Zoals uit de brieven van Ter Meulen aan Potgieter blijkt, heeft de eerste een brief aan Dr. C. Boon geschreven, die hij ter verzending aan Potgieter zond en waarin hij om inlichtingen over Bakhuizen ten behoeve van Potgieter verzocht. Boon heeft daarop een brief met inlichtingen aan Ter Meulen gericht, maar aan Potgieter gezonden met verzoek deze brief aan Ter Meulen door te zenden. Dit doet Potgieter met deze begeleidende brief, waarin hij duidelijk doet blijken door Boons houding geïrriteerd te zijn, zoals hij dit ook te kennen geeft in Bakhuizens biografie p. 92-93. Boon weigerde nl. de in zijn bezit zijnde brieven van Bakhuizen ter inzage te geven en had het plan te bepalen, dat ze na zijn dood vernietigd moesten worden.
De teleurstelling van Potgieter is te begrijpen, omdat Boon een van Bakhuizens oudste vrienden was, zodat de brieven wel nieuwe gegevens konden bevatten. Die verwachting was des te meer gerechtigd, omdat de mededelingen van Boon in zijn brief aan Potgieter bepaald niet zonder belang waren. Dat blijkt uit het uittreksel, dat Potgieter voor zichzelf vervaardigde en waarvan wij hier enkele passages laten volgen voor zover het uiterst moeilijk te ontcijferen schrift van Potgieter dit toeliet. Hij heeft op p. 90-91 van zijn biografie deze aantekeningen gebruikt, die in de collectie Potgieter het nr. Ag 193 dragen.
‘Hadde wie over hem voor 't publiek wil schrijven achter zijn een- twee en twintigste jaar te zetten: Obiit - proh dolore! eerlijkheid, edelheid, vroomheid moesten dan zijn grafschrift zijn.’
‘Gij leerdet hem bij Kakebeen kennen, ik hem (Latijnsche jongen) bij Broes, bij Wolterbeek, Kakebeen ter kerk. We waren toen eens geestes kinderen, bar tegen de orthodoxie, goed zuiver Evangelisch.’
‘In de eerste studiejaren zette hij zich ter beantwoording van de Metempsychose, maar hij bracht zoo veel bijeen en zocht zoo lang dat de tijd om was.’
Veel Geachte Vriend!
Hiernevens gewordt u een schrijven van Ds Boon, dat ik ontving met een snippertje papier waarop hij mij verzoekt dit te lezen, en het U daarna toe te zenden.
Ik voldoe dien wensch, nadat ik er eerst het voor mij belangrijke uit opteekende.
Ds Boon schijnt mij een goed, een gemoedelijk man te zijn; maar ik kan de gedachte niet van mij weeren dat hij tevens een bekrompen mensch is!
Hoe vindt Ge bv den wensch dat v.d.B. jong mogt zijn gestorven.
En dan die passage over de brieven! Het geheim dat hij niet mee mag deelen zal wel de episode der verliefdheid op Juf. Wildschut zijn.
Wat dunkt U - zullen wij het er bij laten of zult Gij hem opsturen van brieven vragen.
Mijnerzijds [vervolg van de zin onleesbaar].