terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink aan J. ter Meulen Hzn.
Amsterdam, 18 november 1839.

Uit deze blief blijkt, dat het met de correspondentie tussen Bakhuizen en Ter Meulen op een eind loopt. Er is juist een jaar verlopen sinds de vorige brief en ook de ondertekening is zo formeel, dat het niet verbaast hiermede het slot van de briefwisseling tussen hen beiden voor ons te hebben.

[18 November 1839] 409

Waarde Vriend!

Ik had gehoopt heden ochtend tot een langen brief al den tijd te zullen hebben; maar herhaalde ophoudingen maken het mij moeijelijk zoo veel te schrijven, als ik wenschte. Beginnen wij daarom met het voornaamste en dat is uw engagement.410 Ook zonder mijn schrijven kondt gij gissen dat mij zulks veel genoegen deed: maar gij hadt wel een weinig verdiend dat ik u niet aanstonds feliciteerde. Want uw brief was een meesterstuk van verliefden stijl, zoodat er overal van Zij en haar gesproken werd, als ware Zij en Haar zooverre bekend als er menschen woonen. Vergeef mij echter mijne onwetendheid. Uwe eerste brief onderrigtte mij slechts dat er eene Zij was, en dat gij op Haar zoo verliefd waart, als het mogelijk is verliefd te zijn maar zij gaf mij geenerlei aanduiding wie die Zij was, en waar te vinden. Het laatste heb ik echter uit uw allerlaatsten brief bij consequentie op kunnen maken. - Wat het eerste betreft is haar beeld met zulke

[p. 189]



illustratie
Laatste brief van Bakhuizen van den Brink aan Jan ter Meulen

[p. 190]



illustratie

[p. 191]



illustratie

[p. 192]

onuitwischbare trekken in uw ziel geprent, dat het bij u op den naam niet schijnt aan te komen, dat echter voor uwe vrienden van heel veel belang is. - Ik wenschte even opregt als gij uw voorbeeld te kunnen volgen, te meer daar Jan Remmers411 mij eene beschrijving van uwe princes gegeven heeft, die mij blijken gaf, dat uw voorbeeld goed en aanmoedigend was. - Doch wat wilt ge dat ik doen zal? De liefde naloopen, die ons toch van zelf wel te eeniger tijd komt opzoeken en uit den sluimer trekken? Ik geloof dat gij [dit] evenmin als ik verstandig zoudt vinden. - En daarom wensch ik u van harte geluk omdat en dat gevoel bij u levendig [is] en eene zoo gewenschte bevrediging vindt. Maar schrijf mij [n]u ook heel veel over uwe schoone. Mij dunkt die taak moet u zoo aangenaam zijn dat ik eerlang op een alleruitvoerigste brief mag rekenen. Geen enkele der kleine details wil ik u schenken, want ik lees altijd met genot de ontboezemingen van recht gelukkigen.

Hiernevens de Basia van Janus Secundus.412 Geluk met de kennismaking, slechts vrees ik dat zij u zal tegenvallen. Want de oude dichter is wel eens wat - liederlijk had ik bijna geschreven, doch zeker is het dat hij voor een verliefd hoofd te weinig aetherisch en Platonisch zal zijn. Lees hem in allen gevalle eens zelf van het begin tot het einde eer gij hem in een net marokijnen bandje en verguld op snede de reis naar Haarlem laat ondernemen. Hiernevens ook nommer 8 van de Gids. Het stuk, dat u bevalt en dat ook ik nog al aardig vond is uit het Duitsch vertaald. Het werk waaraan het ontleend is heet Demokritos413 en bevat acht deelen grootendeels met de scherpste satire opgevuld. Schrijver er van is een zekere Weber414 of hij leeft en waar, dan of hij reeds ter zielen is weet ik niet, en daarom kan ik niet aannemen hem uwe hulde overtebrengen.

Wat mij betreft ik ontving juist op het oogenblik een pak van Leiden inhoudende andermaal een brok mijner dissertatie verrijkt met de aanmerkingen van Prof. Bake, die aanmerkingen maakt omdat hij er als promotor voor betaald wordt. Gij kunt daaruit opmaken op welke hoogte mijn werk [is]. Het vordert, maar het vordert langzaam. Moge dat slechts niet de eenige overeenkomst zijn, die het heeft met hetgeen goed is.

Wat zal ik u voor Amsterdamsch nieuws mededeelen? Het meeste weet ge b.v. dat Do. Riehm naar Groningen beroepen is als Professor.415 Ik durf zeggen en neem aan te bewijzen dat dat eene slechte keuze is. Maar het schijnt dat wij den tijd der ongelukkige verkiezingen beleven. Wij hebben hier b.v. in de Hollandsche

[p. 193]



illustratie
Zie p. 194
Uit: Tesselschade, Jaarboekje voor 1840


[p. 194]

letterkunde een Professor gekregen die mogelijk een volmaakte koekebakker is, maar zeker een ellendig redenaar en lam letterkundige.416 En te Utrecht wordt er met de vervulling der vacature van v. Heusde zoo gedraaid geknoeid en gehaspeld dat men alle reden heeft om een zeer slechten uitslag te verwachten.417

Het pakje moet weg en daarom spoed ik mij naar het einde echter niet zonder u de hoop te geven, dat ik eerlang eens weder de pen zal opvatten en dan niet schrijven op een tijd dat ik zoo gehaast ben als thans.

Ontvang met de uwen mijne hartelijke groete, en vergeet vooral niet die aan uwe beminde overtebrengen en haar te zeggen hoe hartelijk er in uw geluk deelgenomen wordt door

 

Uwen ouden vriend

RC. Bakhuizen v.d. Brink

409De datering van deze brief is door de bekende moderne hand met potlood geschied. Waarschijnlijk berust deze op de kennis van de datum van de verloving, waarvan hier sprake is.
410J. ter Meulen is verloofd met Christina Henrietta Bohn (1806-1892), waarmede hij in 1840 in het huwelijk zal treden.
411Schoolvriend van Bakhuizen en Ter Meulen.
412Janus Secundus (eig. Joannes Nicolai), die leefde van 1511-1536, is vooral bekend door zijn op de antieke lyrici en Italiaanse dichters geïnspireerde Latijnse liefdedichten Basia, die vele drukken en vertalingen beleefden.
413Bedoeld is Over neuzen (Uit Democritus) in De Gids 1839, Mengelingen, p. 337-348.
414Karl Julius Weber (1767-1832) rationalistisch satyricus, schreef o.a. Demokritos oder hinterlassene Papiere eines lachenden Philosophen. 12 Bde (1832-1840).
415Johann Carel Riehm, uit Duitsland geboortig, kwam in 1814 in ons land, studeerde te Utrecht theologie, waar hij in 1821 promoveerde. In 1829 werd hij predikant te Amsterdam. Het beroep naar Groningen wees hij af.
416Dit is N.G. van Kampen (1776-1839), die in oktober 1829 als opvolger van J.P. van Cappelle tot hoogleraar in de Nederduitse taal- en letterkunde en vaderlandse geschiedenis werd benoemd. Een veelschrijver en als docent niet in trek.
417Vgl. noot 120. Van Heusde is in 1840 opgevolgd door Simon Karsten.
prepostterug  begin  verder