terug  begin  verderprepost

H.J. de Haan Hugenholtz aan E.J. Potgieter
Haarlem, 8 januari 1870.*

Nadat de Haan Hugenholtz op 11 november 1869 aan Potgieter op zijn verzoek nog inlichtingen gegeven had over een aantal van Bakhuizens vrienden en bekenden, van wie er vele al gestorven bleken te zijn volgde als antwoord op een nieuwe vraag van Potgieter deze brief. Blijkbaar had Potgieter gevraagd naar herinneringen omtrent het feestelijk herdenken in 1827 van het 25-jarig bestaan van het gezelschap I.A.A.A.A., door Potgieter beschreven in zijn biografie p. 120-124. Hier weet de Haan Hugenholtz niets van, maar wel weet hij iets te vertellen van het potverteren op een zomerdag. Het weinige, dat hij hierover mededeelt is door Potgieter op p. 131-133 op merkwaardige wijze uitgewerkt.

Haarlem 8 Jan.y 70.

WelEdele Heer!

Ik ontving uwe vriendschappelijke letteren van 5 dezer en voldoe gaarne, voor zooveel ik daartoe in staat ben, aan uw verlangen naar eenige inlichtingen. Eerst evenwel breng ik U mijn hartelijken dank voor uwen heilwens aan mij en de mijnen, terwijl ik wederkeerig U van heeler harte alles goeds toewensch en in 't bijzonder ook eene goede gezondheid, waardoor gij in staat moogt zijn, naar uw verlangen, in onderscheidene opzigten werkzaam te zijn! Heb dank tevens voor uwe belangstelling en deelneming in de Promotie van mijn zoon: ik behoef u niet te zeggen, dat het mij eene groote vreugde is, hem op zoo eervolle wijze zijne Akademische loopbaan te zien besluiten en niet minder hem zich, voorloopig altans, hier als Advokaat te zien vestigen: als er nu maar eenige praktijk mag komen: doch dat zal hier wel niet overvloedig zijn: nu zou het toch ook in elke andere plaats voor een pas optredend Adv. wel niet gemakkelijk zijn aan den gang te komen. Ik heb hem uwe felicitatie overgebragt. Ontvang zijn dank: Wij willen hopen, dat een beter saizoen de gelegenheid zal aanbieden, om de kennismaking voort te zetten!

Wat nu uwe vragen betreft zoo moet ik op de eerste het antwoord schuldig blijven. Mij heugt niets van een souper ter viering van het 25 jarig bestaan van

[p. 225]

I.A.A.A.A. hoezeer ik toch, naar ik meen in de jaren 28 en 29 tot de leden van dat Gezelschap behoorde: evenwel, als dat souper in 't laatst van 29 heeft plaats gehad, kan ik wel reeds als lid afgetreden zijn: want ik meen dat ik maar twee jaren er in geweest ben: ik kreeg het toen met de Theol. studien te druk om twee gezelsch: aan te houden. Maar wel heugt mij een aangename dag, als wij in 't begin der zomervacantie, gezamenlijk de boeten gingen verteren in de omstreken van Haarlem, eerst per trekschuit tot Halfweg, vandaar wandelende naar Zandpoort, vdnr [= vandaar naar] Brederode, tot Zomerzorg om daar te dineren en 's avonds per rijtuig naar Arnst. terug te keeren: waarbij B v.d. Br. niet de minst opgewondene van ons troepje was. - Ook met het andere gezelschap, L.O.S. hebben wij, meen ik, ook eens zulk een uitstap gemaakt. De twee andere literarische gezelschappen waren in dien tijd I.E.C. (doch van welke woorden deze drie letters de initialen waren, kan ik mij volstrekt niet herinneren)453: en Musis studiisque dicatum,454 dat gewoonlijk alleen Musis genoemd werd. Hun doel was een dergelijk als het onze: I.A.A. etc. en zoo werden dan ook de aankomende studenten gewoonlijk tot een van die drie uitgenoodigd: maar I.A.A.A.A. had de beste reputatie, wat betreft de werkzaamheden: in de andere werd minder uitgevoerd, meer gedronken en gejoold,. ook, meen ik, waren die meer voor de haute volée. - Ik begrijp niet, hoe er van ons gezelschap, paperassen op de Stadsbiblioth. verzeild geraakt zijn!. -

Het kan zeer wel zijn, dat er onder de leden van L.O.S. een van Hengel455 geweest is, maar dat moet dan geweest zijn, vóór 1827: want toen ik aankwam, was er geen v.H. meer in Amst. - Het zal waarschijnlijk geweest zijn, de oudste zoon van Prof. v. Hengel: die in 't begin van 27 als Prof. van het Athen. te Amst. naar Leijden overging. Die zoon Jac. heeft toen nog te L. een poos gestudeerd, eerst Theol. toen Rechten: doch is geëindigd met Burgemeester op Wieringen te worden en daar, meen ik, overleden. De Heer Stroeve is dezelfde die later Predikant te Amst geweest is en daar gestorven.456 De heer Kuijper was in 26 en misschien in 27 proponent en woonde toen te Amsterd. later is hij predikant geworden en is dit nog, in leven, en wel te Leijden.457

Meer weet ik, voor 't oogenblik u niet mede te deelen. Vele bijzonderheden van mijn eersten studenten tijd zijn mij natuurlijk ontgaan, na een tijdsverloop van meer dan 40 jaren: soms duikt er nog wel eens, toevallig, het een of ander op: mogt dit het geval zijn, met het een en ander, waarin B.v.d. Br. betrokken was,

[p. 226]

dan zal ik het noteren en bij gelegenheid u mededeelen. Wilt gij mij nog iets vragen, ontzie mij daarin niet: gaarne antwoord ik, wanneer ik er toe in staat ben.

Ontvang ten slotte mijne beste wenschen en wees verzekerd van de hoogachting van

 

Uw Dr. en Vriend,

 

H.J. de Haan Hugenholtz.

 

Met belangstelling had ik in de courant den naam van R.C.B. v d Br. vermeld gezien als uitgezeild naar Java, ik vermoedde wel, dat deze een zoon van onzen B. zou zijn458: uwe mededeeling doet mij zien, dat ik juist gegist heb.

*Collectie Potgieter. Univ.bibl. Amsterdam. Ag 1 107.

453I.E.C. = Industria et Concordia, een der algemene disputen, op 11 oktober 1811 opgericht.
454Musis Studiis Que Dicatum (M.S.Q.D.), ongeveer van hetzelfde karakter als I.A.A.A.A., was op 13 november 1807 opgericht.
455J. van Hengel was als theologant in 1826 te Amsterdam ingeschreven, maar werd in 1827 al ingeschreven te Leiden, waar zijn vader hoogleraar was geworden. Van Hengel was in 1826 tegelijk met Bakhuizen lid van L.O.S. geworden.
456Dit is wel Jacob Stroeve, die van 1819-1822 theologie in Amsterdam studeerde.
457J.F. Kuyper studeerde 1823-1825 theologie te Amsterdam. Hij en Stroeve worden in Potgieters biografie op p. 99 vermeld.
458Charles René Bakhuizen van den Brink (1850-1923) is Directeur van Financiën in Ned.Indië geweest en daarna resident van Batavia.
prepostterug  begin  verder