Met groote vreugde vernam referent het berigt van de verdediging des Heeren van brederode door den Heer van hall.
Het werk des Heeren groen van prinsterer, Archives de la Maison d'Orange-Nassau, is niet alleen om zijn' inhoud voor onze geschiedenis onschatbaar, maar verdient ook om de wijze, waarop het uitgevoerd werd, hoogen lof. G.v.P. spreekt in het aangekondigde antwoord van ‘jaren, aan de bestudering der oorkonden van het tijdperk (van willem I) te koste gelegd.’ Met bescheidenheid verzekert hij, bl. 18: ‘Ik weet niet, of ik wel gedaan heb, zoo veel tijd, dien ik aan de uitgave van stukken had kunnen wijden, aan de toelichting te besteden; maar vele der aanteekeningen hebben mij onbeschrijfelijken arbeid gekost.’ - Voorzeker heeft hij er wel aan gedaan; immers, schoon zijn voorbeeld ons, bij de behandeling onzer geschiedenis, uit den eentoonigen slenter van napraten en zelfvergoden nog in geen fikschen stap hebbe overgebragt; de heterodoxie, waaraan men zich bij hare beoefening kan bezondigen en waarvan bilderdijk het voortdrijvende had bewezen, zoowel als de wederlegging der meeningen van dezen, is door G.v.P.
aan de wetten van grondige historische kritiek onderworpen geworden. Als proeve van dieper doortastend navorschen is groen van prinsterers arbeid voortreffelijk, en wat hij van de bestede studie verzekert, gelooft referent ten volle, niet om den eerbied, dien hij den Heer G.v.P. toedraagt, maar uit eigene ervaring. Voor een bepaald doel waren de Archives, inzonderheid de drie eerste deelen, - opdat ik in eigen persoon spreke, - mijne gezette studie; geene bladzijde, bijzonder van het tweede deel, waar ik niet mijne aanmerkingen heb bijgekrabbeld. Het zijn deels aanhalingen ter bevestiging van het door G.v.P. gestelde, vaak uitbreidingen van zijne dikwijls veelbeteekenende kortheid, op andere plaatsen, - waartoe het verheeld? - verbeteringen, zoo ik meen, waar ik geloofde, dat de uitgever dwaalde. Wij geeselen onze eigene traagheid al te vaak met het verwijt, dat de Belgen zoo veel meer voor het onderzoek hunner geschiedenis doen dan wij; maar indien slechts eerzucht het doel, ijverzucht het beginsel der studie ware, dan zou de arbeid van G.v.P. een fonds zijn, waaraan vele onzer landgenooten de vergunning tot luijeren mogten ontleenen. Naast de Archives ligt op mijne tafel de Correspondance de Marguerite d'Autriche, uitgegeven door den in zijn vaderland hooggeplaatsten Baron de reiffenberg. Maar welk een onderscheid! In de schrale verzameling van reiffenberg zijn de enkele brieven vaak misplaatst, omdat de uitgever in de bepaling van het jaartal harer dagteekening herhaaldelijk mistastte. In den overvloed van stukken, door groen medegedeeld, komt zoo iets nooit voor; indien hij zich een paar malen in de chronologische orde moge bedrogen hebben, geldt dit slechts weinige dagen. Ik ben deze hulde aan den Heer groen te eer verschuldigd, dewijl ik de vrijheid moet nemen in de beschouwing en beoordeeling der hoofdzaken van hem te verschillen. Ik wijt dit verschil meer nog aan strijdige beginselen, dan aan zijn onderzoek. Maar ook het onderzoek des Heeren groen deelt de feilen der mensche-
lijke natuur; daarbij kaatsen dwalingen van het oog en dwalingen van den wil elkander, meestal onopgemerkt, den bal toe. Groen behoort tot de school van bilderdijk; maar hij is der school ontwassen, en brengt haar op zijne beurt verder. De oorspronkelijke rigting echter blijft, en hetgeen bij dezen paradoxie was, den strijd meen ik, met hetgeen in onze geschiedenis de overlevering scheen te hebben geheiligd, is bij hem voorzigtiger gewijzigd tot partijdig wantrouwen jegens die overlevering. Ik wil verder gaan: die rigting is bij groen door wijsgeerige of, wilt gij, godsdienstige beschouwingen stelselmatig geworden. Ik zoek naar geene karikatuur, maar naar eene formule, en ik meen het eerlijk, wanneer ik, als uitdrukking van het beginsel in groens beschouwing der geschiedenis, als dogmen opgeef: 1o. dat de kracht en de waarde van iedere gebeurtenis in zijn oordeel afhangt van de kracht en de waarde des geloofs, waardoor zij tot stand werd gebragt; 2o. dat het beginsel van den staat, door God zelven onmiddellijk gegeven is, en dat de hoogste ontwikkeling van den staat is: terugkeering tot dat beginsel, in welken vorm zich ook de theocratie hebbe geopenbaard. Nu kan men, louter bespiegelend, beginsel tegen beginsel laten strijden; maar hoe wetenschappelijk ook, die strijd kan te dialektisch gevoerd worden. Voorzeker is er, onder alle onze schrijvers, geen beter meester in dialektiek dan groen; want weinige zijn meer klassiek en hebben door grondiger studie die kunst aan plato afgezien; en evenwel vervelen zich de toeschouwers bij zulk een' dialektischen kampstrijd. Laat men daarentegen de dialektische strengheid varen, dan komt er zelden eene degelijke afdoende disputatie tot stand; meestens van beide partijen een wat declamatorisch gesteld programma, waarbij beide hare eigene meeningen overdrijven. Een andere weg is minder wetenschappelijk, is ietwat willekeurig, wordt zelden ten einde bewandeld, omdat hij wat lang is, maar is zeer populair, en aanvankelijk kan men het op dien weg eenige stappen verder brengen. Het is de toepassing der afgetrokkene beschouwing op enkele gedeelten der geschiede-
nis. ‘Verklaar mij,’ heet het, ‘uit uw standpunt die gegebeurtenis, dien toestand, dien persoon! ik zal het uit het mijne doen.’ Wanneer ik tot zulk eenen wedstrijd met den Heer groen én roeping én moed had, zou ik willem I kiezen, omtrent wien mijne beschouwing geheel van de zijne afwijkt. Misschien, omdat deze stof wat rijk van omvang is, zocht ik een ondergeschikter persoon uit, - waarom het verzwegen? - hendrik van brederode, bij voorbeeld. Ik was blijde, dat de Heer van hall die taak had op zich genomen.
Ik wist, dat dierbare herinneringen den beroemden grijsaard aan den erfgrond der brederode's verbonden: ik verwachtte daarom liefde tot het onderwerp, die misschien tot nieuwe mededeelingen, maar zeker tot diep onderzoek leiden zou. Ik vertrouwde van de kalmte, zijnen leeftijd eigen, dat hij, zoo dat onderzoek geen voldoende resultaten mogt opleveren, het voorwerp zijner liefde zou prijs geven, ten minste laten rusten; omdat zoete heugenis der kindsheid en ouderlijke mededeelingen die liefde wel kunnen verontschuldigen, als men in poëzy de herinneringen des verledens herdenkt; maar die liefde toch aan het licht zouden brengen als vooroordeel, wanneer men met niets beters gewapend zijne voorstellingen op historisch gebied zou willen overbrengen. Wij meenden ons overtuigd te mogen houden, dat de Heer van hall in zijne jeugd andere meeningen had ingezogen, en die in mannelijken leeftijd, ja zelfs tot in zijne grijsheid toe, had voorgestaan, dan de begrippen, door den Heer groen en zijne meesters gehuldigd; zoodat hij te midden der beschouwingen dier school met barneveld zou hebben kunnen zeggen, dat men hier andere regels volgde dan men plag. Wij verwachtten de werkzaamheid van dat andere historische beginsel bij dit onderzoek; wij vleiden ons met eene gedeeltelijke afbreking van het gebouw der dwaling, dat, wij moeten het erkennen, hecht en wel zamengevoegd is, en waarvan de naden met kunst zijn overgepleisterd.
Wat wij vonden, moge ons verslag u leeren.
Ten eerste: vrij wat klassieke citatiën en onnoemelijk vele vrienden, die in liefde worden bedacht. Men vergeve het recensent, zoo hij bij zich zelven ook eene klassieke citatie maakte uit horatius:
Behalve deze, geeft het eerste hoofdstuk ons een verslag van de geschiedenis van brederode's naroem, en van de beschuldigingen, door schiller, bilderdijk, van kampen en de gerlache tegen hem ingebragt. Groen heeft te regt geantwoord (Antw., bl. 3-6), dat hij voor de oordeelvellingen van die allen niet aansprakelijk was. Wij mogen er bijvoegen, dat, ware het van hall gelukt een' kampioen als groen ten onder te brengen, hij gerust had kunnen zijn op het gehandhaafde regt, en de overigen aan anderen overlaten, met de woorden van den scherpregter des Prinsen de rohan: ‘vous autres, vous me pendrez cela.’ Met hetzelfde regt verzoekt groen, dat van hall hem niet verge gezag toe te kennen aan den drom van dichters, die brederode prezen, en waarvan de optelling eenige bladzijden der Verdediging beslaat. Hoe gaarne hadden wij deze gemist voor eene grondiger uiteenzetting van hetgeen van hall over het vergoêlijken der daden van granvelle, alva en filips zegt. Waarom is hij bij het algemeen gebleven? Het spijt ons, want het trof de beschouwingen van groen in het hart. Deze werd er warm over, en maakte dit punt tot het derde en tot het hoofdgedeelte van zijn Antwoord. Van hall roerde het slechts in het voorbijgaan aan; groen hield hem staande, vroeg rekenschap, werd hevig, ja zelfs rhetorisch! Het was onvoorzigtig van van hall zijne aanklagte niet uitvoeriger te motiveren; groens antwoord getuigt van zijn talent, - of hij zich en zijne school van de blaam voldingend vrijpleitte, moge uit eene volgende beschouwing
blijken. Ten opzigte van het hoofdpunt, het karakter van brederode, komen wij in het derde hoofdstuk van groen, evenmin als in het eerste hoofdstuk van van hall, een' enkelen stap verder.
In het tweede hoofdstuk beantwoordt de Heer van hall de vraag: Of het uitgeven van brieven van brederode, waaruit groen zijne beschuldigingen geput heeft, en in het algemeen het uitgeven van vertrouwde brieven van overledenen regt en betamelijk zij? De uitspraak is ontkennend. Zij bevreemdde, zij bedroefde ons; maar zij heeft in het belang van wetenschap en waarheid eene uitvoerige verdediging van groen uitgelokt, die het tweede gedeelte van diens Antwoord uitmaakt, en waarover wij eerst later hebben te spreken. Vreemd genoeg, laakt van hall intusschen later brederode zelven slechts even, omdat hij de brieven van de la torre had laten wegnemen, en zegt met eene soort van sarcasme: ‘Dat de latere staatkunde zoo iets als een fait accompli zou hebben aangenomen.’ Helaas, zoo is de wereld! Daar het ons om brederode's Verdediging te doen is, nemen wij ook het openbaar maken zijner brieven als een fait accompli aan. - Buitendien zou, met betrekking tot brederode's brieven, meer de bedoeling van groen berispelijk zijn, dan zijne daad gevaarlijk, omdat, volgens van hall, die brieven zijne eigene verdediging niet omver werpen, maar deze integendeel daarop gebouwd is. De Heer v. hall wenscht eindelijk, dat men ook de brieven van lodewijk van nassau had kunnen vergelijken, waarop die van brederode meestal het antwoord behelsden. Wij wenschten het met hem; wij waren daardoor van eene uitweiding verschoond gebleven, die van eene dwaling uitgaat en in eene dwaling eindigt. Het zou ons bevreemden, dat groen hiertegen niet is opgekomen, zoo hij niet zelf tot het misverstand aanleiding had gegeven.
