terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan E.J. Potgieter
Amsterdam, ± 7 november 1837.*

[Amsterdam, ± 7 november 1837]330

Amice,

Hiernevens het schetsje van Kaiser. Geheel voldoet het mij niet: vooral komt mij het bovenlijf van Fr. Hals nog al misteekend voor. Er is eigenlijk niets bijzonder piquants in het geheel. De leerlingen vind ik beter geteekend maar - het zijn alle goede jongens.331 - Ik heb gisteren met een dikken wang te huis gezeten en denk heden hetzelfde te doen. Ik hoop u het slot van Vondel vandaag nog te zenden. Gaarne zou ik het u brengen, doch gij weet de reden. Schikt het u eens bij mij aan te loopen zulks zal mij dubbeld aangenaam zijn. Denk niet dat ik uwe welwillendheid wil omkoopen maar ontvang hiernevens een kaartje voor onzen vriend. Ik kan morgenavond nog niet uitgaan. Gij wilt het welligt niet. In dat geval zal ik onzen geleerden Doctor zijn entreebillet terugzenden.332 - Wat heeft Immerzeel in de Muzenalmanak gekletst?333

 

[handtekening ontbreekt]

*Collectie Potgieter. Univ.bibl. Amsterdam. Al 11 ap.
330De datering berust op de belofte van Bakhuizen, in de vorige brief gedaan, Vondel tegen 6 of 7 november te zullen zenden.
331Dit is Potgieters schets Frans Hals en zijn dochter in De Gids 1837, Mengelingen, p. 423-444. Met een gravure van J.W. Kaiser.
332Dat is dus Heije.
333Dit kan doelen op De vrouw van genie. Naar 't Fransch van Paul de Koek in de Muzenalmanak voor 1838, p. 54-61 of op Tharand's Heilige Hallen. Naar het Hoogduitsch van Richard Roos, ibid. p. 198-212.
prepostterug  begin  verder