In een register, dat eertijds tot de archieven van den Raad van State te Brussel behoord had, doch dat thans onder die van Weenen bewaard wordt, vindt men verschillende stukken vereenigd, die voor de geschiedenis van de beroerten der XVIe eeuw niet onbelangrijk zijn. Daaruit is het vlugschrift dat wij uitgeven getrokken. Het vermeerdert het bekende verhaal van den meer of min lijdelijken tegenstand, dien de heffing van den tienden penning in 1572 te Brussel vond, met eenige bijzonderheden. De schrijver van het vlugschrift was in zijn ellendig kreupelrijm niet anders dan de echo van de straatgeruchten, hartstogten en blinde vooroordeelen, waarop de geestkracht van den hertog van alva zelf zich eindelijk te barste stiet. Want, - dit zij van nu af op den voorgrond gesteld, - van alle gewelddadigheden van zijn bewind is de heffing van den tienden penning die, welke de minste blaam op zijne nagedachtenis werpt. Als een onvermijdelijk gevolg van het stelsel van centralisatie, dat hij geroepen was in te voeren, zou die maatregel, onder zekere beperkingen, voor het land en de ingezetenen eene voordeelige werking kunnen hebben gehad; aan menigerlei ongelegenheid, aan vele onregt-
vaardigheden en aan ontelbare knevelarijen zou daardoor de weg zijn afgesneden. In de uitvoering van zijn plan heeft de hertog - zoo als uit onze opmerkingen blijken moet - met eene gematigdheid gehandeld, die hij tot dusver zelden aan den dag gelegd had. Maar, door eene dier grillen van het noodlot, welke in de jaarboeken der dwingelandij menigvuldiglijk voorkomen, heeft geen maatregel meer bijgedragen, om zijn gezag omver te werpen. Het was bij deze gelegenheid, dat hij de eerste nederlaag kreeg, en dat het volk, dat tot dusver door den schrik van zijn' naam als verpletterd was, ophiéld hem als onoverwinnelijk te duchten. Zoo wordt in een van die liedjes des tijds, onder den naam van Geuse-Liedekens vermaard, de hertog ten tooneele gevoerd, zich beklagende over de verijdeling zijner plannen: en wel heeft hij reden om uit te roepen:
Men zal bemerken, dat onze rijmelaar noch aan den koning van Spanje, noch aan den hertog van alva, de schuld geeft, hoewel zij de eigentlijke schuldigen waren: hij heeft het in de eerste plaats op de overheden van Brussel en de ontvangers der zoo algemeen verfoeide belasting geladen. Hij legt hun baatzucht, onverschilligheid voor de resten des volks, inschikkelijkheid voor zijne onderdrukkers te laste. De vermaningen tot onderwerping, die zij niet kariglijk onder hunne onderhoorigen uitdeelden, hunne pogingen om de gemoederen te sussen en den last te verligten, die de burgerij drukte, houdt hij van huichelarij verdacht. Niets was evenwel onregtvaardiger. Wel verre van zich door den hertog tot handlangers zijner ge-
strengheid te laten gebruiken, verbitterden die beambten hem veeleer door hun eindeloos dralen en aarzelen en door de menigvuldige beletselen, die zij der uitvoering van zijnen wil in den weg legden. Hun lijdelijke tegenstand bood des te meer kans op een' goeden uitslag aan, naarmate zij zich thans door de leden van den Geheimen Raad en door die van den Raad van Financiën ondersteund zagen, die tot dusver gewoon waren geweest zich slaafs naar al de luimen van den landvoogd te schikken. Maar de beschuldigingen van onzen prulpoëet bepalen zich niet alleen tot de overheden. Hij gaat zoover van te verstaan te geven, dat de geestelijkheid in het algemeen den hertog op het denkbeeld van deze nieuwe afpersing gebragt heeft. Als men hem hoort spreken, kan men zich niet onthouden van in hem een dier heimelijke aanhangers van de Hervorming te herkennen, die de Raad van Beroerten den mond gesnoerd had, zonder hen te versmoren, en die, na, op de roepstem van lodewijk van nassau en nicolaas de hammes, de rust der stad Brussel reeds in gevaar te hebben gebragt, met nieuwe veêrkracht opstonden, zoodra petrus plancius en diens ambtgenooten hun den steun hunner onstuimige welsprekendheid hadden geleend.
De stijl van het vlugschrift is even onzuiver, als het rijm gebrekkig is. De volzinnen worden soms afgebroken en blijven onvoltooid, omdat de schrijver gaarne het deelwoord bezigt, in plaats van de bepaalde wijs (zie vss. 23, 67, 77, 118, 135). Voeg hierbij dat het handschrift, waarnaar ons afschrift vervaardigd is, dikwijls niet te ontraadselen is: eene moeijelijkheid, die nog vermeerderd wordt door de talrijke spelfouten waarvan het krielt, die eene hand schijnen te verraden, weinig bedreven om Vlaamsch te schrijven(1).
Zie hier den tekst van het vlugschrift.
Men veroorlove ons eenige aanmerkingen, die zullen kunnen dienen tot opheldering en regte waardering der feiten.
Ongetwijfeld heeft men te veel ophef gemaakt van den moed der Brusselaars, die zich tegen de belasting verzetteden; men heeft den aard der beweegredenen van dien tegenstand miskend en de uitgestrektheid der gevolgen overdreven. Die dwaling mag ons geenszins bevreemden. De naam van den hertog van alva verpersoonlijkte alles wat onregtvaardig, drukkend en bloeddorstig was: al wie zich onder de tegenpartij schaarde, scheen daardoor alleen reeds de zaak van het regt en de menschelijkheid
te verdedigen. Men onderstelde bij den hertog van alva plannen van geweld, die hij althans niet verwezentlijkt had, en die onderstellingen vonden in de overlevering hare plaats; maar hoe algemeen verspreid ook en zelfs door het gezag van eenige achtenswaardige schrijvers ondersteund, die overlevering kan en mag niet in de plaats der geschiedenis treden. De uitkomst, die somtijds alles schijnt te regtvaardigen, verklaarde zich tegen den hertog; en voortaan leidde men de tegenspoeden, die hij in het vervolg ondervond, van dien stoot als van hunnen eersten oorsprong af, en men vergat dat de tegenstand tegen den wil van den hertog noch zoo hardnekkig, noch zoo eendragtig zou zijn geweest, indien zijn gezag niet van te voren reeds aan het wankelen ware gebragt, indien de tooverkracht van zijnen naam niet reeds vervlogen ware, en indien men niet sedert lang hadde kunnen bemerken, dat de kolos van metaal op voeten rustte van leem.
De nakomelingschap is regtvaardigheid verschuldigd, zelfs aan den hertog van alva. Zonder de schatbare ontdekkingen vooruit te loopen, die de archieven van Simancas ons weldra zullen opleveren, meenen wij, dat de oorkonden, die men tot dusver in het licht gegeven heeft, voldoende zijn om een oordeel uit te brengen, dat minder door partijzucht gestempeld is, om den hertog van alva eenigermate te verontschuldigen, en de loftrompet, die men voor de Brusselaars gestoken heeft, een' toon of wat lager te stemmen.