Van kampen, namelijk, had in zijn' Lodewijk van Nassau, bl. 42, brederode van ongodsdienstigheid beschuldigd, om de wijze, waarop deze in een' brief van 17 Junij 1565,
uit Vianen aan lodewijk van nassau berigt gaf, ‘dat bij hem’ - zoo luidde van kampens overzetting - ‘eene partij Bisschoppen was teruggekomen, van welke hij wenschte, dat het ras ware uitgestorven, omdat het gierig, brutaal, koppig en opgeblazen was van trots.’ Brederode bediende zich bovendien van eene benaming, die van kampen onvertaald liet, maar welke van hall, op de voor de betrokkene personen ongunstigste wijze heeft verklaard (Verdediging, bl. 212). Vervolgens zoekt van hall de waarheid van brederode's woorden te staven door een overzigt van het zedenbederf der geestelijken in dien tijd, bij welke zelfs de onnatuurlijkste misdaad niet vreemd was, en onderstelt de mogelijkheid, dat er onder brederode's ‘bezoekers’ te Vianen ook wel misdadigers van die soort kunnen geweest zijn. Nu is er echter in het geheel van geene ‘bezoekers’ bij brederode sprake, en geen der beide schrijvers deed zich de vraag: Wat, in 's hemels naam, de bisschoppen in 1565 bij brederode kwamen doen, die zeker hun vriend geenszins was en bovendien een erkende ketter. - Brederode, opdat wij een einde aan den strijd maken, verwachtte Prins willem en egmont bij zich te Vianen; daarmede stond zijn eigen reisplan naar den Hertog van Kleef in verband. Hij verlangde naauwkeurig berigt, wanneer zijne gasten komen zouden, en met hetzelfde doel had de Hertog van Kleef eenen edelman naar Vianen gezonden. Ziehier nu de woorden des briefs (Archives I, p. 248): ‘J'ey retenu le dyct gantylhomme jusque à cest heure, panssant que me randryes quelque responce; quant j'ey ouvert vos lettres, mè rantres de je ne sey quels bequefoutus d'esvesques et presydens, que je voldroye que la race en fusse faylly comme de chyens vers, car aussy byen tant que il seront ne combateront d'aultres armes, etc.’ - Vervolgens: ‘Je vous prye me mander toute responce de poynt à poynt sur ma premyère.’ Groen heeft in zijne uitgave de woorden: mè rantres, verklaard: m'est revenu. Wij gelooven, dat zij slecht gelezen of slecht gekopijëerd zijn. Misschien moet er m'en
randiés gelezen worden; want de n aan het einde van de lettergreep schreef brederode zeer dikwijls niet voluit. (Zie hierna bl. 103 en 111.) - De uitdrukkingen zijn niet malsch: welligt waren zij het ook niet in den brief van lodewijk; maar brederode was bovendien kregel geworden, omdat hij in lodewijks brief geen antwoord op zijne vragen over zijne voorgenomen pleizierpartij, maar daarentegen vele woorden over bisschoppen en presidenten had gevonden. En welke waren die? Op geen' van allen paste denkelijk de beschuldiging dier grove zedeloosheid, welke men anderen geestelijken te laste legde. Het waren rithovius, Bisschop van Yperen; havet, Bisschop van Namen; hamricourt, Bisschop van St. Omer; het waren de Presidenten van Vlaanderen en Utrecht, mertens en persyn. ‘Tous gens doctes et excellens et fort suffisans,’ zoo als hopperus verzekert, Recueil et Mémorial, p. 46. Deze waren juist in de maand Junij bijeen, niet te Vianen, maar te Brussel, door de Landvoogdes beschreven ter beraadslaging over hervorming in de leer en kerktucht en tot herziening van de plakkaten. Hun advijs was tegen den zin der drie heeren, oranje, egmont, hoorne, bij welke zich de graaf van mansfelt had gevoegd. Dit gaf in den raad van state tot de gewone haspeling aanleiding: lodewijk had er hoofd en mond vol van, toen hij aan brederode schreef, en hij oordeelde, onder den invloed zijns broeders, natuurlijk niet ten gunste der bisschoppen. Uit het antwoord van brederode leeren wij dus, wat wij reeds wisten, dat hij geen vriend der zoogenaamde kardinalisten was; dat hij niet altoos kiesch in zijne uitdrukkingen bleef, vooral niet, wanneer zijn hoofd warm werd door eene teleurstelling; maar wij mogen hem om dien uitval, met van kampen, niet van ongodsdienstigheid beschuldigen; noch, met van hall, de geestelijkheid bezwaren met eene blaam, die brederode in een oogenblik van spijt op haar wierp.
Vrij uitvoerig heeft van hall betoogd, dat het slechte schrift en de slechte spelling van brederode geene nadeelige gevolgtrekking tot zijn karakter toelaten; groen had zich
zulk eene gevolgtrekking schijnen te veroorloven. Wij gelooven echter, dat deze ook, zonder het lange betoog van van hall en al die voorbeelden van slechte schrijvers door dezen aangehaald, zijne gevolgtrekking gaarne zou hebben opgegeven, welke niets meer was dan een rhetorische pennetrek, dien de strenge kritiek in allen gevalle wraakt. Niemand toch wist beter dan groen, dat egmont b.v. in het spellen geen heksenmeester was, en dat alva, wien het noch aan beradenheid, noch aan helderheid van geest, noch zelfs aan welsprekendheid faalde, zijne letters wild, onleesbaar en onoogelijk schreef.
Het derde hoofdstuk brengt ons iets verder in de voorstelling van brederode, zoo als hij was, en in de wederlegging van groen. Hier was groen het met de latere veroordeelaars van brederode eens, dat deze eene neiging had tot sterk drinken. Onderzoeken wij de processtukken, door beide partijen ter tafel gebragt.
Het eerste bewijsstuk is de verzekering van viglius, Vita Viglii, ap. hoynck van papendrecht, Anal., T. I, I, p. 51, dat brederode zijnen dood door dronkenschap zou hebben verhaast. Van hall merkt op, dat viglius de eenige schrijver is, die dat vermeldt. Groen geeft het toe. Van hall betoogt hier, en nog eens later in het tiende hoofdstuk, dat viglius partijdig en vijandig was. Hij toont vervolgens aan, dat andere Spaanschgezinde schrijvers afwijken van het berigt van viglius, en brederode laten sterven ‘aan razernij ten prooi,’ of ‘op eene ongelukkige wijze.’ Eindelijk geeft hij de verzekering des Graven van hoogstraten op, dat het einde van brederode très-belle geweest was, volgens de verzekering des Graven van schouwenburg, ten wiens huize brederode overleed. Die verzekering wordt bevestigd door een HS., onder van hall berustende, in 1679 opgesteld. Groen had bij de mededeeling des briefs van den Graaf van hoogstraten (Arch. III, p. 170) reeds twijfelend over brederode's uiteinde gesproken. Thans zegt hij (Antw., bl. 22): ‘dat hij (brederode) aan de gevolgen van dronkenschap
overleden is, gelijk sommigen willen, blijkt niet.’ Bescheidener had hij kunnen zeggen: ‘gelijk viglius wil.’ Want op dit artikel van de akte van beschuldiging acht ik, dat van hall tegen groen het pleit gewonnen heeft. Is de zaak daarmede beslist? neen. Want viglius is niet de eenige zegsman. Een ander tijdgenoot, insgelijks een Nederlander, verhaalt, zonder dat hij het verhaal van viglius, of viglius het zijne kon raadplegen, hetzelfde. Ziehier de woorden van pontus heuterus, Rer. Austr. Belgic., L. XVII, p. 425: ‘exul paulo post e calida continuaque febri, quam ex assidua contraxerat ebrietate, obiit.’ Wanneer nu strada zegt, dat hij gestorven is, ‘mota Furiis mente,’ en - hiermede vervalt de bedenking, door van hall gemaakt, dat strada eerst zestig jaren na brederode's dood schreef - als zijn' zegsman opgeeft assonville, in een' brief aan margaretha, dan zien wij in zijne woorden slechts eene vijandige overdrijving van hetgeen viglius en heuterus eene aanhoudende heete koorts hebben genoemd. In plaats dus van het getuigenis eens enkelen tijdgenoots, zoo als van hall onderstelt, hebben wij er twee, misschien drie, viglius, assonville, heuterus. Omtrent allen kan men beweren, dat zij der zaak en den persoon van brederode vijandig waren; maar ik laat mij niet opdringen, dat een van allen het fabeltje, hetzij moedwillig uitgevonden, hetzij moedwillig voortverteld zou hebben, indien brederode's vroeger gedrag er geene aanleiding toe gegeven had. Dat iets dergelijks, hetzij praatje, hetzij laster, te verwachten viel, getuigt hoogstraten zelf in den aangehaalden brief: ‘la fin,’ schrijft hij, ‘at estés fort belle et au contraire de ce que ces calomniateurs l'interpréteront, m'a assuré le conte Joest, qui ferat inprimer le tout.’ Derhalve, omtrent de aanleiding van brederode's dood staat, teǵenover drie vijandige getuigen, het getuigenis van twee vrienden, neen van éénen: van den Graaf van schouwenburg. Ik heb over dien graaf elders mijne meening gezegd: ik heb hem van verraad beschuldigd, en sedert nog
nieuwe bewijzen voor die aanklagt gevonden; maar ook ieder die bedenkt, dat het diezelfde Graaf was, welke, als Stadhouder van Friesland, onder brassen en slempen op eene schandelijke wijze dat gewest voor de zaak der vrijheid deed verloren gaan, zal hem zeker weinig gezags toekennen, om over het christelijk uiteinde van een ander te oordeelen. Er schieten dus die schrijvers over, welke beweren, dat brederode van verdriet gestorven is (burgundius en michaël ab isselt, Hist. sui temporis, p. 113), maar hun verhaal sluit het andere van viglius, van assonville, van heuterus niet uit. - Alles komt derhalve ten slotte neder op de manuscript-aanteekening, onder den Heer van hall berustende. Dewijl echter deze eerst na 1679 geschreven is, past daarop te regt de aanmerking van verjaardheid, die van hall tegen strada's berigt te berde brengt. Ééne zaak echter is voorzeker waar: brederode is niet gestorven in den schoot der Katholijke Kerk. Ware dit zoo, het ware vermeld geworden. Toen zijn vriend en bondgenoot hoogstraten hem nog in hetzelfde jaar ten grave volgde, hebben zelfs Spaanschgezinde schrijvers diens godvruchtig sterven geroemd, omdat hij de genademiddelen der kerk had ontvangen. Na al de gronden van tegenspraak des Heeren van hall te hebben overwogen, moeten wij tot het resultaat komen: brederode is overleden aan eene kortstondige en hevige ziekte, welke zijne vijanden aan zijne onmatigheid in het drinken, zijne vrienden aan eene meer onschuldige oorzaak hebben toegeschreven. Het blijkt echter niet, dat het verhaal van viglius te dien opzigte met grond van onwaarheid kan worden beschuldigd.
Zelfs niet van onwaarschijnlijkheid! Want al ware de maaltijd der Verbondene Edelen, waarbij brederode met woord en pokaal den toon gaf, niet wegens zijne uitgelatenheid berucht, uit de brieven van brederode zou men vermoed hebben, waar zijne zwakke zijde was. Aan den toon dier brieven ergerde zich de goede van kampen, en groen schreef: ‘plusieurs passages respirent le vin et la débauche.’
