terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan E.J. Potgieter
Amsterdam, eind november 1836.*

Het blijkt uit deze brief, dat Bakhuizen van het allereerste begin af zijn medewerking aan De Gids gegeven heeft. De tekst, die hij hier geeft is in de voorrede van de eerste jaargang door Potgieter opgenomen.

Heije daarentegen was er geheel buiten gehouden en trok zich dit aan, niet ten onrechte na zijn onderhandelingen met Beyerinck toen De Muzen waren gestaakt. Op 3 december 1837 schrijft hij aan Potgieter: ‘Ofschoon ik er niet zoo geheel aan getwijfeld had, my silent friend, dat bij de uitgave van een kritisch tijdschrift alhier, nul n'aurait d'esprit, que ..... nos amis - Schoon 't wat pedant zou zijn spijt het mij toch den zin niet onverminkt te kunnen laten - ben ik er thans van overtuigd en ik mag U niet ontveinzen dat die onvriendschappelijke achterhoudendheid mij leed doet -- Vergun mij daarom te gelooven dat gij U op eene schitterende en afdoende wijze zult kunnen verdedigen: en laat mij er bijvoegen dat ik om regtvaardig te zijn de inhoud van den Gids zelve reeds als een verdediging moet beschouwen. Ik heb de zon niet over mijne onaangename gewaarwording willen laten ondergaan; nu ze op het papier is, is ze uit mijn hart. Vaarwel en bemin mij’. (U.B. A'dam, Al 62 r). Het briefje is afgedrukt bij J.H. Groenewegen, Everhardus Johannes Potgieter, Haarlem, 1894, p. 119, n. 1.

[p. 152]

[Amsterdam, eind november 1836] 292

Amice!

Hiernevens het beloofde staaltje van den ouden Burman293 over de boekverkoopers in 1731.

‘Het ondragelijke geweld, ja wat meer zegt de heerschappij en de tirannij die de boekverkoopers zich aanmatigen op de geleerde wereld uit te oefenen ken ik bij ondervinding en weet hoe zij ten koste van den arbeid en het zweet der schrijvers zich dikwijls benijdenswaardige schatten verzamelen. Het is of eene staatswet dat volk hun regt had gegeven, en of alle geleerden bij regterlijk vonnis zoo tot eeuwige slavernij verwezen waren, dat het hun niet meer vrijstond van boekverkooper te veranderen, wanneer zij den hunnen, ik zeg niet als lastig en karig, maar als heerschzuchtig, ondankbaar en aanmatigend hebben leeren kennen. Hoevele groote en geleerde mannen zou ik kunnen aanhalen, wier geschriften vol zijn van de jammerlijke [klagten] over de listen, de bedriegerijen en de vuile winsten der boekverkoopers. Tot mijn ongeluk heb ik dikwijls menschen van dat slag aangetroffen, die door hun vriendelijk, gul en eenvoudig voorkomen, van mij die alle veinzerij en kunstenarij haat als de dood, alles wat zij wilden gedaan kregen, en omdat ik nooit hebzuchtig mijn arbeid op prijs stelde, met een klein honorarium het verschrikkelijk slooven, dat ik voor hun deed beloonden. Nooit gaf ik een werk ter perse of het was geheel voltooid; nooit liet ik den drukker één uur, ik laat staan één dag wachten: terwijl ik mij hunne traagheid en uitstellen liet welgevallen. Niemand van de gansche troep en altans niet de uitgevers van mijn Ovidius (NB de Wetsteins) zullen het mij heeten liegen dat ik altoos geduld geoefend en voor hunne belangen gezorgd heb: maar zelve zullen zij best weten hoe zij mij opgehouden en met hoevele onaangenaamheden zij mij hebben gekweld. Wanneer gij jegens hun welwillend, schikkelijk, vlijtig en voortvarend zijt, dan lagchen zij u luidkeels uit, worden brutaal tegen uwe goedheid in, of bedanken u op zijn hoogst met allerlei laffe complimenten. Ik zeg juist niet, dat er onder het gansche gild van boekverkoopers geen een is, die den arbeid der geleerden op den regten prijs schat. Er zijn er, maar ze zijn zeer weinig in getal, en die weinigen hebben nog de hoogmoedige meening, dat de roem en de achting der geleerden er van afhangt, dat hunne werken in eene wereldberoemde boekwinkel uitgegeven worden, en dat daar deze beunhazen de geheele wereld door handel drijven, men eerst door hun toedoen vermaardheid krijgen kan. En die beroemdheid van hunnen winkel plegen zij zoo onbeschaamd op te vijzelen, dat zij om hunnen fatsoenlijken naam u het grootste gedeelte van het honorarium korten.’

Vindt gij dat niet een kabinetstukje uit 1730? eene allergeschiktste kommentaar

[p. 153]

op de lofspraak die Professor aan de oude boekverkoopers als handlangers der geleerden gegeven heeft.294

 

tt

V.d. Brink

*Collectie Potgieter. Univ.bibl. Amsterdam. Al 11 a.
292Aangezien het gehele stuk, dat Bakhuizen hier uit Burman aanhaalt in de voorrede van De Gids, die gedagtekend is: Amst. Dec. 1836, is opgenomen, moet deze brief wel zijn van eind november, begin december 1836.
293Pieter Burman (1668-1741) prof. te Utrecht en sinds 1715 hoogleraar in het Grieks en de welsprekendheid te Leiden, waar hij ook bibliothecaris werd.
294In het stuk in de Vaderlandsche Letteroefeningen zegt prof. Muller: ‘Voorheen waren Boekverkoopers, hetgene zij naar den aard der zaak behooren te wezen, medehelpers, handlangers der Geleerden, middelpersonen tusschen de Auteurs en het Publiek, en onze Wetsteins, Luchtmansen, Meyers en anderen hielden zich met deze bescheiden titel tevreden.’
prepostterug  begin  verder