terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan E.J. Potgieter
Amsterdam, december 1838.*

[p. 183]

[Amsterdam, december 1838] 389

Amice!

Hiernevens het Cast. Meisje,390 uw haat en afgrijzen en de mijne om de waarheid te zeggen. Blijft uw oordeel nu gij het in druk ziet even gestreng het zal en moet geraieerd worden. Zeg mij uwe uitspraak s.v.p morgen eens mondeling. - Hebt gij nog iets ter aanvulling? Sivaart de Sicke391 heeft F.392 met harpijen-klaauwen beetgepakt. Anders zou ik u het begin van iets nieuws voorlezen dat geschikter was voor Dameslectuur in de T.393 dan voor de koffijhuisbezoekers van den Gids. Enfin gij moet decideeren

 

tt

V.d.B.

*Collectie Potgieter. Univ.bibl. Amsterdam. Al 11 w.
389Dit briefje kan op grond van de inhoud gedateerd worden op einde 1838. Het Castiliaansche Meisje is al ten dele in de eerste aflevering van 1839 geplaatst, zodat de drukproeven in december van het vorige jaar gecirculeerd moeten hebben.
390Het Castiliaansche Meisje is door Groenewegen in zijn Bibliographie der werken van Everhardus Johannes Potgieter onder nr. 285 met aarzeling aan Potgieter toegeschreven. Hier blijkt nu wel, dat hij niet de schrijver was.
391Sivaert Sicke, de novelle van Bakhuizen in Tesselschade, jaarboekje voor 1840, p. 1 vv.
392F. = Frijlink, de uitgever van Tesselschade.
393Tesselschade.
prepostterug  begin  verder