Over het laatste woord werd groen door van hall ter verantwoording geroepen, en, voor zooverre de bewijzen reiken, blijkt het niet, dat brederode op het punt van ongeoorloofde minnarijen erger zondaar was dan andere groote heeren van zijnen tijd - om namen te noemen - dan de Prins van oranje, dan de Graven van hoorne, van aremberg, van megen. Groen verschanst zich achter de afleiding des woords van debacchari, en den mogelijken zin, dat débauche buitensporigheid in het drinken heete. Die uitvlugt is zijner onwaardig. Groen is te goed stijlist, om in zijne kernachtige aanteekeningen eene dergelijke tautologie toe te laten. Toen hij het woord nederschreef, bedoelde hij er mede, wat ieder er onder verstaat; zelfs verzekert hij naderhand, dat vele plaatsen in brederode's brieven door hem, om hare aanstootelijkheid, bij de uitgave zijn weggelaten. Wij gelooven het gaarne, ofschoon eene zoo ligtgeraakte kieschheid niet in het belang der geschiedenis is; en onze gevolgtrekking blijft deze, dat brederode's taal in velerlei opzigten vaak onbetamelijk geweest zij. Van kampen overijlde zich in zijne ongunstige oordeelvelling, omdat hij eene plaats in eenen brief van brederode kwalijk verstaan en kwalijk vertaald had. Wijdloopig, maar toch met alle regt, brengt van hall die dwaling aan het licht (bl. 48-52). - Wat brederode's neiging tot den drank betreft, van hall tracht die te verontschuldigen met de gewoonte, van den tijd, en herhaalt de maribus Curiis et decantata Camillis over dit zwak onzer voorouders, zonder, zoo ver ik zien kan, er een' nieuwen trek bij te voegen(1). Te regt antwoordt groen (Antw.,
bl. 10): ‘Zoudt Ge denkbaar achten, dat, hetzij nu, hetzij in dien tijd, iemand aan den drank niet op buitensporige wijze verslaafd, in dagen voor het Vaderland kritiek, zelf tot belangrijke pligten geroepen, aan een der voornaamste zijner invloed hebbende vrienden, brieven, één brief geschreven zou hebben, waarin aldus van drinken, om het andere woord, gewag werd gemaakt?’ - Wij antwoorden volmondig: neen, en stemmen aan groen toe, dat naar alle waarschijnlijkheld brederode meer dan te veel aan die neiging heeft botgevierd. Groen gaat verder. Hij verwijt aan van hall, dat deze bij het wegen der getuigenissen omtrent brederode's zedelijken wandel er ééne vergeten heeft, door hem zelven vroeger bijgebragt, die van montigny. Aan den Graaf van hoorne schreef deze op het berigt van brederode's uitwijking: - ‘Voilà que c'est de suivre mauvais conseil! - il m'en desplait pour luy -; mais certes de luy j'ay toujours douté d'ugne mauvaise fin, pour la vye, qu'il menoit.’ Voor groen (Antw., bl. 73) is die getuigenis afdoende, zoo zelfs, dat hij daaruit besluit, dat brederode's wangedrag niet eens in de zeden des zeer bedorvenen
adels eene verontschuldiging kon vinden. Hoe intusschen hoorne over brederode dacht, blijkt uit zijn Propre Réponse aan zijne regters overgeleverd, waar hij met zekere verontwaardiging verklaart, dat hij met brederode geenen omgang hield of wenschte. ‘Quant au deffendeur n'estoit grand ami du Seigneur de brederode, et n'a esté en sa maison depuis son retour d'Espaigne, fuiant sa hantize tant qu'il povoit, à cause de quelques propos que ledit Deffendeur et ledit Seigneur de brederode avoient euz’ (p. 241). Men voege dus ten eerste hoorne's ongunstige uitspraak bij die van montigny, zijnen broeder; ten tweede verzoek ik den eerstgenoemde te schrappen van de breede lijst der getuigen à décharge, die van hall op Batestein laat verschijnen (bl. 52), omdat hoorne, zoo hij er kwam, niet kwam uit bijzondere vriendschap of achting voor brederode. Hetzelfde verlang ik omtrent Graaf joost van schouwenburg, die om bovengemelde redenen ten minste eene zeer verdachte conversatie blijft. Zoo ik nu op de getuigenis van montigny wilde chicaneren, zou ik vragen, of montigny's oordeel niet onder den invloed van dat zijns broeders stond? Hoorne's leven was niet vlekkeloos; hoorne's woorden - gij kunt het uit zijne Défense zien - waren dikwijls ruw en onbedacht; hoorne leverde in zijne Propre Réponse eene naïve verdediging van dronkenschap en tafelvrijheid (zie Déduction, p. 245). - Hoorne, brederode's aanverwant door beider echtgenooten, kon ligt eene andere oorzaak hebben voor zijne veete tegen brederode. - Vervolgens, ‘la vye, qu'il menoit’ is nog eene zeer onbepaalde uitdrukking. Montigny was een gemoedelijke katholiek. De berigten van hoorne in zijne Propre Réponse, de brief in willems' Mengelingen (Vde Stuk, bl. 333), en die aan oranje (Archives, T. II, p. 360), bewijzen het. Brederode was een erkende ketter, en men zette ligt op zijne rekening alle godslasterlijkheden, waarmede men het afwijken van de kerk verbonden achtte. Wilt gij een bewijs uit den hoop, men zeide, men schreef, dat
brederode te Vianen het beruchte boek de tribus Impostoribus, waarvan hij welligt toen voor het eerst den titel hoorde, had laten drukken. Ik zou dus wel redenen kunnen bijbrengen, die juist montigny's beschouwing van brederode te zwarter hebben gekleurd. Maar ik ben de pleitbezorger van brederode niet; het is mij om historische waarheid te doen, en daarom ga ik zoo ver als ik gaan kan, met toe te geven, dat montigny's en hoorne's uitspraken over brederode's geheele gedrag den staf breken. Brederode hebbe dus behoord tot dien jeugdigen adel, omtrent welken de Landvoogdes maria eens aan keizer karel schreef: ‘Je vois une grande jeunesse en ces pays, avec les moeurs desquelz ne me scaurois ny ne vouldrois accomoder: aussy me fasche de les veoir, congnoistre, et de vivre comme personne priveé entre telles gens, avec lesquelz ne scaurois faire mon debvoir tant envers Dieu, qu'envers mon Prince - et peus affirmer à vostre Maiesté et prendre Dieu en temoing, que j'aimerais mieulx gaigner ma vye, que de m'y mectre.’
Met ‘een triumferend welgevallen’ roept groen (Antw., bl. 26) uit: ‘Hetgeen van elders bewijsbaar was, wordt door de brieven bevestigd. Wat baat tegenspraak, nu wij zelve oor- en ooggetuigen zijn! Wij kenden brederode uit de beschrijving van anderen; nu hebben wij brederode ontmoet. En hoedanig was de indruk dezer ontmoeting? - Die zoodanige taal, al is het in den meest gemeenzamen briefstijl, bezigt, geeft mij een' onbedriegelijken (?) maatstaf in de hand; en, gelijk er personen zijn, die men slechts eenmaal behoeft gehoord te hebben, om hen zonder voorbarigheid te verachten, evenzoo is het genoeg één dezer brieven ingezien te hebben, om te weten, welke plaats brederode, in de schatting van tijdgenoot en nakomeling, verdient.’ Zie, dat gaat te verre! Montigny moge brederode's wangedrag gelaakt hebben, - groen moge door de eerste kennismaking met brederode teruggestooten zijn, - willem van oranje, lodewijk van nassau, de Graaf van hoogstraten hebben
brederode ontmoet; niet figuurlijk, zoo als groen van prinsterer en van hall, maar van aangezigt tot aangezigt; niet ééns, maar meermalen; niet slechts bij vrolijke drinkgelagen, maar te midden van de bewegingen des levens, in den heftigsten gloed der hartstogten -: zij hebben met hem geredeneerd en gearbeid, gestreden, had ik haast, gezegd, en geleden, en zij zijn zijne warme - het bijvoegelijk naamwoord heb ik niet tot sieraad, maar met nadruk ter neder geschreven, - zijne warme vrienden gebleven tot aan zijnen dood. De Heer groen maakt de gevolgtrekking: ‘een man, zoo zedeloos als brederode, kon niet in het vertrouwen (intimité) des Prinsen zijn,’ en beoordeelt uit dit standpunt beider handelingen (Archives, T. II, p. 13). Eene andere gevolgtrekking staat daar tegenover: indien een man, zoo zedeloos als brederode, nogtans in de gewigtigste zaak het vertrouwen des Prinsen genoot, dan moet hij door andere hoedanigheden van hoofd en hart zijne in het oog vallende gebreken hebben vergoed, of onze beschouwing van den Prins zelven was tot dusverre verkeerd of onvolkomen. Ziedaar het standpunt, waaruit, onzes inziens, de verdediging van brederode kan en moet uitgaan.
Het is mij om hetzelfde te doen, als den Heer groen, een helder beeld van brederode. Ik moet erkennen, dat groen er een ontworpen heeft, met vaste, duidelijke omtrekken. De Heer van hall vindt dat beeld niet gelijkend: ik evenmin; maar de Heer van hall bepaalt zich bij de ontkenning van hetgeen groen gezegd had, en vervalt dan in algemeene lofspraken op zijn' held. Het is een hoofdgebrek zijner Verdediging, dat zij eene eigenaardige scherpe teekening van brederode mist. De aanmerkingen, door groen (Antw., bl. 11-13 en bl. 71) gemaakt, hebben daarin haren grondslag. Daar wij nu toch aan den stijl van brederode's brieven zijn, willen wij onder brederode's hoedanigheden ééne noemen, die uit zijn' stijl op te maken is, en hem misschien bij willem van oranje aangenaam, maar zeker geschikt
gemaakt heeft, om te werken op het volk. Wij gelooven, dat zelfs de Heer groen, in dit opzigt, met ons instemt; want, met alle regt, een zeer ongepast vermoeden van den Heer van hall, omdat wij slechts van sommige brieven van brederode kopijen hebben, afwijzend, beroept de Uitgever der Archives zich op ‘brederode's waarlijk onnavolgbaren stijl’ (Antw., bl. 26). Hij bedoelt daarmede voorzeker niet uitsluitend de slordigheid of ruwheid van dien stijl. Dan ware het exemplar vitiis imitabile; hem trof hetgeen mij trof, het karakteristieke er van. Om het woord te noemen, brederode is dikwijls geestig en vol van voor die tijden goede luim. Wij zouden daarom in de plaats, door groen aangehaald (bl. 28), liever eene zeer mislukte aardigheid, dan het bewijs van een boos hart zoeken. Immers, waren de kardinalisten, die zoo velen op den brandstapel hadden gebragt, op hunne beurt in brederode's magt geraakt, en deze hadde op den voorslag, om ze te verbranden, geantwoord: ‘Neen, ze zouden te veel stinken!’ dan wenschte ik te weten, wat de Heer groen, ja de vijanden zelven, wanneer zij ten koste eener aardigheid den vuurdood ontkwamen, van dat antwoord zouden hebben gezegd; en toch is het letterlijk, wat op de berispte plaats te lezen staat. Om onze aanmerking omtrent brederode's stijl te staven, leze men b.v. Archives, T. I, p. 199, het verslag van het jagtvermaak, dat hij en lodewijk van nassau bij den Hertog van Kleef hadden genoten. Zij hadden gejaagd, herten in menigte! twee en tachtig in getal; maar zij zelven waren, nog feller dan de arme dieren, gejaagd door den Hertog, die hun geen rust liet. Iets anders. Brederode heeft twist met de Utrechtenaars: ‘Il me menassent,’ schrijft hij (p. 201), ‘de là me venir brûler; s'yl se jouent à telle jeu, je parye pour eus je leur en feroye ung tell (feu), que il n'oryont que playder (plaȳdre?) tout cest yver de froyt.’ Brederode's stijl wemelt van gemeenzame spreekwoorden. Somtijds zijn zij niet onbehagelijk aangebragt, b.v.: Men verwachtte betere tijdingen uit Spanje: ‘je croys,’
schrijft brederode (Archives, T. I, p. 213), ‘que ce ne serat la vyelle chansson: toute foys ce seroyt ung gran byen que la notte changeat ung fois et que au lyeu qu'elle ast esté jusque stheure an b dur que elle retournasse an b moll.’ Somtijds geven zij tot eene aardige wending aanleiding, Archives, T. II, p. 255: ‘La nécessyté fayct la truye troter et sy elle, je pansse Madame de Parme, mise (n'use?) à ce coup de pleyne autoryté à nostre androyct - asseures vous que elle nous brasse le chaudyau sans sucre.’ Het is niet beleefd, niet kiesch, omdat er in het spreekwoord van zeug is gewaagd geworden, dadelijk aan margaretha te denken; maar de wending was aardig voor den tijdgenoot, die in margaretha met haren baard en hare podagra, met haren innigen ketterhaat, juist niet de beminnelijkste harer kunne voor zich zag(1). Doch de scherpzinnige Uitgever der Archives schijnt voor brederode's stijl onvatbaar geweest te zijn, en wij hebben meer plaatsen opgeteekend, waar hij hem verkeerd verstond. Door zijn m'est revenu, boven aangehaald, bragt hij den onbedachten van kampen van den weg. Archives, T. I, p. 199, stond bij de hertenjagt forqoure en forqouru niet voor ‘fort courir en fort couru,’ maar forcourir is een compositum met het voorzetsel fors (foris, hors, foû). Eindelijk blijkt uit groens aanteekening op de laatst aangehaalde plaats: ‘Mr. de B. aimoit beaucoup cette comparaison,’ dat
hij het spreekwoord en brederode's wending niet begrepen heeft. Een ander voorbeeld zullen wij nog later ontmoeten.
