verscheen in september 1836, zal deze brief dateren van eind september 1836.
290Dit gaat dus over de twist tussen Yntema en Beyerinck, die tot de oprichting van De Gids heeft geleid. In het bedoelde stuk in Vaderlandsche Letteroefeningen, dat door prof. S. Muller geschreven was, heet het: ‘Wie het zijn, die zich als handlangers door dien man laten gebruiken, is hem onbekend, en begeert, ja hoopt hij nimmer te vernemen; hij mogt, bij het openbaar worden der namen, eens onwillekeurig moeten uitroepen: “Ook gij...?”’
291Schetsen en Verhalen van Drost.
prepostterug  begin  verder