Dit briefje is een antwoord op en geschreven op de rugzijde van een briefje van Potgieter, dat als volgt luidt: ‘Amice! De stances hebben u waarschijnlijk naar het Fransch tooneel gelokt, en profond deuil cela, s'entend. Mogt het echter zoo niet zijn geef dan s.v.p. aan brengster dezes Scheltema's dochteren Visschers, die ik u anders verzoek mij morgen ochtend te laten bezorgen. Scholten en Vondel, neen Vondel en Scholten, zie ik morgen avond te gemoet, want de Gids no. 11. is af, en Maandag morgen komt een jongen om kopij voor no. 12. Steeds T.T.P. Zaturdag’.
Wij kunnen, dunkt mij, de datum van dit briefje en Bakhuizens antwoord van dezelfde dag, vrij nauwkeurig vaststellen. Potgieter schreef op een zaterdag. In oktober 1837 vielen de zaterdagen op 6, 13, 20 en 27 van die maand. Aangezien de november-aflevering af was, en men al kopij voor de 12de aflevering wenst, ligt het voor de hand, dat alleen de laatste twee zaterdagen in aanmerking komen. Zou het echter de 27ste oktober zijn, waardoor de jongen van Spin, de drukker, op 29 oktober om de kopij zou komen, dan zou Bakhuizen niet de tekst van Scholtens recensie met het einde der maand beloofd hebben. Blijft dus over: 20 oktober.
Hoogstwaarschijnlijk valt kort na dit briefje een ander ongedateerd briefje van Bakhuizen van de volgende inhoud: ‘Amicissime! Ik heb heden morgen weder op nieuw de koorts gehad en ben eerst sedert een paar uren weder bij de hand. Ik kan mij dus met de beste wil niet haasten al liepen alle mogelijke drukkerijen van de wereld er door in de war. Plaats dan v. Hasselts stuk. Ik heb weinig zin om op den duur genoegen, gezondheid, tijd en noodige werkzaamheid voor mijn vak aan een boekverkoopersonderneming op te offeren. Intusschen met leedwezen verneem ik ook uwe ongesteldheid en derhalve hiernevens de mislukte recensie voor zoo verre zij af is, die de blijken zal dragen van uit een ongesteld ligchaam (want ziel is er niet in) voort te komen. Spin en Beyerinck zou ik wel willen geesselen. Vaarwel tt. v.d. Brink
P.S. In gevalle kunnen de recensien met geen Romans beginnen.’ (U.B. A'dam, resp. Al 11 aq en Al 11 ar)
Amice!
De tijd die mij deze week overschoot, heb ik geheel en al aan de lezing en herlezing van Scholtens Dissertatie besteed - dit verklaar ik u op mijn eer - ik wenschte er mede klaar te zijn en ben echter naauwelijks met mijne recensie begonnen want de zaak heeft te veel moeijelijks dan dat ik zoo spoedig iets billijks



Brief van Potgieter aan Bakhuizen van den Brink,
met diens antwoord op de achterzijde.
grondigs en bescheidens daarover zou kunnen schrijven. - Het behoort te veel tot mijne eigenlijke studie dan dat ik daarover luchtig zou kunnen heenloopen en lapwerk leveren wil ik eens vooral niet.322
Zoo spoedig Scholten af is zet ik mij aan Vondel. -323
Dus de jongen van Spin gaat Maandag zonder kopij naar huis. Het is al te exigeant van den drukker om voor dat de maand October verstreken is kopij voor December te vragen.
Scholten kan hij krijgen met het einde dezer maand. Vondel tegen den 6 of 7 November. - En hierbij blijft het.
Hiermede gaat Scheltema - of neen hij gaat niet. In den chaos van mijn kast vind ik van de wijze Anna en de schoone Tesselschae noch spoor noch schaduw.324 Morgen ochtend zal ik u het verlangde boek zenden en morgen avond kom ik wel eens aan. Vale.
T.T.
V.d. Brink