Dat brederode zoo iets van den luchtigen rederijker in zijn' aard had, was misschien niet streng-adellijk, noch deftig, maar het maakte hem tot een bon compagnon en tot den man des volks. Wat wij uit zijn brieven opmaakten, bevestigt zijne geschiedenis van elders. Margaretha's geheimschrijver, de la torre, kwam met eene kwade boodschap van zijne meesteres. Brederode eischte inzage van zijn' last, en la torre antwoordde zeer hoofsch, dat brederode hem wel bij eene vroegere gelegenheid, zonder dien eisch, geloof had willen schenken. ‘Ja,’ antwoordde brederode, ‘maar toen kwaamt ge met een fatsoenlijk man (van quarebbe).’ Het was lomp, zoo men wil; maar ik ben zeker, dat brederode's partij het toejuichte. - De schout van Amsterdam, als meêdogenloos berucht, bragt aldaar op een' regeringsmaaltijd brederode een dronk toe met de woorden: ‘Ik breng 't u, Breêro!’ en de ander antwoorde: ‘Ik dank u, Nero!’ - Zeer geestig is het niet, maar het bleef als een apophtegme bij het volk bewaard, en hooft deelde het uit de overlevering mede. Ik geloof, dat hooft zich brederode zoo heeft voorgesteld om de volgende plaats, waar elke uitdrukking opmerking verdient: ‘Tot een staaltje van zynen geest dient, dat hy, in zyn jeughdt, plagh te schryven, Peut estre, dat is, Mooghelyk; een zinspreuk - - - uitbeeldende met ernstighe kluchtigheit, d'ongewisheit, zoo van 't menschelyk oordeel, als van 't beloop der wereldsche zaaken.’ Men veroorlove ons eene uitweiding. In der tijd kondigde men met eene soort van betweterij aan, dat het spreekwoord: 't Kan verkeeren, zei Breeroo, niet Heer hendrik, maar den blijspeldichter betrof. Maar wie de blijspelen diens dichters doorbladert, zal gerbrant adriaensz. In Bredero, en daaronder weder 't Kan verkeeren, aan het einde van de Klucht van de Koe vinden. Ik meen, dat onze Amsterdamsche plautus zijnen naam van zijn uithangsschild, waarop de Heer van
brederode uitgeschilderd of geschreven stond, en zijne zinspreuk aan eene niet zeer gelukkige vertaling van het Fransche Peut estre zal hebben ontleend. Hooft wist dat, en van daar zijne eenigzins vreemde omschrijving van het woord: mogelijk.
Ik weet zeer goed, dat vaardigheid van luim en geestigheid in het antwoorden geene welsprekendheid in den hoogsten zin is, maar het is er een deel en een hulpmiddel van. Ik ben er dan ook verre van brederode's gaven, in dit opzigt, zoo hoog te stellen, als van hall (bl. 116-121), in navolging van van haren, heeft gedaan. Allerminst mag ik het bewijs, door groen (Antw., bl. 12) te regt gegispt, uit brederode's Redevoering, bij bentivoglio ontleend, laten gelden; want in die rede is zeker geen titel of jota van brederode afkomstig. Maar tot het vermoeden, dat hij eenig talent van spreken had, hebben de Spaanschgezinde schrijvers zelven aanleiding gegeven. Burgundius, meen ik, noemt hem, II, p. 169 (ed. gundling): ore tenus facundum perinde audacem atque factiosum. Van der haer, L. II, bl. 107: iis moribus, ut ingenti verborum factorumque audacia omnem observantiae atque metus cogiationem facillime deponeret. ‘Brederodius,’ schrijft pontus heuterus, L. XVI, p. 398: ‘bene jentatus, naturâ linguae temerarioris ac procacioris (Gubernatricem) alloquitur.’ Strada laat hem te Antwerpen het volk door eene korte aanspraak in beweging brengen. Trek van deze berigten de partijdigheid af en gij zult vinden, dat zij brederode in het spreken eene vaardigheid toekennen, die hem voor demagoog geschikt maakte. Ik herhaal het, ik stem toe, dat dit niet de loffelijkste begaafdheid is, maar èn in de Archives, T. II, p. 88, èn in het Antwoord, bl. 15, 16, heeft groen met zekere bitterheid juist die vaardigheid in twijfel getrokken. Doch de gronden dier twijfeling zijn zoo nietig, dat het mij verwondert, dat iemand van zooveel scherpzinnigheid zich daardoor heeft laten misleiden. ‘Brederode,’ zegt hij, ‘had zijne welsprekendheid doorgaans op schrift.’ Doorgaans? Eilieve, waar blijkt het? Viglius schrijft aan hopperus
(hoynck van papendrecht, Anal. I, p. 358), dat brederode het verzoekschrift overleverde: ‘pauca ex scripto praefatus.’ Strada ontkent, - het zijn de woorden van groen, Antw., bl. 15, - ‘dat brederode aan de Gouvernante, toen zij op het request der Edelen geantwoord had, zelf gerepliceerd heeft: nam B. in publico verba facere, nisi meditatus aut ex scripto, non audebat.’ De waarheid der ontkentenis blijkt uit de nu bekend geworden Replicque faicte par le Sr. des kerdes, Arch., II, p. 89. Aldaar, p. 88, heet het: ‘brederode se retira contre ses habitudes, modestement dès qu'il s'agit de parler ex tempore.’ Slaan wij eens de aangehaalde plaats van strada op. In de eerste plaats merken wij op, dat zijn oordeel over brederode's gave van spreken op niets anders berust, dan op hetgeen, volgens hem (eenige regels vroeger), brederode zelf had gezegd, dit namelijk: dat hij de Landvoogdesse nog een en ander wenschte mede te deelen, maar ‘ne a proposita sibi sententia forte aberraret se libenter illa e scripto, nisi onerosum ei esset, recitaturum.’ Ten tweede: strada geeft bij zijne voorstelling der zaak te kennen, dat brederode aanvankelijk, werkelijk uit het hoofd (ofschoon misschien meditatus) hebbe gesproken, en eerst na het overreiken van het smeekschrift, tot zijn blaadje toevlugt genomen. Er ligt hierin bijna eene tegenstrijdigheid van dien schrijver met zich zelven. Het stuk, door groen, Archives, T. II, p. 78, 79, medegedeeld, verzet zich tegen zoodanige verdeeling van het bedrijf niet. Het schijnt derhalve, dat brederode iets uit het hoofd, iets van het blad sprak, en het scripto praefatus van viglius blijkt alzoo waar, al zegt het niet de geheele waarheid. Of hetgeen wij bij groen, Archives, II, t.a.p. lezen, eene kopij van brederode's blaadje zij, dan wel naderhand uit herinnering opgeschreven, kunnen wij niet zeggen, en de Heer groen zal op het aanwezig zijn van dit stuk niet drukken, daar dezelfde zwarigheid alsdan tegen zijne onderstelling omtrent de aanspraak van d'esquerdes zou gelden. Ik moet nog opmerken, dat brederode's rede-
voering, zoo als pontus heuterus (L. XVI, p. 398, 399) die opgeeft, merkelijk van de lezing der overige berigten afwijkt. Zelf heeft groen intusschen, Archives, II, p. 88, opgemerkt, dat het berigt, omtrent het overleveren van het request, bij strada, onjuist is, en het gebrekkige daarvan verbeterd. Wij meenen het van alle berigten te kunnen zeggen. Ons dunkt, dat wij ons, na vergelijking van alle bronnen, die er voorhanden zijn, de zaak dus moeten voorstellen. Dezelfde Edelen zijn slechts tweemaal plegtiglijk ten hove verschenen: eens op den 5den April, ter overlevering van het Smeekschrift, waarop de Apostille hun den 6den werd toegezonden door middel van hoogstraten. Dit laatste had plaats op den dag van den beruchten maaltijd. Het tweede gehoor was op den 8sten (de 7de was een Zondag) en betrof het verzoek om eene duidelijker verklaring der Landvoogdesse(1). Aan het hoofd der Edelen stond, bij
het eerste gehoor, brederode en lodewijk van nassau; beiden insgelijks bij het tweede, maar bijgestaan door de Graven van culemburg en van den berg. Het antwoord op hun tweede verzoek voldeed de bondgenooten niet. Zij lazen de apostille en zonden óf nog uit de plaats van het hof (strada l.l.), óf - maar dan vervalt geheel strada's redenering - uit hunne vergaderplaats (hooft, bl. 78, bur-
gundius, II, p. 79) d'esquerdes, om eene nadere verklaring. Misschien was brederode niet eens tegenwoordig bij dit laatste tooneel. Bij beide openbare gehooren voerde hij het woord, en, het is zoo, gedeeltelijk ex scripto. Uit onze voorstelling is het echter duidelijk, dat er honderd redenen van voegelijkheid bestaan kunnen hebben, waarom niet brederode bij de zending van d'esquerdes het woord deed, en de allerlaatste en onwaarschijnlijkste zou zijne, door strada opgegevene, schuwheid, om voor de vuist te spreken, geweest zijn. Waarschijnlijk had zich reeds het comité van twaalf gevormd, welke de spotters de twaalf Apostelen noemden, en aan wier hoofd d'esquerdes stond. Sla nu eens, om u over de bewonderenswaardige welsprekendheid van d'esquerdes te verbazen, het stuk op, door groen, Arch. II, p. 88, medegedeeld. Waarlijk het is te belagchelijk, om te gelooven, dat brederode die tien regels niet zou hebben kunnen zeggen zonder te haperen. Overbescheiden zijn de woorden van d'esquerdes niet, en dat zijn stap kwalijk werd opgenomen, bewijst het antwoord der Landvoogdes en de voorstelling, die ons burgundius van zijn verschijnen ten hove geeft (l.l.)