In de geschiedenis van den tienden penning heeft men den hertog van alva voorgesteld, zoo als men hem steeds afschildert: als onverbiddelijk voor het gekerm zijner slagtoffers, tot waanzin toe hardnekkig in het doorzetten zijner voornemens, vaardig om de vraagstukken van het regt door te hakken met het scherp van zijne brave kling van Toledo. Hij zou, zegt men, de regters des lands, die weigerden de werktuigen zijner gewelddaden te zijn, voor ellendelingen hebben uitgescholden: toen de luitenant-Ambtman(1) zich eenige bedenkingen
veroorloofd had tegen den vorm der vonnissen, zou de hertog zich de haren uit den baard getrokken en geantwoord hebben: ‘Bij deze haren, als gij de weêrspannigen niet teregtstelt, zal ik u laten hangen!’ Het duurde niet lang, volgens dezelfde overlevering, of hij ging tot de uitvoering zijner bedreigingen over. De scherpregter had de stroppen gereed: ladders van twaalf voet hoog waren reeds aan de galgen gezet: het krijgsvolk stond onder de wapenen: zeventien der aanzienlijkste en geachtste burgers van Brussel waren op het punt de misdaad van voor hunne oude privilegiën in de bres gesprongen en tegen de heffing van den tienden penning opgekomen te zijn met den hals te boeten: de luitenant-Ambtman was onder dat getal, en reeds begaf zich don frederik naar de woning van viglius om het doodvonnis te teekenen, toen eene onverwachte gebeurtenis de veroordeelden redde: op hetzelfde oogenblik dat zij zouden omkomen, kreeg de hertog tijding van het innemen van den Briel, en die verpletterende mare stuitte hem in zijn bloeddorstig opzet.
Dit verhaal noemen wij eene overlevering, hoewel men het opgeteekend vindt in de Apologie van den prins van oranje van 1581. Wij mogen dit des te eerder doen, daar drie onzer voornaamste geschiedschrijvers, bor, van meteren en strada, ons daarin zijn voorgegaan. Het was toch zoo goed als eene verwerping van 's prinsen getuigenis, wanneer zij, zoo als zij hebben gedaan, eene andere overlevering bij voorkeur boven de zijne vermeldden(1). De teregtstelling,
die, volgens den prins, in het openbaar moest plaats hebben, veranderde, volgens die schrijvers, in eene nachtelijke hinderlaag. In plaats van de gereed staande ladders en de opgerigte galgen, zouden de slagtoffers in den slaap overvallen en aan de deuren en vensters hunner woningen opgehangen worden. Dergelijke vertelsels onttrekken zich ongestraft aan de kritiek der geschiedenis. Terwijl deze hare fakkel omdraagt en den voorgrond verlicht, staat het elkeen vrij de duisternis, die den achtergrond bedekt, naar willekeur te verzwarten. Hoe minder men ze wederleggen kan, des te gemakkelijker groeijen dergelijke geruchten aan, verspreiden en vereeuwigen zij zich. Reeds in 1568 had men den hertog op gelijke wijze het oogmerk toegeschreven, om met éénen slag en in denzelfden nacht allen te overrompelen, die van ketterij en weêrspannigheid verdacht waren. Was dat gerucht beter gegrond? Wij weten het niet: maar toen althans werd er tot eene inhechtenisneming op bloote verdenking, die zich over zulk een groot aantal personen uitstrekte, wel vereischt, dat zij onvoorziens, in het geheim, in den donker plaats had. In 1572 daarentegen kwam het er op aan een voorbeeld te stellen. Het schriktooneel, aangelegd om den oproergeest te bedwingen en te verpletteren, moest door het volle daglicht beschenen worden en van al het uiterlijk vertoon eener geregtelijke strafoefening omgeven zijn. Was de hertog van alva de man om voor dergelijke noodzakelijkheid terug te deinzen? Wat hij ook moge misdaan hebben, de moed van het despotisme mag hem niet betwist worden(1).
De overlevering bij den prins van oranje laat hem die heillooze verdienste; doch zij is er des te onwaarschijnlijker om. Want hoe laat zich dan het stilzwijgen der gelijktijdige kronijkschrijvers verklaren, die ooggetuigen waren van al wat er te Brussel voorgevallen was? Noch de ongenoemde, wiens rijmen wij zoo pas hebben in het licht gegeven, noch jacques de pottere, een naauwgezet schrijver, aan wien het werk van de Heeren wauters en henne (Histoire de Bruxelles) zooveel schatbare bijzonderheden te danken heeft en wiens handschrift wij zoo pas op nieuw gelezen hebben, zeggen een woord van de feiten door den prins vermeld. Bij onze twee kronijkschrijvers komt zich een derde getuige voegen, die alles gezien en alles gehoord heeft, die door zijne ambtsbetrekking in het middelpunt zelf der gebeurtenissen was geplaatst: ik bedoel viglius. In zijn Gedenkschrift over den tienden penning heeft hij zich opzettelijk ten doel gesteld, de nakomelingschap te doen weten, hoe eigenzinnig de hertog op deze belasting had gestaan; hij heeft alle gevaren opgesomd, waaraan zich de raadsheeren hadden blootgesteld, die het waagden van een tegenovergesteld gevoelen te zijn; hij heeft al de toornvlagen van den hertog en de beleedigingen opgeteekend, die berlaymont en de ambtenaren der finantiën en hij viglius ieder op hunne beurt van hem te verduren hadden. In zijne brieven aan hopperus deelt hij dezen, onder den indruk van het oogenblik, al de bezorgdheid mede, welke aan den eenen kant de gisting des volks, aan den anderen, de gramschap van den hertog deed ontstaan. Maar, noch in zijn gedenkschrift, noch in zijne brieven, doet een enkel woord ons de verschrikkelijke ontknooping vermoeden, die op het punt gestaan had van de voornaamste ingezetenen van de hoofdstad des lands door een' gemeenschappelijken ondergang te verdelgen.
