Het prospectus van De Gids, Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen, was verschenen in augustus, zodat Bakhuizen van de plannen voor een nieuw tijdschrift op de hoogte was. Hij was geen vriend van Beyerinck en heeft, zoals later blijken zal, het lidmaatschap van de redactie geweigerd, maar heeft al spoedig meegewerkt.
Het laatste gedeelte van deze brief is afgedrukt bij J.H. Groenewegen, Everhardus Johannes Potgieter, Haarlem, 1894, p. 119.
Amicissime!
Zelf zou ik bij u komen, ware het niet dat eene hevige hoofdpijn van koorts
verzeld mij gister aangetast en mij voor heden het uitgaan ten minste 's avonds verboden had. - Intusschen is onze Dr mij eens deze week komen bezoeken en vragen wanneer wij eens onderling een avond zouden doorbrengen. Ik proponeerde hem aanstaanden maandag met u ten mijnent te komen, in hoop dat zoo wel uwe wang als uwe bezigheden u zulks zouden veroorloven. - Hoe staat het echter daar mede? Mij zou het natuurlijk zeer aangenaam zijn. R.F.S.V.P. -
Ik ben van de week eens bij Beijerinck geweest. Welk een bespottelijke boekverkoopers twist! Immers het laatste nommer der Letteroefeningen hebt gij gelezen. Yntema die als een stervende Caesar zijne smerige jas over zijne pruik trekt en uitroept: Ook Gij! mijn Br -- Brutus, Bram had ik haast geschreven!!!290 Vaarwel en geloof mij steeds.
T.T.
V.d. Brink
De maandwerken bevatten al weder geene recensie der Sch. en Verh.291