Wij treden in al deze bijzonderheden, niet omdat wij eene lofrede van brederode voorhebben, maar omdat wij een welgelijkend beeld verlangen en deze kleinigheden ons leeren, dat groen, bij zijne beschouwing van brederode, hetzij willens, hetzij onwillens, zich door vooroordeel meer dan door kritiek heeft laten geleiden. Zoo wij brederode den aanleg tot de rol van demagoog toeschreven, wij haasten ons er bij te voegen, dat het hatelijke van deze benaming eenigzins verzacht moet worden. Brederode toch bezat werkelijk geneigdheid tot - werkelijk teederheid voor het volk; het was er verre van, dat hij die slechts zou hebben geveinsd. Uit dit oogpunt bevelen wij inzonderheid de lezing der brieven van brederode, in de Archives, aan. Toen de Markies van bergen naar Spanje zou vertrekken, heet het (Arch., II, 107): ‘Je voldray que il ouysse aulcune foys ce que j'oye
journellement du commun peuple de la louange qu'y luy donnent d'avoyr antreprys ung sy louable faict et magnanymme, ancor que aultrement an avyns que byen.’ Brederode heeft de buitensporigheden der beeldstorming vernomen: hij keurt die strengelijk af, maar, schrijft hij (ib. p. 235): ‘je n'an puys croyre la moytyé - Anffyn quant sella seroyt, personne n'an est cause que Madame de Parme, car le peuple s'offroyt à nous randre toute obéyssance et poser les armes antre nos meyns, ce soubmectant à tout chastoy que l'on an vouldroyt ordonner an cas que ame de eus fysse quelque cas scandalleus ou sedytyeus - le peuple pansant que l'on les nochaylloyt, il se sont d'eus mesmes ramantu’(1). Terzelfder tijde heeft het gepeupel te Haarlem een paar kloosters geplunderd. ‘Je voyeray’, schrijft brederode p. 253, ‘ce que je pourey dresser et fayre avecq toute doulceur et pryères; je ne fauldrey leurs remontrer à la mylleur fourme, que je me pourey avyser, sy cella y peult ayder. - J'an départyrey des jantylshommes de sa et dellà, voyre ce qu'y pouront fayre, toutesfoys leurs anchergans byen expressément de ne s'avancer que an tous doulceur et aveq toute la modestye du monde; car il ne duyct nullement les user d'aulcune menace, ou aultrement on les incytroyt à plus grandes sédytyons.’ - Arch. l.c. p. 415: ‘Aus aultres vylles ce contantent pareyllement tous, moyenant l'asseurance sanblablement de mondyct Syngneur Prynce, avecq ce que je les trouve tous fort voulluntayre à mestre corps et byen an ce que l'on les vouldrat amployer, et certes je n'an fys onques doubte d'aultant que il sont, car je les ey tousyour trouvés fort affectyonnés et résollus, desorte que je voys, aveque l'ayde de Dyeu tout ce porter byen.’ Ziedaar nu, zouden wij lust hebben uit te roepen, dien clodius, dien saturninus, zoo als de Heer groen hem gaarne zou
willen afschilderen. Het is waar, wie, door tot het volk zich te vernederen, tevens de kracht verliest om zich op zijn tijd daarboven te plaatsen, wordt op het laatst door het volk zelf vertreden. De omstandigheden hebben brederode niet op die proef gesteld. Het volk beloonde zijne teederheid met vurige verkleefdheid, en droeg hem die tot aan zijnen dood toe. De getuigenissen daaromtrent zijn bij schrijvers van alle partijen te veelvuldig, dan dat ik enkele kan aanhalen. Hem wedervoer, wat zelden aan andere helden ten deel valt, dan die zich eene vaste en onwrikbare genegenheid onder het volk hebben weten te verwerven: het berigt van zijn' ontijdigen dood vond geen geloof, en lang hield zich de meening staande, dat hij nog leefde, en als verlosser des volks terugkomen zou. Zijn Spaanschgezinde tijdgenoot michaël ab isselt getuigt het (Historia sui temporis, p. 113); en daarmede hangt welligt het verschijnsel zamen, dat de schrijver van de Déduction de l'innocence du Comte de Hornes, ofschoon zeker na den dood van brederode opgesteld, van hem spreekt, als ware hij nog in leven(1)
De Heer van hall heeft eenige bladzijden, 53-57, gewijd aan het betoog, dat brederode niet de vleijer, maar de hartelijke vriend der nassaus te noemen zij. Dat betoog is voldingend: het was meer tegen eene verkeerde opvatting van van kampen, dan tegen groen gerigt, die brederode niet van die verkeerdheid had beschuldigd en van halls aanmerkingen billijkt. Wij zouden dus zeker zijn van de toestemming beider partijen, zoo wij bij onze teekening van brederode dezen trek: vurige genegenheid voor de nassaus, voegden; maar wij moeten toch een paar aanmerkingen maken. De eerste geldt groens hardheid jegens, of misverstand van brederode. Met betrekking tot eene plaats, Archives II,
416, zegt hij: ‘dat brederode's uitdrukking welligt meer dan eene loutere pligtpleging was.’ Hij bedoelt namelijk: diep gevoel van zijne minderheid tegenover lodewijk van nassau. Zie hier de plaats, die karakteristiek is. Brederode deelt het gerucht van het sneuvelen zijns broeders aan lodewijk van nassau mede: ‘Sy aynsy est,’ schrijft hij: ‘Dyeu veuylle avoyr son âme, puisque il est mort au lyst d'onneur. Le premyer est mort povre soldat an Ittalye, l'autre à la bataylle de Sainct-Quintyn, et cesluy sy contre le Turcq, et moy j'espere de mouryr ung votre povre soldat, vray geus, à vos pyés, ne doubtant nullement, que devant venyr an ceste extrémyté, je n'an fusse passer la peur à quelque ungs.’ Grenst het niet aan verblinding, in deze hartelijke woorden eene ontboezeming te miskennen, zoowel den afstammeling eens ouden edelen stams, als den vriend der vrijheid, thans aan hare zegeraal wanhopend, evenzeer waardig? En toch dacht groen hierbij aan gevoel van onmagt of pligtpleging! - Eene andere aanmerking is deze. Met November 1566 houdt de briefwisseling van brederode met lodewijk van nassau en den Prins op. Dat wil zeggen: uit de Archives worden ons van dat tijdstip af geene brieven meer medegedeeld. Niemand denke echter dat, dewijl brederode sinds dien tijd dat meest tot uitersten overging, de vriendschap tusschen hem en de nassaus zou hebben opgehouden. Het Dagregister, door te water (Verbond der Edelen, Deel IV, bl. 322 vlgg. medegedeeld, is hier vooral merkwaardig. Wij willen daaruit voor de volgelingen der school van groen een paar plaatsen tot stichting mededeelen, waaruit zij ons mogen vergunnen ter gelegener tijd onze gevolgtrekking te maken(1): ‘Den II Januar 1567
quam van Buren een stuck geschuts te Vianen, 't geen myn heere de prinche myn heere van brederode geschonken hadde’ - den VI tooch myn heer van brederode op het ‘huis te Aa, aldaar met Graef lodewyck - den XXIsten Januar quam mynheer van brederode van Amsterdam, alwaer hy geweest was by myn heere den Graeve’ (NB. ook de Prins was toen te Amsterdam) - en met wie denkt gij, Bilderdijks-gezinde lezer! dat hij van Amsterdam kwam? Het spijt mij voor u, dat zijne beide reisgenoten juist op dien tijd zoo verdacht zijn; maar hij kwam ‘met tholouze en dathenus.’ Het verloren gaan der brieven of het verslappen der briefwisseling is aan andere oorzaken; sedert April 1567, zeker aan het zwervend leven der edele ballingen toe te schrijven. De vriendschapsband, die niet slechts de personen, maar ook de naaste betrekkingen der nassaus en brederodes vereenigde, bleef na Heer hendriks dood voortduren. Op grond van eenen brief, den 24 October 1568 aan Graaf jan van nassau door zijnen raad schwartz uit Dillenburg geschreven, kan ik verzekeren, dat brederode's weduwe zich sedert te Dillenburg opgehouden heeft, en dat zij haar tweede huwelijk met den Keurvorst van den Paltz geheel van prins willems toestemming afhankelijk maakte.
Maar was, bij alle die genegenheid, brederode ondergeschikt genoeg, om zich door den invloed des Prinsen te laten geleiden? - Beantwoordde de Prins zijne dienstvaardigheid en genegenheid door een geëvenredigd vertrouwen? De Heer groen ontkent het eene als het andere, en heeft zijne gronden er voor opgegeven: de Heer van hall heeft die niet wederlegd, maar, als waren zij non avenus, op de te-
genovergestelde meening voortgebouwd. Nu viert groen daarover eene soort van triomf (Antw., p. 18) en met regt. Des ondanks ben ik verpligt op de vragen, welke ik opgaf: ja te antwoorden. Mijne stelling is deze: sedert het begin van 1566 tot op de contrarevolutie van 1567 vinden wij drie mannen werkzaam, elk op zijne eigenaardige wijze, maar onderling door vriendschap, door vertrouwen, door eenheid van doel verbonden. Alle drie staan en arbeiden onder den invloed van een' geest, magtiger dan een van hun allen. Die drie mannen zijn: lodewijk van nassau, hendrik van brederode, anthonie van hoogstraten; die magtiger geest is willem van oranje.
Indien ik die stelling op onomstootelijke gronden verdedig, heb ik niet slechts de gestelde vragen beantwoord, niet slechts de praemisse, waaruit volgens mijne meening de verdediging van brederode moest uitgaan, bewezen; maar tevens de kabinetsvraag der latere historische school beslist, en het onhoudbare der Bilderdijks-Groeniaansche beschouwing omtrent dit tijdvak en omtrent willems handelwijze aan den dag gebragt. Om hier met beradenheid en orde mijnen gang te gaan, zal ik voor een oogenblik brederode's persoon buiten het oog houden, en mij tot de oplossing van twee vragen bepalen: Welk deel had willem van oranje aan het Verbond der Edelen? Welk deel had hij aan de gevolgen, waartoe het naar aanleiding der omstandigheden onvermijdelijk geleidde? De vragen zijn belangrijk voor de geschiedenis; noodzakelijk ter waardering van het openbare karakter van brederode. Zij kunnen bij den voorraad van bewijsstukken, waartoe de ijver des Heeren groen het meeste heeft bijgedragen, niet vlugtig worden beantwoord. Men zal mij om het gewigt der zaak, hoop ik, vergunnen, een oogenblik adem te scheppen, en eene nieuwe, ik zou bijna zeggen, van het overige onafhankelijke, afdeeling mijner aankondiging daaraan te wijden(1).
Wij hebben beloofd het vraagstuk, waarop grootendeels de beslissing van den strijd tusschen de Heeren van hall en groen berust, aan een ernstig onderzoek te onderwerpen. Wij willen bij het vaststellen van de resultaten van ons onderzoek de meestmogelijke striktheid in acht nemen, en ons door onze eigene voorstellingen geen' stap verder laten verleiden, dan het waarschijnlijkheidsbewijs, uit feiten en geschrevene oorkonden ontleend, reikt. Welk aandeel nam willem van oranje aan het Verbond der Edelen? Welk aandeel nam hij aan de natuurlijke en noodzakelijke gevolgen van dat Verbond? Door het Verbond verstaan wij eerst en meest het dusgenaamde Compromis, waarbij de Edelen, zonder de schuld van rebellie op zich te willen laden, onderling zich vereenig-
den, om de invoering der Inquisitie in de Nederlanden, onder welken vorm ook, met alle kracht te keer te gaan, en zich tot wederzijdsche bescherming verpligtten, wanneer iemand der hunnen ten gevolge dier poging werd vervolgd; alles behoudens gemeen overleg van al de bondgenooten. Eigenlijk duurde dat Verbond niet langer dan tot den 25sten Augustus 1566, toen het door de overeenkomst met de Landvoogdes regtens werd opgeheven, of ten minste dermate gewijzigd, dat langer vasthouden aan dat Verbond voor de deelgenooten onverpligt was, en op zijn hoogst van tusschenkomende omstandigheden afhankelijk bleef. Zoowel echter het denkbeeld en de vorm van dat Verbond, de wijziging en uitbreiding er van, de handelingen, waartoe ten gevolge van het uitdrukdelijk bepaalde gemeenschappelijk overleg gedurende het gestelde tijdperk werd besloten; als het voortbestaan van het eedgenootschap bij sommigen, nadat het regtens opgeheven was, de pogingen om het te vernieuwen, of het doel daarvan uit te breiden, de willekeurige handelingen van eenige der voornaamste bondgenooten, de eerste sporen eener algemeene wapening: dat alles nemen wij bij onze beschouwing op in het onderzoek naar den invloed, welken willem van oranje daarop heeft uitgeoefend.
De allereerste vraag is hierbij wel deze: Wist willem van het Verbond, en keurde hij het goed? Het tweede punt is door den Heer groen stellig ontkennend beantwoord; het eerste in zooverre, dat willem eerst omstreeks half Maart 1566, naauwkeurige wetenschap van dat Verbond zou hebben bekomen, terwijl hij vroeger van het bestaan en doel dier vereeniging zeer onbepaalde en onzekere kennis gedragen had. Het zijn de woorden des Heeren groen in de Archives, T. II, p. 14, wiens geheele betoog, waarop hij zich in zijn Antwoord beroepen heeft, wij onze Lezers verzoeken, zoowel om het gewigt der zake, als omdat onze gansche redenering eene doorgaande wederlegging zijner gronden zal moeten zijn, bij hem zelven na te lezen. Het betoog is te vinden Archives T. II, p. 11-16.
Al dadelijk zijn wij ter eere van willem verpligt aan te merken, dat het buiten zijn karakter lag langen tijd eene onbepaalde en onzekere (extrêmement vague et incertaine) kennis te dragen van eene zaak, waarvan het wèl of, volgens den Heer groen, het wee van den Staat afhing. Toen willem nog niet door de ondervinding der laatste zeven belangrijke jaren was gerijpt, ontviel aan Koning hendrik van Frankrijk, op de jagt, het geheim van zekere Katholijke Ligue tusschen hem en Koning filips. ‘Opdat de Koning, wanneer hij zag, dat iets voor mij verborgen gehouden werd, geen' lagen dunk van mij zou opvatten, antwoordde ik in dier voege, dat de Koning mij voor ingewijd in de geheimen hield, en door eene wijdloopige en uitvoerige mededeeling geheel op de hoogte van de plannen der Spaansche. Inquisitie bragt.’ - Dit schreef willem in zijne Apologie, ten jare 1580, en schoon hij alles in het werk gesteld had, om die plannen te verstoren, is er geen bewijs voorhanden, dat hij ze vóór dien tijd openlijk en uitvoerig heeft medegedeeld. Ik moet dus vragen: of het waarschijnlijk is, dat willem, zoo hij iets van het Verbond der Edelen had gemerkt, zich bij eene onvolledige kennis zou hebben bepaald? Of hij, die, blijkens zijne briefwisseling, te zelfder tijd, de ligtingen van den Hertog erik van brunswijk in Duitschland schrede voor schrede naging, geene pogingen zou hebben aangewend, om alles te vernemen van eene binnenlandsche zamenzwering? Of zijne schranderheid in het ontdekken daarvan, minder gelukkig dan bij Koning hendrik II, zou geslaagd zijn bij zijn' vertrouwden broeder lodewijk, bij zoo vele Edelen, met wie hij gestadig in aanraking was of komen kon, bij den doldriftigen de hammes, bij den ijverenden culemburg, bij zijn' zwakken schoonbroeder van den bergh, bij den, volgens groen, zoo ligtelijk te verschalken brederode? Twee andere meeningen zijn waarschijnlijker; de eene: willem heeft van het Verbond in zijne betrekking niet willen weten, d.i. alles geweten, zonder het te schijnen, maar
daarvan gezwegen tot half Maart, toen het Verbond niet meer- in zijne geboorte te verstikken viel; de andere: het Verbond zelf was tot op half Maart ‘vague et incertain.’ Want de vorm, waarin wij het Compromis kennen, is welligt niet de allereerste redactie, maar na vele wijzigingen eindelijk de algemeene type geworden, die in onderscheidene afschriften verspreid en onderteekend werd; en dan nog kan zelfs deze vague et incertaine heeten, omdat de onderteekenaars zich daarbij verbinden tot wering der Inquisitie, onder welken vorm ook, met alle kracht, tot onderlinge bescherming, en dat alles naar advies van allen. Waarlijk, zoolang er niet in détails getreden werd omtrent de middelen, waardoor men een en ander bereiken zou, verdiende het den naam, dien de Heer groen aan de wetenschap van willem gaf.
