terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan E.J. Potgieter
Amsterdam, laatste kwart van 1839.*

[Amsterdam, laatste kwart van 1839] 405

Amice!

Hiernevens de proef waarop ik eenige aanmerkingen heb opgeteekend. Jammer dat de krankzinnige de moord der Stures verhalen moet. Het tragische van het geval wordt misschien den lezer niet regt duidelijk. Mij altans was alles helderder toen ik uit uwen mond het verhaal hoorde dan nu ik [het] uit die van Erik lees. Is het niet mogelijk den krankzinnige voor een oogenblik den mond te snoeren

[p. 188]

om den schrijver aan het woord te laten komen. - Maar misschien is het te laat en dan is mijne aanmerking onbeleefd.406

Midsommar407 vind ik tot dusverre zeer mooi. Beyerinck is verlegen om den eersten brief van den Heer Ouwerkerk de Vries aan de Redactie van den Gids. Ik heb hem reeds naar v.H.408 gerenvoyeerd bij wien ik meende dat alle papieren van de Gids berusten. Doch deze zegt dien brief niet te hebben. Reeds gisteren had ik er u naar willen vragen: doch het ontging mij. Zie S.V.P. eens onder uwe papieren.

 

T.T.

V.d. Brink

*Collectie Potgieter. Univ.bibl. Amsterdam. Al 11 au.
405Op dezelfde grond als bij de voorgaande brief wordt deze geplaatst in het laatste kwart van 1839.
406Dit gaat andermaal over ‘Eene zamenspraak op het slot Westerås’.
407Bedoeld is ‘Mid-sommar te Stockholm’ in Het Noorden II (Werken IV, 1886), p. 185-248.
408v.H. = van Hasselt.
prepostterug  begin  verder