Gaan wij van de uitwendige tot de inwendige bewijsgronden over. Met welk regt vindt men den naam van viglius gemengd met de feiten, die de prins te boek deed stellen? Men kent den wrok, dien de prins, wegens hunne vroegere verdeeldheden, den president van den geheimen raad toedroeg: in al zijne uitvaardigingen, in al zijne staatkundige vlugschriften, komt die wrok aan den dag; doch hij kon dien niet ongepaster lucht geven dan te dezer plaatse. Bij gelegenheid van den tienden penning had viglius zich tegen de maatregelen van den hertog verzet, met dat gevolg dat hij bij hem in ongenade viel. Deze had dus voor de wraakontwerpen, waarop hij zon, geen vertrouwde kunnen kiezen, op wien hij zich minder mogt verlaten. Ontelbare middelen stonden alva ten dienste om aan de weêrspannigen zijne gramschap te koelen; noch viglius, noch don frederik behoefden daarvoor in het spel te komen. Want, om kort te gaan, waarvan was er sprake? Wat was de misdaad dier zeventien veroordeelden? Tot welken stand behoorden zij zelven? Hoe kon de luitenant-Ambtman, 's konings ambtenaar, die alleen voor den raad van Brabant te regt kon staan, met zijne zestien lotgenooten, hetzij dezen eenvoudige burgers waren, of leden van den magistraat, één en hetzelfde vergrijp gemeen hebben? Indien het eenvoudige burgers waren, die zich weêrbarstig toonden, hadden zij voor de regtbank hunner schepenen moeten gebragt worden, en de Spaansche bezetting was daar om de uitvoering der vonnissen met kracht van wapenen te ondersteunen. Indien de overheidspersonen zich onwillig toonden, moest op dezen de strengheid van den hertog nederkomen, die, als laatste middel, de buitengewone regtbanken en daaronder den raad van beroerten, ontzettender gedachtenis, tot zijne beschikking had. Maar noch viglius, noch don frederik waren daar leden van. Het noodlottig getal zeventien, door den prins aangegeven, heeft eene treffende overeenkomst met dien raad van zeventienen, waarvan onze ongenoemde rijmelaar spreekt.
Dan zouden het de overheden zelve zijn geweest, wier dood de hertog besloten had, en de keus zijner slagtoffers zou hem niet meer vrij gestaan hebben, zoo als de prins van oranje beweert. De waardigheid die zij bekleedden maakte hen tot de voorwerpen van de wraak des dwingelands. Maar hoe, in dat geval, ons het oordeel te verklaren, dat de tijdgenooten, onze ongenoemde schrijver en jacques de pottere, over hunne overheden uitgebragt hebben? Zij hebben ze ons afgeschilderd als onverschillig voor de oude voorregten der gemeente, als den hertog in alles te wille, als besluiteloos omtrent den weg dien zij moesten inslaan, en als zwichtende voor elken drang van buiten, om 't even of die van het muitende volk, of van den vergramden dwingeland kwam. Blijkbaar zijn die schrijvers onregtvaardig geweest; doch zij hebben slechts de praatjes van straat en herberg herhaald: de stem des volks was dus onregtvaardig even als zij. Maar zij zou dat niet geweest zijn, indien de feiten, tien jaren later door den prins geboekt, van het eerste oogenblik af algemeen bekend waren geweest en indien men met eigen oogen die strafwerktuigen had kunnen zien, die het treurig loon zouden zijn geweest, dat der onverschrokken braafheid van den magistraat was toegedacht.
Om kort te gaan: in de twee lezingen, die wij zoo even onderzocht hebben, zijn slechts twee feiten waar, en bovendien zijn die feiten verwrongen. De bedreiging om de weêrspannigen uit hun bed op te ligten is uitgesproken; maar die bedreiging ging van eene ondergeschikte magt, en niet van den hertog van alva uit. Zij ging niet verder dan eene inhechtenisneming, en niet zoover als een doodvonnis(1). De hertog van alva was ten uiterste verwoed over den tegenstand dien hij vond: in dit opzigt, heeft de prins van oranje de waarheid gezegd. Het gedenkschrift van viglius, de onuitgegeven briefwisseling van morillon met den kardinaal granvelle staven zijne
bewering(1). Het overige is opsiering. Om zijn verhaal eene kleur van waarheid te geven, moest de prins den hertog voor de uiterlijke vormen zijner ondenkbare regtspleging de toevlugt doen nemen tot de slaafsche regtsgeleerdheid van viglius. Het was eene nieuwe aantijging, tegen zijn' ouden vijand in het midden gebragt. Maar de kritiek moet met gelijke afkeuring èn de hoofdzaak èn de bijomstandigheden verwerpen, en de beraamde strafoefening der zeventien Brusselsche overheidspersonen voortaan rangschikken onder die meer dan twijfelachtige anecdoten, die in de staatkundige vlugschriften van den prins van oranje verspreid, meer eer doen aan de bekwaamheid, dan aan de waarheidsliefde van den opsteller.
Men is over het algemeen gewoon in den tienden penning een plan te zien, dat geheel in het brein van den hertog van alva zou zijn uitgebroed, waaraan de koning niet dan behoudens vele beperkingen zijne toestemming zou hebben gegeven, en dat hij zelfs geaarzeld zou hebben door zijn gezag te bekrachtigen. Op die wijze stelt men den hertog van alva verantwoordelijk voor al de hardheden, al de gewelddadigheden, waarmede de uitvoering van het plan vergezeld ging. Deze zienswijze is niet nieuw. Zij had reeds geloof gevonden door het gedenkschrift van viglius; maar het is vooral in onze dagen dat zij door een bijkans beslissend gezag gesteund is geworden. De Heer gachard zegt in zijn Lettre à MM. les Ques-
teurs (Bruxelles, 1845): ‘Les archives de Simancas prouvent que ce fut le duc d'Albe et non Philippe II, qui conçut le dessein d'établir aux Pays-Bas le dixième et le vingtième denier; qu'il en fit la demande aux États-généraux, sans en avoir reçu l'ordre du Roi, et même sans lui en avoir demandé l'autorisation; qu'il ne lui rendit pas compte des moyens de coërcition, qu'il employa pour les faire accepter; que Philippe II lui exprima la crainte que ces impôts ne fussent dommageables à l'industrie et au commerce du pays; que si néanmoins il donna son adhésion au système de son lieutenant, ce fut parce que celui-ci lui représenta qu'il n'y avait pas d'autre moyen de subvenir aux besoins du service public, ajoutant que l'opposition que rencontrait le dixième était une opposition factieuse; que le peuple s'y accoutumerait peu à peu; que si le Roi laissait échapper une si belle occasion de s'assurer un revenu considérable et permanent, tandis que jusque-là il avait été si difficile d'obtenir des États de faibles subsides, cette occasion pourrait ne se reproduire plus jamais.’
Voorzeker een zoo bepaald getuigenis laat zich niet in twijfel trekken; doch men moet hetzelfde regt laten wedervaren aan dat van den Heer groen van prinsterer, die, op grond der archieven van Besançon, eene geheel tegenovergestelde meening heeft voorgedragen. ‘On a,’ zoo laat hij zich uit (Archives de la maison d'Orange-Nassau, T. IV, p. 262), ‘beaucoup reproché au duc d'Albe sa manière d'agir relativement au dixième denier; mais voici ce que le Roi lui écrivit en février 1572: Je veux bien vous dire, quant à ce que m'escripvez du 10 denier, que je suis fort esbahy du peu de diligence que vous avez faict allendroict de l'exécution d'icelluy, pour en tirer ce qui est nécessaire pour l'entretènement des Étatz d'illecq; et pourtant sera bien qu'on se haste asteure pour recouvrer le temps que jusques oires s'est perdu: ce que j'espère et tiens pour certain que ferez et mesmes qu'avant l'arrivée de ceste tout sera jà effectué et achevé.’