Doch wij hebben beloofd ons niet door eigene bespiegelingen te laten verlokken, buiten hetgeen de feiten en de oorkonden dier dagen als onbetwistbaar stellen; en de Heer groen heeft zijne meening gebouwd op twee getuigenissen, lijnregt met ons vermoeden in strijd. De Prins, zegt hij, schreef in 1567 (lees 1568): ‘La Conféderation (a été) faitte sans nostre adveu et sans nostre sceu. De laquelle estant advertis quelques quinze jours après, devant que les Confédérés se trouvassent en court, nous déclarames ouvertement et rondement, qu'elle ne nous plaisoit pas, et que ce ne nous sembloit estre le vray moyen pour maintenir le repos et tranquillité publique.’ - Het spijt ons, dat de Heer groen deze woorden naar le petit heeft aangehaald, en niet naar den oorspronkelijken druk der Justification, welke voor ons ligt. In deze verschillen de door ons onderstreepte woorden zoo zeer van den tekst van le petit, dat zij den zin gansch anders wijzigen. Ziehier de ware lezing: ‘De laquelle estans advertis quelque peu de temps (comme de quinze jours ou environ) auparavant que lesdicts Confederez se trouvoyent en court.’
De andere getuigenis is die van Graaf lodewijk, welke, volgens den Heer groen, t.a.p., p. 13, ‘quant au Com-
promis, assure l'avoir signé san que son frère en eût connaissance, et seulement après les instances réitérées de ses amis.’ De woorden zijn ontleend uit von arnoldi's Geschichte der Nassau-Oran. Länder, III, 1, 280, welke van een door lodewijk zelf vervaardigd opstel gebruik maakte, dat hij als een Apologie van diens bedrijf bij de Nederlandsche Omwenteling betitelt.
Men vergunne ons deze twee getuigenissen tot slechts ééne te maken. Wij bejammeren met den Heer groen, dat lodewijks Apologie niet voor ons toegankelijk is, omdat zij voorzeker eenige belangrijke bijzonderheden zou opleveren; dat zij echter onze beschouwing van het geheel der zaak zou kunnen veranderen of wijzigen, gelooven wij niet. Het stuk, door arnoldi blijkbaar met niet genoegzame zorg omschreven, is waarschijnlijk van het jaar 1568, en het ontwerp van een antwoord op de Indaging en de beschuldigingen daarin tegen Graaf lodewijk vervat (men zie die Indaging bij te water, Verbond der Edelen, IVde Stuk, bl. 241-245). Nu weet de Heer groen nog beter dan ik, dat, wat de hoofdzaken betreft, omtrent al die Apologiën, zoo van den Prins, als van hoorne en hoogstraten, het unum noris, omnes noveris volkomen geldig is, en het zou zijner kunde en scherpzinnigheid waarlijk niet moeijelijk vallen met de enkele berigten van arnoldi, met de Indaging van lodewijk, met de Justification des Prinsen en die van hoogstraten voor zich een beeld van lodewijks Apologie te ontwerpen, dat van de wezenlijkheid niet zeer verre zou afwijken. Drie regels worden vooral bij die Verdedigingsschriften in acht genomen; ten eerste alles te vermijden, wat het lot der gevangene Heeren, van egmont en hoorne vooral, zou kunnen bezwaren; ten tweede te zorgen, dat men elkander niet onderling tegenspreke; ten derde, er op uit te zijn, om de tallooze onjuistheden in de beschuldiging zelve aan het licht te brengen.
Slechts de twee laatstgemelde eigenaardigheden komen hier
in aanmerking. Tegen den Prins had men aangevoerd: ‘qu'il avoit seduict, corrompu et incité une grande partie de la noblesse, tellement qu'ils ayent faict ligues, conspirations et conjurations: et juré, par icelles, se défendre et fortifier contre Nous et Nos ordonnances,’ - het zijn de woorden der Indaging -; en 's Prinsen antwoord was geweest: ‘La conféderation at esté faicte sans nostre sceu et adveu.’ Reden genoeg voor lodewijk, om hetzelfde te herhalen, al ware het alleen, omdat de Prins het gezegd had, of zeggen zou. Maar er was meer. In de Indaging van lodewijk zelven waren de bezwaren tegen hem vastgeknoopt aan de beschuldigingen, dat de Prins, zijn broeder, rebellie en eene omkeering der zaken zou hebben beoogd, en dat hij, lodewijk, het voornaamste werktuig van gene zou geweest zijn: ‘lequel secondant audict Prinche en ses dictez desseignz ambietieus - premierement pour pervertir et séduire la noblesse - leur auroit imprimé et persuadé plusieurs choses faulxes - et les ayant par ce bout preparez et entièrement pervertiz a inventé contre Nous une abominable et detestable conjuration - et les a induict et persuadé à ces complices d'y entrer et s'obliger par signature et serment.’ - Tegenover deze aanklagt verliezen lodewijks woorden veel van het merkwaardige, dat zij hebben zouden, als zij eene ongezochte, toevallige verklaring waren. Zij hadden de wederlegging van de grieven des Procureurs van alva ten doel, en het was, zoo er slechts eenige schijn van grond aanwezig was, eene bijna redekunstige noodzakelijkheid, dat lodewijk op het verwijt: - gij liet u door uwen broeder als werktuig der zamenzwering bezigen, - antwoordde: - neen, ik deelde daarin zonder zijne voorkennis; - op het verwijt: - gij hebt de Edelen door uwe list en uw gezag daarin gesleept: - neen, de zamenzwering bestond zonder mij; door herhaalden aandrang hebben anderen mij tot medeonderteekenen bewogen! Voorzeker was het laatste gedeeltelijk waar: lodewijk kon de eerste onderteekenaar van het Verbond niet zijn,
omdat hij in de laatste maanden van 1565 meestentijds zich buiten de Nederlanden had opgehouden. Wij willen bovendien de vraag niet opperen: waarom, zoo lodewijk werkelijk niet dan schoorvoetend deel nam in het Verbond, pleegde hij niet met zijnen broeder raad? Welke zwarigheden had hij tegen den aanvang eener zaak, welker vordering hij sedert met alle kracht voorstond? Wij willen het uiterst wat wij kunnen aan den Heer groen toegeven, met voorbehoud van het terug te nemen, wanneer het ons met alle waarschijnlijkheid in strijd zal blijken, en onderstellen, dat juist dit de zwarigheid van lodewijk was, dat de zaak zonder weten en goedvinden zijns broeders was aangevangen, en hij voor dezen moest verbergen, welk aandeel hij er in nam.
Alles komt dus neder op de waarheid, van willems verzekering, niet zoo als die bij le petit, maar zoo als zij in den oorspronkelijken druk te lezen staat. Indien echter de onderstelling van de mogelijkheid eener onwaarheid zelve onbestaanbaar mogt schijnen met den eerbied, aan den grooten Grondlegger van onzen Staat verschuldigd, weten wij geene betere verdediging dan te verwijzen naar het derde gedeelte van het Antwoord des Heeren groen, waarin de regten der historische kritiek onbekrompen, krachtig en welsprekend zijn gehandhaafd. Wij beschuldigen willem niet alleen. Wie de punten van aanklagt tegen de Nederlandsche Heeren inziet, zal begrijpen, hoe de hevigheid, de slordigheid en de onwetendheid omtrent den waren gang der zaken van het gespuis, waaraan alva de vervolging overliet, voor hunne slagtoffers misleiding niet alleen mogelijk, maar bijna verleidelijk maakte(1). Hadden slechts de regters een ander
doel gekend dan doodvonnis en verbeurdverklaring! De verdedigers trokken van die onwetendheid partij. Wil men voorbeelden: groen heeft er eene proeve van gegeven, Archives, T. II, p. 51. - Hij had gelukkiger kunnen kiezen, want de door hem bedoelde verzekering van hoorne laat zich nog met de waarheid rijmen; maar hoe strookt de brief van hoogstraten aan lodewijk, waarin hij het besluit, ‘met den Prins en hoorne genomen,’ goedkeurt, het besluit namelijk, dat de Edelen het Smeekschrift te Brussel zouden komen inleveren, met hoorne's verklaring, dat hij de Landvoogdes niet ter gunste der Edelen had willen stemmen, ‘veu que ledict deffendeur ne scavoit l'intention de leur requeste, ny avoit alors oneques veu le Compromis’ (zie Déduction, p. 237)? Wij zouden uit deze en andere verantwoordingen meer voorbeelden kunnen aanhalen(1), maar wij
bepalen ons bij de sprekendste. In hoogstratens Verantwoording, waarschijnlijk onder 's Prinsen oogen gesteld, vinden wij hetzelfde. Onder de stelligste en heiligste betuigingen verzekert hij: ‘tant s'en faut, qu'aions confermé et advoué ladicte Requeste que nous admonestames aucuns Gentilshomes de qualité ne signer ladite confederation et ne se joindre à la Présentation d'icelle;’ - hij, hoogstraten, die in zijnen brief van 17 Maart, welken wij boven aanhaalden, lodewijk van nassau aanried toch welgewapend te Brussel te komen en zijne eigene bende van ordonnantie daarbij te diens beschikking stelde; maar aanried zijn' luitenant, den Heer van la thieulloye(1), als niet te vertrouwen, buiten het
geheim te houden (zie Archives, T. II, p. 53)! - Omstreeks het midden van Julij 1566, had de vergadering der Edelen te St. Truijen plaats; een tweede Smeekschrift werd er opgesteld, en in het laatst der maand aan de Landvoogdesse ingeleverd. Hoogstraten hield zich in den tusschentijd te Vianen eerst alleen en later met brederode op; zijne brieven, van daar geschreven, en door groen, Archives, T. II, p. 172, 184, medegedeeld, leggen de innigste sympathie voor de zaak der ‘Geuzen’ aan den dag. Brederode en hij zijn vereenigd werkzaam, om de geheime toerustingen, door erik van brunswijk en den Graaf van megen aangevangen, te betrappen, en zoo mogelijk te verijdelen; en echter met de grootste onnoozelheid betuigt hij in zijne Verantwoording, met betrekking tot het tweede Smeekschrift der Edelen: ‘nous nous emerveillasmes grandement et esbahimes d'ouir la lecture de ladite Requeste, laquelle par commandement de la Gouvernante se faisoit au conseil: comme de chose inopinée et de laquelle n'avions rien sceu, pensé ou doubté auparavant!’
Het voorbeeld van willems bondgenooten, lotgenooten en vrienden vergunt ons, zonder den eerbied te krenken, waarmede ons alle nationale herinneringen jegens hem vervullen, twijfel te opperen omtrent de waarachtigheid der verzekering, die hij in zijne Verantwoording nederschreef. Ja, wat meer is, zoo aanstonds hebben wij aangewezen, hoe zijne verklaring omtrent het geschut, aan brederode geleverd, zoo zij al de waarheid niet kwetste, dan toch daar om heenging, en wij voeren uit dezelfde Verantwoording een nieuw bewijs aan den voet dezer bladzijden aan(1).
De woorden van den Prins geven niet anders te verstaan, dan dat hij eerst eene groote veertien dagen vóór het over-
leveren van het verzoekschrift omtrent het bestaan des Bondgenootschaps werd verwitigd. Welk tijdstip hij bedoelde, is
duidelijk. Op den 12den Maart waren vele der Vliesridders op het huis te Hoogstraten bijeen; het gemaakte Verbond kwam daar ter sprake, en egmont en megen reisden 's anderen daags af, met het voornemen de zaak aan de Landvoogdes te openbaren. Zeker is het, dat geen der Heeren, die tot den Raad van State behoorden, deelgenooten van het Verbond waren; dat echter aan allen eerst toen het geheim daarvan bekend zij geworden, acht ik hoogst onwaarschijnlijk. Van willem, dunkt mij, bewijzen alle geschiedkundige gronden het tegendeel.
Ik ben er verre van, den Prins den ontwerper van het Verbond te achten. De tijd, wanneer; de wijze, hoe het ontstaan zij, blijft een raadsel(1). Men heeft naar een tijdstip gezocht, waarop vele Edelen te Brussel bijeen waren, en men heeft het Verbond in verband gebragt met het feest der Vliesridders, met het huwelijk van parma, met dat van montigny. Het laatste, waarvan ook groen spreekt, Arch.,
T. II, p. 2, neme ik de vrijheid uit te zonderen. Het had niet te Brussel plaats, zoo als onbetwistbaar blijkt uit de verzekering van pontus heuterus, die hier ooggetuige was(1). Ik zie niet, mits men de opgegevene maand, waarin waarschijnlijk eene druk- of schrijffout plaats vindt, verandere, waarom het eenvoudig verhaal van junius, in zijne levensbeschrijving (p. 42) zou moeten verworpen worden. Volgens hem zou het Verbond uit den boezem van eenige weinige Protestantsche edelen zijn uitgegaan. Juist daarin kan de oorzaak gelegen zijn, waarom noch de Prins, noch een der andere Heeren van de Orde, daarvan de ontwerper of een der eerste deelgenooten kon zijn. De strenge bevelen van filips, in het laatst des jaars 1565 bekend geworden, bevorderden de uitbreiding van het bondgenootschap, ook onder andere Edelen dan de Protestantschgezinden; het nam toen waarschijnlijk den vorm aan van het Compromis, dien wij kennen. Lodewijk van nassau en brederode waren toegetreden, het zij zoo, buiten weten van den Prins; maar hoe lang kon deze er onkundig van blijven? Want beiden, inzonderheid brederode, door zijn' rang en stand het naast aan de Landvoogdij en den Staatsraad, verkregen al spoedig over de overige bondgenooten eenig gezag. Lodewijk, het is waar, vertrok weder naar Duitschland, maar was zelfs op die reize
geen werkeloos bondgenoot, en wierf onderteekeningen voor de lijst, die hij bij zich droeg (zie het merkwaardige berigt bij te water, Verbond der Edelen, Dl. II, bl. 301, 302). Wat viel er intusschen veel van het bondgenootschap te zeggen, zoolang ex nog deelgenooten werden bijeengezocht, en de voorwaarden van toetreding zoo ruim mogelijk waren gesteld? Alles was op mogelijkheden berekend; niemand was tot eene bepaald omschrevene daad verpligt. Hoe meer de zamenzwering rijpte, des te meer deed zich de behoefte aan een' beslissenden stap gelden. Een maatregel van geweld, waardoor de verbondenen zich eensklaps in eene sterke stelling tegenover de regering zouden plaatsen, werd ontworpen en beraamd. Brederode, van wien men de beslissing liet afhangen, hechtte er zijn zegel aan; de Prins daarentegen, wien men daarover in het algemeen sprak, keurde het af, werkte het misschien tegen, en drong er op aan, dat men, eer men den weg van wapenen insloeg, zou beproeven, hoeverre met vertoogen en verzoekschriften gevorderd kon worden. Zoodanig was de stand van zaken vóór het einde van Februarij 1566; maar, daar de Heer groen uit dezelfde bron, waaruit wij de laatstgemelde bijzonderheden ontleenden, heeft getracht te betoogen, dat eerst toen het bondgenootschap in het algemeen ter kennisse des Prinsen zou gekomen zijn (Arch., T, II, p. 12), willen wij de woorden van de hammes, in zijnen brief aan lodewijk van nassau, van 27 Februarij 1566 (Arch. T. II, p. 35), mededeelen, en slechts die plaatsen onderstrepen, welke onze meening bevestigen, en die des Heeren groen omverrewerpen: ‘A la dernière assemblée (de nos alliés) fut arresté une conclusion’ - ‘nous le feismes sous la correction et avis de monsr. de brederode, auquel nous déclarames les particularités de l'entreprise, et à monseigneur le Prince la généralité, - monsr. le Prince en a rejetté la generalité, se tenant pour asseuré de l'impossible, veu les grans proffitz et la grande faeilité que nous attribuions à la dite entreprinse, joinct qu'il n'est encore d'oppi-
nion d'user d'armes, sans lesquelles il estoit impossible de mettre nostre pourject en exécution. Nous attendons tous vostre retour avec un incroiable desyr - espérans que ayderés à faire luyre le feu ès ceurs de ses Seigneurs icy. - Ils veullent que à l'obstination et endurcissement de ces loups affamez nous opposions remonstrances, requestes et enfin parolles, etc.’ Waarlijk, wanneer wij de uitdrukkingen van dezen brief slechts oppervlakkig wegen; wanneer wij bedenken, dat de hammes aan lodewijk schreef als aan een' bondgenoot; dat hij van de vergaderingen der bondgenooten als eene reeds gewone zaak spreekt, dan kunnen wij niet begrijpen, hoe de Heer groen, p. 12, heeft kunnen schrijven: ‘il est probable que l'expression: entreprise se rapporte à la Confédération en général.’ - Is onze opvatting der woorden daarentegen de ware, dan kunnen wij evenmin begrijpen, hoe men den Prins in het algemeen van een' dergelijken stouten aanslag kon kennis geven, zoo hij niet vooruit wist, dat zich eenige bondgenooten tot een bepaald doel hadden vereenigd; of hoe hij ter afleiding vertoogen en smeekschriften kon aanraden, zonder zekerheid te hebben, dat een onderling eenstemmig getal teekenaars zich tot eene stoute poging had verbonden.
Wat de hammes van lodewijks terugkomst verwachtte, gebeurde. Twee Duitsche Krijgsoversten, schwarzburg en georg von holle, verzelden hem, en waren met hem en andere Edelen te Breda bijeen. Wat in die vergadering verhandeld zij, is hoogst onzeker; alle berigten daaromtrent zijn louter geruchten. Beslissender was eene vereeniging te Hoogstraten tusschen de meeste Stadhouders en Ridders der orde. Toch schuilt ook hier veel in het duister. Die later om die bijeenkomst werden aangeklaagd, verschansten zich meest achter stoute ontkenningen. Willem zelf heeft in 1580 daaromtrent het volgende verklaard: dat hij de Ridders der orde en de voornaamste Raadsleden te Hoogstraten had bijeengeroepen, dat hij hun het dreigende gevaar des burger-
krijgs had voor oogen gehouden, en als het eenige redmiddel voorgesteld, zelve het roer der zaken in handen te nemen, en die maatregelen door te zetten, welke hun tot behoud van den staat dienstig schenen; dat schwarzburg en von holle zijne meening ondersteund en vergeefs bij de overige Heeren hunnen invloed hadden aangewend, om hen tot dat plan te doen toetreden; maar dat de bijeenkomst niets had opgeleverd, dan dat willem voor de gansche wereld getuigen kon, dat hij het kwade voorzien had en alle middelen aangewend, om het af te keeren. Op deze vergadering werd gesproken van het Verbond der Edelen en van een Smeekschrift (vergelijk de Déduction du Comte de Horne, p. 235, met de Interrogatoires d'Egmont, bij reiffenberg, Correspond. de Marguerite d'Autriche, p. 317, 318, en het daar aangehaalde Supplément de strada, I, p. 78, 79). Egmont en megen deelden der Landvoogdesse mede, wat zij te Hoogstraten hadden vernomen: dat de Edelen een verbond zoo binnen- als buitenslands hadden gesloten, waardoor zij in staat waren eene legermagt van 30,000 man te voorschijn te roepen, zoo men geene vrijheid van geweten toestond. Dat dit de inhoud hunner mededeeling was, wordt bevestigd door de getuigenis van den geloofwaardigen hopperus, Recueil, p. 69, 70, en door den brief van margaretha zelve aan den Koning, gedeeltelijk in het licht gegeven door reiffenberg, t.a.p., p. 13-15(1).
Waren die berigten van grond ontbloot? Waarschijnlijk niet. Het Verbond der Edelen had een' magtigen stap voorwaarts gedaan, en zich door geheime toerustingen, of ten minste door de verwachting daarvan, gesterkt. Dit was de grond, waarop de voorslag van willem aan zijne ambtgenooten stond; de zamenzwering was rijp, eene uitbarsting
dreigend; wilde men voor het vervolg niet van het spel des toevals, of van de willekeur eens gelukkigen aanvoerders, dien de omstandigheden aan het hoofd der onderneming zouden plaatsen, afhangen, dan was het tijd, dat de Heeren zelven zich aan het hoofd der beweging stelden, de krachten der bondgenooten tot de hunne maakten, en daarop steunende, die orde van zaken invoerden, welke den Staat op een' vasten voet zou brengen, 't geen onmogelijk was, zoolang de Kardinalisten hunnen invloed bij de Regentes behielden. Om zoo iets te kunnen en te durven voorslaan, moest willem van de sterkte der bondgenooten de overtuiging hebben. En eerst toen zou hij van het bestaan des bondgenootschaps verwittigd zijn geworden! Credat Judaeus Apella! Dat eene zamenzwering zoo verspreid, zoo uitgebreid, zulk eene ontwikkeling kon verkrijgen, zou waarlijk niet voor de schranderheid van de Stadhouders der Landvoogdesse pleiten, indien wij bij hen aanvankelijk geene oogluiking mogen onderstellen. Evenwel in den vorm, welken dit eedgenootschap thans had aangenomen, was het werkelijk met de veiligheid van den staat in strijd, en wat willems verborgene meening ook geweest zij, op den 12den Maart 1566 kon hij het niet anders dan ‘rondelijk en hoogelijk’ afkeuren, wanneer hij als Staatsman tot zijne ambtgenooten sprak. Te meer was hij daartoe gedwongen, zoodra zijn voorstel schipbreuk leed op den stelligen tegenstand der graven van egmont en megen.
Wat deed willem na deze mislukte poging? Hij keerde met hoorne naar Breda terug. Lodewijk stelde onder de oogen zijns broeders en onder die van hoorne het bekende Smeekschrift op; volgens sommigen had zelfs de Prins in de redactie daarvan de hand (v.d. haer, II, p. 207; p. heuterus, XVI, p. 398). Hoe het zij, niemand was vreemder dan hij, om geweld te wagen, waar onderhandelingen nog kans hadden; en het plan, dat hij in Februarij reeds den bondgenooten had voorgeschreven, om tot vertoogen en smeekschriften zich te vereenigen, zegevierde ook bij hen.
Meer dan zulk eenen zijdelingschen invloed oefenen, kon en mogt de Prins niet. Men stelt zich, op het gerucht af van de tweespalt in den Raad van State en van de schoone redevoeringen, aldaar gehouden, al te dikwijls de zaak voor, alsof de Prins en zijne aanhangers met zeker regt er de meeningen des Volks en het belang des Lands hadden vertegenwoordigd. Intusschen niets was strijdiger met deze instelling. Hij en de andere leden waren enkel in dienst des Vorsten, om dezen het regeren naar zijnen wil mogelijk te maken. Zij waren niets dan 's konings trawanten, aan niemand dan aan hem verantwoordelijk. Wie de korte en duidelijke uiteenzetting dezer instelling bij van der haer, L. I, p. 72, 73, inziet, zal toestemmen, dat granvelle met alle regt eens aan hoorne op diens gemaakte bedenkingen ten antwoord gaf, dat hij alleen geroepen was, om goed te keuren en te helpen uitvoeren. Even als willem, onthielden zich dan ook alle Stadhouders en Vliesridders (op één' na misschien) van alle opentlijke deelneming in het Verbond(1). Slechts ééne wijze, om aan het net der dwingelandij te ontkomen, was mogelijk en regtmatig. Het was die van zich aan de raadplegingen te onttrekken. Daarom was willems herhaald verzoek om ontslag even welgemeend als de weigering van filips het was. Gene wenschte zich de handen ontboeid; deze vond er voordeel bij, om den strik strenger
aan te halen. Nog in Januarij dezes jaars had de Prins verzocht, om in zijn Stadhouderschap vervangen te worden; thans, na den uitslag der onderhandelingen te Hoogstraten, onttrok hij zich geheel aan alle deelneming in den Raad van State. De Landvoogdes noodigde hem met brief op brief; eerst zeer op het lest verscheen hij, toen zijne stem slechts het laatste overwigt kon geven aan de partij, die toegeeflijkheid wilde, of - toen zijne tegenwoordigheid te Brussel vereischt werd, om over de stappen der Edelen bij hunne komst een waakzaam oog te houden.