Welk van deze twee getuigenissen moeten wij verwerpen? Wij gelooven, geen van beide. Hoe lijnregt zij ook met elkander in tegenspraak schijnen, is zulks echter niet onverklaarbaar voor elk, die met het weifelend, geveinsd en dikwijls ondoorgrondelijk karakter van den koning van Spanje bekend is. Had de hertog van alva, al dan niet, van zijn' vorst stelligen last ontvangen wat deze belasting betreft? Misschien zal men, zelfs na de uitgave der stukken, die de scherpzinnige archivaris van Belgie te Simancas verzameld heeft, daarop noch bevestigend, noch ontkennend durven antwoorden.
Viglius verhaalt in zijn gedenkschrift, dat de hertog in 1567 te Diedenhoven, toen hij te naauwernood den Belgischen grond betreden had, aan noircarmes en berlaymont verklaarde, dat hij voornemens was, het land die schatting op te leggen. Die twee heeren waren te meer bevoegd, om die vertrouwelijke mededeeling te ontvangen, daar zij leden waren van den Raad van Financiën. Hadden zij zich toen tegen de denkbeelden van den hertog verzet? Viglius zegt het niet. Integendeel, hij berigt dat door hunne tusschenkomst zelve in 1569 aan de staten van Henegouwen en Namen de toestemming tot den tienden en twintigsten penning werd afgeperst(1). Volgens hem, maakten die landvoogden, in overleg met den hertog, den staten wijs, dat de heffing van die belasting nimmer ten uitvoer zou worden gebragt, dat er, als men op hunne bewilliging aandrong, van hen alleen een bewijs van gehechtheid aan de zaak des konings werd verlangd. Bedreigingen vulden weldra aan wat nog aan hunne overredingskracht mogt ontbreken. Aan noircarmes inzonderheid deed men het verwijt, dat hij op de aloude gebruiken en de waardigheid van de leden der staten, door
den trotschen en heerschzuchtigen toon zijner toespraken inbreuk had gemaakt(1). Daar zij nu, hij en berlaymont, in de geheimen van den hertog waren ingewijd, maakten zij zich door deze handelwijze, niet slechts tot zijne gehoorzame werktuigen, maar ook tot zijne verantwoordelijke medepligtigen. Hoe laat zich dan de tegenstand verklaren en beoordeelen, dien zij twee jaren later aan het lievelingsplan van den Landvoogd boden?
Dat kwam omdat de hertog voor de eerste maal, sedert zijne komst aan het bewind, in zijn besluit gewankeld had en voor de moeijelijkheden terug was gedeinsd, die men hem in den weg legde. In plaats van den tienden penning, die een algemeen geroep van afkeuring had doen opgaan, nam hij voorloopig met den ouden vorm genoegen, waarin de belastingen waren opgebragt. Het volk verhoovaardigde zich op die zegepraal en vleide zich met de hoop, dat de tiende penning onbepaald uitgesteld zou blijven. De hertog liet het in dien waan; het was zijn belang. Het was voor het minst twijfelachtig, of de opbrengst van den tienden penning, vooral na de wijzigingen waartoe zich de hertog verbonden had, het hooge cijfer van de bede, die daarvoor in plaats kwam, zou bereiken: de heffing zelfs van den tienden penning zou door den onwil der schattingpligtigen belemmerd zijn geworden; nieuwe reglementen zouden er noodig zijn geweest, waaraan de stedelijke besturen niet dan met weêrzin de hand zouden hebben geleend. Daarenboven was de schatkist uitgeput; de
verbeurdverklaringen hadden aan's konings kas in gereed geld niet opgebragt, wat zij zijner regering aan volksgunst en zedelijken invloed hadden doen verliezen. Om in de dringendste behoeften te voorzien, wilde de hertog liever met een' schoonen schijn van wettigheid naar zich halen wat hem de omstandigheden aan de hand deden, dan met onhandelbare onderdanen een beding aangaan. Deze bedenkingen lagen genoegzaam voor de hand, om te maken dat zijne vertrouwdste raadslieden, berlaymont, norcairmes en viglius, zich in de inschikkelijkheid van den hertog niet, zoo als het volk deed, vergisten. Inderdaad, hoe had een man van zijnen stempel zoo ligt kunnen opgeven wat minder een gedachte, dan een beginsel was: de algemeenheid, de duurzaamheid, de evenredigheid eener belasting? Zijn' vorst van de verpligting te ontslaan van om de negen, zes of drie jaren zijn toevlugt tot het volk te nemen om tegemoetkomingen te verzoeken, die nooit werden toegestaan, zonder dat het volk op zijne beurt den vorst voorwaarden oplegde, die dikwijls vrij bezwarend waren, - dat was het doel van den hertog, en dat was ondergeschikt aan dat andere hoogere doel, waarvoor hij opentlijk en stoutweg uitkwam, dat namelijk, om alle magt onder den greep van de handen des konings, zijn' meester, te brengen.
Ondertusschen, zal men zeggen, liet de hertog voor een oogenblik zijn plan varen. Had hij het kunnen, had hij het durven doen, indien dat plan in zijne lastgeving begrepen ware geweest? of wel, zou het veeleer het kabinet van Madrid zijn geweest, dat op zijne besluiten teruggekomen was? In elk dier beide gevallen hadden de leden van den raad ter goeder trouw de verwachtingen des volks kunnen deelen en de verschuiving der gehate belasting kunnen beschouwen als een' eersten stap tot hare volslagen afschaffing. - De archieven van Simancas alleen kunnen deze tegenwerpingen op bevredigende wijs oplossen. Zie hier ondertusschen wat wij te dezen aanzien mogen verzekeren. Volgens de geschiedschrij-
vers uit dien tijd, kwam het denkbeeld om den tienden penning door de quoten te vervangen, noch van het Spaansche hof, noch van den hertog, maar werd het dezen aan de hand gedaan door courtewille: het uitsluitend vertrouwen, dat deze raadsheer bij het kabinet van filips II genoot, zou de verantwoordelijkheid van den hertog gedeeltelijk hebben kunnen dekken, indien men hem ooit van dien kant zijn gebrek aan standvastigheid verweet. Daarenboven bezitten wij den officiëlen brief, waarin de hertog den koning van de verandering kennis geeft, die het akkoord van den tienden penning stond te ondergaan. Deze brief, in den raad van state opgemaakt, is merkwaardig om zijne bewoordingen. Het is minder eene aanprijzing van het nieuwe plan als wel eene verontschuldiging van wege den hertog, dat hij het oude heeft laten varen. Hij stelt de quoten, die hij heeft doen vorderen, voor als eene kapitalisatie (encabeçamiento) van de opbrengst van den tienden penning, als eene inschikkelijkheid aan de openbare meening bewezen, die zich door den toestand des lands op dat oogenblik regtvaardigen laat, doch volstrekt niet de intrekking van den maatregel in zich sluit, waarvoor zij in de plaats worden gesteld. Ook zien wij uit de brieven van hopperus, dat men in Spanje aan het nieuwe voorstel dien zin toekende. De koning gaf er zijne toestemming aan(1).
Indien, zoo als men veronderstelt, den hertog de handen gebonden waren door de bevelen en raadgevingen, die hij uit Spanje kreeg, door de maatregelen, die men hem van daar aanprees; indien hij had kunnen gissen, dat de tiende penning niet in waarheid 's konings goedkeuring wegdroeg, en dat deze aan de quoten uitdrukkelijk de voorkeur gaf, zou hij het dan gewaagd hebben op nieuw zijne besluiten te veranderen? En toch deed hij dit. In Februarij 1570 keerde hij tot den tienden penning terug, om dien andermaal op te geven. Hij kwam er
evenwel zoo ernstig op terug, dat viglius het noodig oordeelde er naar Spanje berigt van te zenden. Wel is waar schreef hopperus toen aan zijn' vriend: dat ingeval de hertog de zaak aan den koning overliet, deze denkelijk gematigder te werk zou gaan; doch het was na een onderhoud met den koning over de zwarigheden, door viglius geopperd, dat hij deze meening uitte, en de bewoordingen, waarvan hij zich bedient, toonen duidelijk aan, dat de hertog op geenerlei wijze onder den invloed van het kabinet van Madrid handelde. Van zijnen kant bewaarde de hertog in zijne officiële brieven het bedenkelijkste stilzwijgen over hetgeen er in de Nederlanden met betrekking tot dien onderstand voorviel, niet, zoo als men beweert, omdat zijne inzigten niet met die van zijn' meester strookten, maar veeleer omdat hij zich schaamde, dat hij niets dan uitvlugten, aarzelingen, teleurstellingen, aanhoudende afwijkingen bij het streven naar zijn doel, te berigten had(1).
Het was eerst in 1571, toen de hertog bepaaldelijk en onherroepelijk de heffing van den tienden penning besloten had, dat de strijd tusschen hem en zijne raadslieden in al zijne kracht uitbrak. De koning, op den toets gesteld, verklaarde zich voor den hertog. Die beslissing schijnt ons afdoende ten gunste van den laatstgenoemde. Het is van belang ons de
bijzonderheden van dien strijd te binnen te roepen, om den aard en de beweegredenen van den tegenstand, dien de hertog vond, naar waarde te schatten en ons de moeijelijkheid van zijn standpunt, de inwilligingen, waartoe hij genoodzaakt werd, en den waren zin van de ondersteuning, die hij bij zijn' vorst vond, te verklaren.
Niets, inderdaad, is zoo verfoeijelijk als die huichelachtige, plaagzieke, kleingeestige tegenstand in den boezem van den raad van state, gevormd door diegenen zelven, die tot dusver slaafs voor de overmagt hadden gekropen en al de vermogens van hun' geest en den verblindenden glans van hun gezag ter beschikking van den monarch hadden gesteld. Toen, op de aanmerking dat twee leden van den derden stand niet hadden toegestemd in de overeenkomst van den tienden penning, en dat bijgevolg die overeenkomst van geene waarde was, de kanselier van Brabant, scheyffve, beweerde, dat in dergelijk geval wat door de meerderheid der staten goedgevonden was, beschouwd moest worden als eenstemmig goedgevonden, en dat volgens het aangenomen gebruik, dat men vervanging noemde, het lid dat van gevoelen verschilde onder de overigen begrepen werd, gaf viglius daarop te verstaan, dat men, alvorens tot dit uiterste middel over te gaan, bedenken moest of het lid, dat van gevoelen verschilde, bij de bewuste overeenkomst geen bijzonder belang had, en dat het in dat geval onregtvaardig zou zijn de minderheid op te offeren aan eene meerderheid, wier belangen daarbij minder in de waagschaal werden gesteld. Niets was zoo billijk als deze opmerking; maar niets ook zoo kwalijk gepast in den mond van den man, die van allen, die de booze geest der Nederlanden ooit aan het hoofd van den raad heeft geplaatst, het allerminst bij het volk bemind was. De opmerking van den kanselier was gegrond. De moeijelijkheid, die zich sedert 1569 voordeed, was in 1563 reeds opgelost geworden. Op dat tijdstip ging het land evenzeer onder het gewigt der onderstandsgelden gebukt: de bisschoppen en de edelen hadden
in hunne quoten alleen bewilligd onder voorwaarde, dat de derde stand zijne toestemming geven zou en anders niet. Op dat tijdstip weigerden de stad Leuven en het derde lid van Brussel evenzeer hardnekkig om zich met de overigen te vereenigen: het woord vervanging werd in den raad van state uitgesproken: men was op het punt om die in toepassing te brengen tegen eene geheele stad, hetgeen tot dusver zonder voorbeeld was. Men dreigde Brussel den zetel van het hof en van den raad van Brabant naar elders over te brengen. Er werden met de bisschoppen en edelen onderhandelingen aangeknoopt om hen over te halen om van de voorwaarde af te zien, waardoor men belet werd tegen de weêrspannigen doortastende maatregelen te nemen. Viglius inzonderheid slaagde er in om aan de bisschoppen eene onvoorwaardelijke toestemming af te persen, en na twee jaren strijds werd het derde lid van Brussel opgeofferd. Scheyffve had dus gelijk met zich op het vroeger gebeurde te beroepen. Viglius was met zich zelven in tegenspraak gekomen.
De hertog kende viglius en wist wie hij eertijds geweest was. Van zijnen kant en van zijns gelijken tegenstand te ontmoeten, moest hem des te meer verbitteren. Hij beproefde het den raad vrees aan te jagen; hij zwoer, dat hij middelen zou vinden om zich te doen eerbiedigen, en dat degenen, die dergelijke dingen beweerden, eene strenge tuchtiging verdienden. Viglius voerde hem daarop te gemoet, dat te allen tijde de leden van den raad de vrijheid hadden gehad, om hun gevoelen te zeggen, zonder dat zij zich om hunne rondborstigheid aan eenigerlei bedreiging zagen blootgesteld; dat bijaldien zijne excellentie het anders verstond, het beter was dat de leden van den raad te huis bleven om zich voor alle gevaar te vrijwaren. Dergelijke tooneelen van strijd en verbittering herhaalden zich telkenmale, en eindelijk verklaarde de hertog, dat het slechts aan hem toekwam besluiten te nemen, en dat de leden van den raad zich daaraan te houden hadden, dat men met anders te handelen aan den eer-
bied, dien men den koning en hem, 's konings stedehouder, schuldig was, te kort deed. Viglius beklaagt zich bitterlijk in zijn gedenkschrift daarover; maar hij vergeet dat hij niet zoo ver in de geschiedenis des lands behoefde af te dalen, om feiten aan te treffen, die daarmede geheel overeenstemden. De tegenwerpingen van viglius waren, tien jaar geleden, in den mond van het driemanschap der groote heeren geweest: het antwoord van den hertog van alva kwam bijna letterlijk met dat overeen, dat toenmaals de kardinaal granvelle tot den graaf van horne had gerigt. Het gevolg, dat viglius voorspelde, was door den prins van oranje en diens bondgenooten verwezentlijkt geworden; zij hadden zich uit den raad verwijderd. In 1572 was niets veranderd, behalve de personen. Alleen viglius had van rol verwisseld.