Als ik het gedrag des Prinsen naga, van het oogenblik af, waarop ‘hij openlijk en rondelijk zijne afkeuring van het Verbond’ had te kennen gegeven, dan zie ik niet, hoe door iemand in willems betrekking dat zelfde Verbond gunstiger had kunnen bejegend worden, dan hij het deed. Zijn invloed had bij de bondgenooten getriumfeerd; een verzoekschrift werd, in overleg met hem, door zijn' broeder gesteld; die broeder bleek van dat oogenblik af met brederode het hoofd des bondgenootschaps. Breda, 's Prinsen gewone verblijfplaats, werd de werkplaats, waar alles gesmeed werd. Terwijl egmont en megen het hof in onrust bragten door het onweder, dat zij boodschapten; terwijl het zamenroepen der Stadhouders en Vliesridders dringend noodzakelijk werd, beantwoordde de Prins de herhaalde uitnoodigingen der Landvoogdes met eene weigering, en verscheen niet. Zijn broeder werkte, wierf in alle landschappen teekenaars, beschikte over de benden van ordonnantie des Prinsen en van hoogstraten, alsof het zijne eigene waren, de Prins zweeg en zag toe; neen, als wilde hij hetgeen er gebeurde niet zien, hij trok zich terug in Holland. Eindelijk, omstreeks het einde van Maart, begaf hij zich naar Brussel, misschien te zelfder tijd, dat het gansche plan rijp was, en lodewijk en brederode tot de uitvoering van Vianen opbraken. Welligt met denzelfden brief, waarin hij zijne aanstaande komst te Brussel aankondigde, verwittigt hij de Landvoogdes omtrent
hetgeen zij van het Verbond reeds wist, als wilde hij, vóór zijn verschijnen in den Raad, ten minste gedaan hebben, wat van hem kon worden gevergd. Waar waren brederode en lodewijk, die reeds op den 31sten Maart van Vianen waren vertrokken? Waarschijnlijk te Lier, om de laatste schikkingen met de andere bondgenooten te treffen; maar een brief, door hoorne aan brederode op verzoek der Landvoogdes geschreven, om hem te raden zonder groot gevolg van edellieden te Brussel te verschijnen, komt te laat. Willem daarentegen onderhandelt met beide de hoofden door brieven en boden. Den derden April zijn beiden te Brussel, en willem ontvangt hen in zijn huis. Er loopen hier een aantal kleine omstandigheden zamen, die, indien zij zijne vertrouwdheid met de geheimen van het bondgenootschap niet bewijzen, op den voorzigtigen Vorst de blaam zouden werpen, van niet tegen den schijn des verbodenen te hebben gewaakt(1).
Eer wij van de gebeurtenissen, die het overleveren van het Verzoekschrift voorafgingen, afscheid nemen, vergunne men ons nog eenige opmerkingen. Men wijte onze uitvoerigheid aan den eerbied, dien wij voor het gezag van een' schrijver, zoo scherpzinnig en met zoo veel studie van de bronnen toegerust, als den Heer groen koesteren; die zelfde eerbied dwingt ons in eene meening, die tegenover de zijne staat, zoo weinig mogelijk eene kwetsbare plek open te laten. - Onze eerste aanmerking betreft, hetgeen door hem minder bewezen dan terloops geïnsinuëerd wordt, dat willem niet in de geheimen zijns broeders deelde, en zijn invloed op de Edelen niet beslissend was. Voor het ééne wijst de Heer groen op den brief van willem aan lodewijk (Archives, T. II, p. 10), en zoo ik toestem, dat iemand, die de meening des Heeren groen tot de lezing diens briefs medebrengt, dat gevoelen daardoor bevestigd kan wanen, ik geloof, dat hij van zijne zijde zal toestemmen, dat wie het niet vooronderstelt, het er niet uit zal lezen. Ik houde het er voor, dat willem schrijft in de overtuiging, dat hetgeen men lodewijk opdicht, niet waar is. De woorden aldaar: ‘Je suis après pour scavoir le tout’ beduiden, volgens mijn inzien van het verband, niet: ik ben er op uit, om de waarheid der zaak op het spoor te komen, maar: den grond
van het praatje, en in dien zin laat hij er op volgen: ‘et vous asseur que este obligé à une persone dont peult ester ne vous donnes gardes.’ Met geen enkel woord ten minste verzoekt willem van lodewijk opheldering omtrent de zaak zelve, en het vervolg van den brief draagt allezins het kenmerk van het gewone vertrouwen. Wat het andere betreft, acht ik het bewijs, door den Heer groen, p. 74, aangevoerd, ten eenenmale onvoldoende. Volgens strada zou namelijk een goed aantal der bondgenooten eenen gewapenden intogt binnen Brussel hebben gehouden, ofschoon de Prins hen verzocht had ongewapend te komen, en geschreven (Arch., T. II, p. 75), dat hij wist, dat zij dit verlangen zouden nakomen. De Heer groen intusschen heeft zelf de verzekering aangehaald uit de Apologie der Protestanten in 1567, volgens welke de Edelen werkelijk geene wapenen hadden gedragen: ‘fors celles que gentilshommes sont tenus porter ordinairement,’ en de uitrusting, waarin zij gekomen zijn, wordt daar uitdrukkelijk gesteld tegenover hunne ‘équippage de guerre’. Dit strookt volkomen met hetgeen in de Mémoire, p. 57, wordt aangevoerd, en de Prins kon dus in zooverre te regt zeggen, dat hij wist, dat de Edelen niet gewapend zouden komen. Alles was hierbij aangelegd op een plegtigen intogt, maar tevens op een' vredelievenden. Ik heb geene gelegenheid thans naauwkeurig na te gaan, wat bij eene plegtige gelegenheid tot de ‘équippage ordinaire’ eens Edelmans behoorde(1); maar te oordeelen naar wat zij op
Rijksdagen en huwelijksfeesten medebragten, behoorden tot het gevolg van Edelen van dien rang, als brederode, culemburg en anderen, hunne edelknapen en ‘chevaulx et armes,’ gelijk wij in de aangehaalde Mémoire lezen. Zoo strada dus door zijne aanmerking heeft willen te kennen geven, dat de Edelen ten strijde gerust in Brussel kwamen, acht ik zijn verhaal voor eene onverdiende blaam, even als een dergelijk berigt van pontus heuterus, reeds door te water aangehaald (Verb. der Edelen, Dl. I, bl. 289, 290), waarbij het opmerkelijk is, dat, volgens hem, brederode, in tegenspraak hiermede, in zijne rede tot de Landvoogdes, zich beroemde, dat de Edelen, in vertrouwen op de eerlijkheid hunner zaak, ongewapend waren verschenen. Ééne zaak kan ik echter niet voldoende oplossen. Willem raadt den Edelen in den meermalen aangehaalden brief, afzonderlijk en niet ‘avecque si grande trouppe ensamble’ te komen. Men weet, dat brederode zich aan dien raad niet hield. Maar de Landvoogdes zelve schijnt in haren eisch verder gegaan te zijn, dan willem raadzaam achtte te schrijven. Merkwaardig is hier de verklaring van hoorne, in zijne Propre Response (Déduction, p. 240): ‘Bien escripvoit,’ zegt hij, ‘le dict Deffendeur au Seigneur de brederode, par commandement de Madame, que venant audict Bruxelles pour remontrer quelques affaires pour le service de S.M. il pourroit venir simplement, sans trouppe; et estant arrivé ledict de brederode, le deffendeur luy demandoit pourquoy il n'avoit satisfaict à ce qu'il luy avoit escript de la part de madicte Dame. A quoy luy fut respondu, ne l'avoir
pu faire à cause que les gentilshommes arrivoient de tous costez et que la plus part estoient dedans la ville, quand il receut ladicte lettre. Aussi qu'il n'eust peu mander en tant de divers lieux et à tant de diverses personnes qu'ils se retirassent: car il receut ladicte lettre le soir, comme il entroit le lendemain à Bruxelles.’ De verontschuldiging van brederode is zeer aannemelijk, en, zoo hij al tegen den aanvankelijken en eenigermate officiëlen schriftelijken raad van den Prins handelde, weten wij echter niet, in hoeverre deze zich liet wijzigen door hetgeen hij verder aan de mondelinge onderhandeling van zijn' bode overliet, Archives, p. 75. Wij zullen later een voorbeeld aantreffen, dat ook willem tegenover de bondgenooten zijne meening opgaf, wanneer hij nadere inlichtingen had verkregen.
Onze tweede aanmerking is deze. Men kan, om willems onbekendheid met het Verbond staande te houden, zich beroepen op den ondoordringbaren sluijer, waarmede de eedgenooten hun geheim bedekt hielden, en dien het zelfs hunnen vijanden niet gelukte vóór half Maart op te ligten. Ik moet erkennen, dat uit alle berigten blijkt, dat die geheimhouding, vooral ten opzigte van de namen der eedgenooten, tot regel schijnt gemaakt te zijn. Intusschen, die geheimhouding had slechts waarde, wanneer er werkelijk iets belangrijks te verbergen viel. Het Verbond kreeg eerst zoowel doel als krachten, nadat de laatste strenge besluiten des Konings bekend en afgekondigd werden. Zoolang het onbepaald van vorm bleef, kon men het laten aangroeijen, zonder het te storen en, door die storing, de openbaarwording te weeg te brengen. Eerst tegen het einde van Februarij werd het dreigend, en wat van toen af de Landvoogdes er van geweten hebbe, is moeijelijk te beslissen. Ook zij was eene bevattelijke leerlinge der Italiaansche staatkunde, en tot welke uitersten zij het stelsel der bespieding dreef, daarvan levert het leven van fr. junius eene proeve (p. 43, 44). Strada gewaagt (l.l. p. 174) van eenen brief der Land-
voogdes aan den Koning, van 15 Maart, waarin zij dezen de openbare en geheime aanslagen der bondgenooten berigt. Anderlecht, megens hofmeester, meende haar iets nieuws omtrent de zamenzwering mede te deelen, en vond, dat zij het meeste reeds wist en op alles het oog hield. Het berigt van megen en egmont trof haar dus niet onvoorbereid. ‘Hare bespieders,’ schrijft strada, ‘zwierven door alle steden, en drongen in de binnenkamers door; alles vingen zij op en alles bragten zij aan. Verspieders toch zijn de oogen en de ooren der Regenten. De Landvoogdes intusschen verborg hare vrees, en zamelde hare krachten tegen de uitkomst. Derhalve vermaande zij, het Volk door edicten, de Overheden door bijzondere brieven, tot hunnen pligt; de vestingen en bolwerken der steden liet zij in het geheim door vertrouwde lieden in oogenschouw nemen; het gerucht van 's Konings aanstaande komst bragt zij meer en meer in omloop, en aan de Spaansche gezanten aan het hof des Keizers, van Frankrijk en Engeland, zond zij boden op boden, om hen te waarschuwen voor de zamenzwering, die in Nederland, en, zoo men zeide, met hulp van Duitschers, Franschen en Engelschen gemaakt werd.’ -
Onze derde aanmerking raakt het onderscheid tusschen woorden en daden, tusschen willem, die het Verbond der Edelen naar onze meening voorstond, schoon hij ook toen reeds zich luide beklaagde, dat men hem voor het hoofd des Verbonds hield, en een' ander' persoon, even hoog geplaatst als willem, in even naauwe betrekking tot de voornaamste bondgenooten zelven, maar die het Verbond te keer ging, ten minste zich daara