En hier doet zich een nieuwe trek van overeenkomst met de tijden van granvelle op. De geschiedenis heeft wel, zoo als wij zoo even gezegd hebben, de oploopendheden en de verbittering van den hertog van alva te boek gesteld; maar zij moet tevens bekennen, dat hij voor de uitvoering zijner bedreigingen is terug gedeinsd. Waarom duldde hij, die zoo geneigd was om de krijgstucht van het leger in het burgerlijk bestuur over te brengen, de onbuigzame hoofdigheid van degenen die hem omringden? Waarom duchtte hij, dat de verdeeldheid, die in den raad heerschte, naar buiten uitborst, zoozeer dat hij zich vernederde om viglius in alles gelijk te geven, onder voorwaarde, dat hij voor de bestuurders der geldmiddelen het zwijgen bewaarde? Waarom bukte hij zoo laag om door tusschenkomst van zijne hovelingen, aan noircarmes en aerschot eene goedkeuring, van welken aard ook, voor dien maatregel af te bedelen? Waarom ging hij er niet toe over, om, zoo als hij gedreigd had, den tienden penning door zijne Spanjaarden en Italianen te laten heffen? Waarom liet hij aan de gewone overheden de benoeming der gemagtigden tot het heffen der belasting over? Waarom prikkelde hij den ijver dezer laatsten aan, door hun een zeker aandeel der geïnde be-
lasting toe te staan, en maakte hij hun de uitvoering van hun' last gemakkelijker, door hen vrij te stellen van den borgtogt, dien hij te voren gevorderd had? - Dit alles deed hij eenig en alleen met het doel, om, door de aanzienlijkste personen des lands medepligtig aan zijne afpersingen te maken, de verantwoordelijkheid daarvan op hen af te schuiven, - om zich een schijn van regt te verzekeren, door in de instemming van het zoogenaamde beste deel der natie een' steun te vinden, en om, indien hij zich in spijt van dat alles in zijne verwachtingen te leur gesteld zag, verdeeldheid in het land te zaaijen, ten einde onderwerping te oogsten.
Voorzeker had granvelle, niet minder dan de hertog van alva, het denkbeeld gekoesterd om de aloude vrijheden der natie ten voordeele van den vorst verbeurd te verklaren; doch hij wist zijn oogmerk onder minder terugstootende vormen te vermommen. Door aan de leden van den raad van state slechts eene raadgevende stem toe te staan, door de stemming bij meerderheid te vernietigen, door op het geheim der beraadslagingen aan te dringen, trachtte, ook hij de grooten des lands verantwoordelijk te maken voor de gewelddadige maatregelen, waarop hij bedacht was. De prins van oranje had hem doorzien: hij haalde door zijne raadgeving en voorbeeld horne en egmont over, om zich uit den raad te verwijderen; hij bragt tegen den kardinaal het verbond der ridders van de Vliesorde tot stand, die van hun' tegenstand opentlijke blijken gaven, tot zelfs in de liverei hunner bedienden; hij verklaarde ten aanhoore van het land en van de geheele wereld dat hij zich met het stelsel der regering niet vereenigen kon. Bij een zoo opentlijk verzet, zag zich de koning genoodzaakt om de uitvoering zijner plannen te verdagen, en granvelle om te vertrekken. En ondertusschen was de taak van granvelle niet zoo hagchelijk geweest als die van den hertog van alva. De koning had hem rondborstig en ernstig ondersteund: tegen den kardinaal had men zich van den kwalijk onder-
rigten koning op den beter ingelichten koning kunnen beroepen; maar niets bewees, dat de oogmerken van den vorst niet met die van zijn' dienaar overeenstemden. Zoo waren dan ook degenen, die zich in 1571 van den naam des konings bedienden om den hertog van alva te dwarsboomen, de warmste aanhangers van den kardinaal geweest. Eindelijk, welken weêrzin de grooten ook tegen den kardinaal wisten op te wekken, liet zich die evenwel in geenen deele vergelijken met den doodelijken haat, dien de hertog van alva bij alle klassen der maatschappij op zich geladen had. Zijn overmoed, zijne onverzadelijke wreedheid, de willekeur zijner handelwijze, de gewelddadigheden en gruwelen, door zijn krijgsvolk gepleegd, hadden hem het gansche land door tot het voorwerp van den algemeenen afschuw gemaakt. Zelfs de geestelijkheid in België, en dit zegt alles, had tegen hem partij gekozen.
Bovendien was er sprake van eene bede, die de vorst aan zijne onderdanen vroeg. Nu was het verleenen van zulk eene bede het kenteeken van de goede verstandhouding, die er tusschen den vorst en het volk heerschte. Ofschoon de tijden lang voorbij waren, dat die goede graaf van Henegouwen gezegd werd met zijne staten in edelmoedigheid te hebben gewedijverd en de vrijwillige gift, die deze hem hadden aangeboden, van de hand gewezen, hadden de vorsten bij het vragen van onderstand altijd den schijn ontzien en de beleefde vormen van weleer bewaard. Karel V, wel is waar, had daarop eene uitzondering gemaakt en was met de natie en hare vertegenwoordigers zonder veel pligtplegingen rondgesprongen; en dit was ook een der voornaamste grieven tegen zijn bestuur geworden. Want van weêrszijden werd de hoffelijkheid ten naauwste in acht genomen(1), en de staten waren des te meer daarop gesteld,
daar zij het schaduwbeeld was van het schamel gedeelte oppermagt, dat hun nog restte. Zij gebruikten en misbruikten de hun voorgedragen beden, om hunne oude privilegiën te bevestigen en er nieuwe te verkrijgen. Indien al de stelregel: ‘geen inwilligingen, geen onderstand,’ niet op de beginselen van het staatsregt dier dagen gegrond moge geweest zijn, dan was hij daarom niet minder in toepassing gebragt. De hertog van alva, die gezonden was om het land onder de slavernij van den vorst te brengen, had er dus aan den eenen kant het grootste belang bij om voor de tijdelijke beden, die van den wil der staten afhankelijk waren, eene voortdurende belasting in de plaats te stellen; aan den anderen kant moest hij zich wachten van eenigen aanstoot te geven, en tegenover zijne onderhoorigen alle vormen van beleefdheid in acht nemen; in één woord, de koning moest den schijn hebben, bij de invoering der nieuwe belasting alleen het welzijn des lands en der ingezetenen op het oog te hebben. Er was nog eene andere moeijelijkheid. Wel is waar, waren de tiende en de twintigste penning in de Nederlanden niet onbekend; soms waren zij er toegestaan, soms verworpen geworden. Maar in 1554 had keizer karel, bij brieven van non-prejudicie, gedagteekend 20 December, aan de staten van Brabant verklaard, dat noch hij, noch zijne erfgenamen of afstammelingen immer den tienden en twintigsten penning, onder geenerlei vorm, zouden vorderen. Dezelfde belofte was aan de staten van Brabant door koning filips, bij open brieven van 23 October 1557, bekrachtigd geworden. Door in 's konings naam eene dergelijke belasting te vorderen, werd diens trouweloosheid opentlijk blootgelegd. Om dien stap
door een schijnschoon voorwendsel te regtvaardigen, was het bijkans niet meer voldoende om zich op den drang der omstandigheden te beroepen; de natie moest een gedeelte der regten, die zij zich verkregen had, afstaan; het moest den schijn hebben, alsof het voorstel van zelf uit den boezem van de voornaamste collegiën des lands voortgevloeid en door de staten met gretigheid aangegrepen was, als de verwezentlijking van een' wensch, dien zij zelve bijkans zouden geaarzeld hebben te uiten.
Dit te weeg te brengen, was een vraagstuk, dat alleen door een' behendiger', bekwamer' onderhandelaar dan de hertog van alva had kunnen opgelost worden. Ondertusschen komt het ons voor, dat hij zich over het geheel in zijn gedrag door de zoo even aangevoerde bedenkingen leiden liet. Vandaar die vriendelijke, bijkans zoetsappige toon, die in de voorstellen, vermaningen en apostillen van den hertog heerscht, en dien hij niet dan in den uitersten nood met een' anderen verwisselde. Als ware de tiende penning een bijzondere gunst geweest, die de monarch aan zijne welbeminde en getrouwe onderzaten bij uitnemendheid toestond, werd het voorstel deswege alleen aan die provinciën gedaan, die tot het oude vaderlijk erfdeel van het Boergoensche huis behoorden: de later verkregen provinciën en de stad Valencijn, als met het vonnis van gekwetste majesteit bezwaard, werden daarvan uitgezonderd. In het voorstel van October 1569, stapt de hertog over al de tegenspraak, die zijn voorstel uitgelokt had, met stilzwijgen heen: hij prijst den goeden en vaardigen wil, de dienst en de gehoorzaamheid der staten, die hem zeer welgevallig waren geweest. Toen hij vervolgens den tienden penning door een' zesjarigen onderstand verving, verklaarde hij zich tot die inwilliging te verstaan, opdat de staten in die zes jaren gelegenheid hadden om zich van de voordeelen van zijn oorspronkelijk plan te overtuigen en het bijgevolg aan te nemen, iets waaraan hij niet wanhoopte. Denzelfden toon van goeden wil treft men aan in al de
stukken, die hij met de staten wisselde, en in zijne antwoorden op hunne voorstellingen. Hij gelaat zich alsof hij hunne aanmerkingen des te gunstiger opneemt, naarmate hij zich, bij het ten uitvoer leggen van den tienden penning, daarnaar hoopt te kunnen regelen en al wat er in die belasting voor de natie drukkends mogt gelegen zijn te verligten. Hij liet het niet bij woorden blijven: zijne handelingen stemden met zijne beloften overeen. Door trapsgewijze inwilligingen het volk, of althans het beste deel des volks, voor een' maatregel te winnen, dien het aanvankelijk verworpen had, dat was het, wat de staatkunde van den hertog zich ten doel stelde.
Maar dezelfde noodzakelijkheid, die den hertog van alva deze zachtzinnigheid en toegefelijke handelwijs ingaf, legde insgelijks den koning zelfbedwang en matiging op. De raadsleden wisten het, en zij deden er hun voordeel mede om te trachten den hertog van alva uit het bewind te stooten, overtuigd als zij waren, dat de vorst zich wel wachten zou om zich door eene trouwelooze en vermoedelijk vruchtelooze gewelddadigheid ten gevalle van zijn' stedehouder bloot te geven. Viglius verstoutte zich zelfs om er op aan te dringen, dat de hertog den raad de bepaalde bevelen des konings aangaande de heffing van den tienden penning zou overleggen. Hij herinnerde den raad het voorbeeld van koningin maria, die in een dergelijk geval aldus hare lastgevingen had laten zien. De hertog stoof in drift op tegen de bedekte aantijgingen van den president; doch met dat al waren de brieven des konings, die hij had kunnen voor den dag brengen, van oude en zelfs nog vroegere dagteekening dan het voorstel en het akkoord der zesjarige quoten. Bovendien werd daarin van den tienden en twintigsten penning zoo flaauw en onbepaald gewag gemaakt, dat zich het wezentlijk gevoelen van den koning daaruit niet duidelijk liet onderscheiden. De koning betuigde er zijne tevredenheid in, dat ‘de onderhandeling met de staten zoo ver gevorderd was, als de hertog hem geschreven had. Daar de hertog de hoop had
aangekondigd, die hij koesterde, om de zaak in dier voege te wijzigen, dat de handel en de nijverheid staande bleven, dringt de koning levendig aan en verklaart dat het zijn wil is, dat het zóó geschieden zal en dat de zaak tot een dergelijk einde worde gebragt, gelijk hij vertrouwt dat de hertog doen zal en diensvolgens, voegt hij er bij, aiant le bien de mesdicts pays pour tant recommandé, singulièrement le vous recommande(1).’ Ziedaar vrij onbepaalde verklaringen, en die weinig geschikt waren om de voorgewende en arglistige ongeloovigheid van viglius te bevredigen. Berlaymont stelde een ander middel voor om aan het geschil tusschen den hertog en zijn' raad een einde te maken. Hij voerde aan, dat bij gelegenheid van een verschil van gevoelen tusschen koningin maria en lodewijk van praet. wegens eene minder gewigtige zaak dan de tiende penning, elke der partijen hare bedenkingen schriftelijk aan keizer karel V hadden medegedeeld, opdat deze uitspraak zou doen. Hij wilde dat men in het tegenwoordig geval eveneens handelen zou, en dat de hertog en de leden van den raad afzonderlijk aan den koning een beredeneerd verslag zouden inzenden van de gronden, waarop hunne verschillende meeningen zich steunden. De hertog verwierp het voorstel van berlaymont, en met reden. Hij wist dat de bedenkingen van de leden van den raad desalniettemin den koning ter oore zouden komen; doch hen te magtigen om zich met hunne bezwaren op eene buitengewone wijs tot den koning te wenden, was zoo goed als op die bezwaren een' stempel van wettig gezag te drukken, dien hij er niet aan kon toekennen: het was de handelingen van zijn bewind op eene en dezelfde lijn te plaatsen met de meeningen der leden van den raad, die daarbij slechts eene ondergeschikte rol hadden te vervullen: het was eene opentlijke bekentenis, dat hij
weifelde in de gedragslijn, die hij te volgen had: het was den koning in de verlegenheid brengen, om tusschen zijn' stedehouder en zijn volk uitspraak te doen. Bij die keus liet zich, wij moeten het bekennen, de kans gunstiger aanzien voor de leden van den raad dan voor den hertog.
Want de beraadslagingen, waarvan wij zoo even gewaagden, dagteekenen van het einde van het jaar 1571; en sedert 1569 toen de hertog voor het eerst tot den tienden penning besloot, tot op dit tijdstip, was er in de onderlinge betrekkingen van den koning, den hertog, de natie en de voornaamste raadsleden, eene aanmerkelijke verandering gekomen. In Maart 1569 was de herinnering aan den inval van den prins van oranje nog levendig. Over de grenzen teruggedreven, had die tegenstander zijne dreigende houding niet opgegeven, of liever, hij had haar hernomen. Frankrijk, de geduchte vijand, de niet te vertrouwen bondgenoot der Nederlanden, was onder de wapenen. Indien de partij der Hugenoten er gezegepraald had, zou België ongetwijfeld op nieuw aan een' inval hebben blootgestaan. De gemoederen waren door die zorgelijke bedenkingen verontrust op het oogenblik, dat de hertog zijne buitengewone belastingen voorstelde. Maar na het sluiten van het akkoord, had de slag van Montcontour die onweêrswolken verdreven, en de rust der Nederlanden scheen gewaarborgd. In Maart 1569 bezat de hertog, met roem overdekt, sterk door de gunst van zijn' koning en door de eerbewijzen, die de paus hem geschonken had, bovendien nog de tooverkracht, welke hem voor onze voorouders zoo geducht maakte. De natie werd beschouwd als weêrspannig tegen haren vorst, en het zwaard, dat den hertog was toevertrouwd om de vijanden van de bestaande orde van zaken tot onderwerping te brengen, moest tevens de schuldigen op eene voorbeeldige wijs straffen. De wreedheden van den raad van beroerten deden vurig uitzien naar eene algemeene vergiffenis. De hertog was gemagtigd om die te verleenen; maar hij
bediende zich van die magtiging voor zijne staatkundige berekeningen(1). In de minuut van het voorstel van den tienden penning, zoo als dat aan de staten-generaal moest ingediend worden, vindt men na de inleiding deze woorden: ‘Ayant à la fin son Exce faict publier le pardon général de sa Maté’. Die volzin werd echter doorgehaald: noch in het voorstel, aan de staten gedaan, noch in de aanspraak, die bij deze gelegenheid de raadsheer bruxelles deed, wordt van die gunst meer gesproken. Ook was het eerst na het akkoord van den tienden penning en dat der quoten, die het vervingen, dat de algemeene vergiffenis afgekondigd werd. Toen hij zich eenmaal van dat geduchte wapen had ontdaan, had de buitengewone magt van den hertog haar eindpaal bereikt: hij kwam weder op den voet van een gewoon landvoogd. Eindelijk begon de goede verstandhouding tusschen den koning en den hertog na 1570 te verflaauwen. De tegenpartij van den hertog behaalde in het kabinet van Madrid de overhand. De hertog van medina-celi was tot zijn' opvolger benoemd; langer dan een jaar werd zijne komst te gemoet gezien en daarmede tevens de herroeping van het plakkaat van den tienden penning(2). De
kardinaal granvelle onderhield van Rome uit met filips II eene doorloopende briefwisseling, waarin hij het bewind van den hertog en bijzonder zijne maatregelen ten aanzien van de geldmiddelen ten strengste gispte. De hertogin van alva had het hof als in ongenade verlaten(1). Door de staatkundige vlugschriften, waarmede de Nederlanden overstroomd werden, vond het gerucht ingang en geloof, dat de hertog den last des konings was te buiten gegaan en dat hij zich naar de geheime voorschriften van den paus en de inquisiteurs regelde(2). Tot overmaat van tegenspoed, had de nieuwe koningin van Spanje hare reis door de Nederlanden genomen, en was de indruk, dien zij daarvan in haar nieuw vaderland en bij haar gemaal medebragt, alles behalve gunstig voor het bewind van den hertog van alva.
Die zamenloop van omstandigheden maakte het oogenblik uitnemend gunstig om de kabinetskwestie, zoo als men het thans zou noemen, op te werpen en om den landvoogd, na den schok, dien hij reeds had ondergaan, uit het bewind te stooten. Met dat al, - wij vermelden dit bij voorraad, -
vatte de koning de partij voor den hertog op, veel ernstiger dan deze had mogen verwachten.
In den open brief, die het plakkaat van den 31 Julij 1571 begeleidt, verklaarde de hertog: ‘que nonobstant tout bon office faict de sa part, devers sa Majesté, afin de se vouloir contenter, pour les quatre ans restans, des quotes accordées, au lieu et en redemption du Xe et XXe denier, icelle ne se est aulcunement voullu condescendre;’ en eene zoo stellige taal, in een openbaar stuk gebezigd, werd door den koning noch ontkend, noch verzacht. Voorzeker moest een zoo kruipend dienaar als viglius zich wel door de omstandigheden gesteund vinden, om in zijne ongeloovigheid, trots de verzekeringen van den landvoogd, te durven volharden. Hoewel deze laatste door een uitdrukkelijk verbod de verlegenheid uit den weg ruimde, die een vertoog, door den raad van state in blijkbaar vijandelijken zin opgesteld, den koning had kunnen veroorzaken, vond dat stuk echter, onder een minder officiëlen vorm, ingang in het kabinet van Madrid. Reeds den 8sten November 1571 deelde hopperus den koning beknopte]ijk de redenen mede, die de Vlaamsche staatsdienaars tegen den tienden penning inbragten: ‘La conclusion de son rapport fut que les ministres pensoient que Sa Maté devoit en écrire au Duc, afin que la lettre fût lue au Conseil’(1). De Koning deed wat hij altijd deed in dringende gevallen: hij besliste niets; hij stelde de zaak uit totdat hij haar nader in beraad zou genomen hebben. Ondertusschen vereenigde granvelle zijn' aandrang met dien van viglius en berlaymont, die hem om zijne ondersteuning hadden verzocht(2). De koning volhardde in zijn hoogvaardig stil-
zwijgen. Van zijnen kant drong hopperus den koning om eindelijk zijn' wil uitdrukkelijk te verklaren aan viglius, als den geschiksten persoon om overal en in alles den koning te dienen. Want, wij kunnen het niet ontkennen, de onafhankelijkheid van viglius vertoont zich minder schitterend in de verslagen van hopperus, dan in de gedenkschriften, die hij zelf aan de nakomelingschap vermaakte. Ten bewijze diene het volgende.
Reeds in 1569 had de hertog van alva den president bij den koning aanbevolen, als die zijn ziel aan de volstrekte alleenheerschappij had verkocht. Hopperus brengt met genoegen zijn' vriend de lofspraken over, die de hertog op hem gehouden had(1). Sedert had zich viglius aan het hoofd gesteld van den tegenstand, welke zich tegen den hertog van alva in den boezem van den raad zelven ontwikkelde; doch hopperus vergiste zich niet ten aanzien van de slaafsche gezindheid van zijnen vriend. Hij kende hem als den onderdanigen dienaar en hardnekkigen verdediger van het onbeperkt gezag. Den 11den Februarij 1572 bood hij den koning aan om viglius te schrijven: ‘qu'il fit trouver bon à ceulx de pardelà le bon plaisir du Roi allendroit du dixiesme denier,’ en de koning maakte op het voorstel van hopperus deze kantteekening: ‘dat hij goedkeurde dat men zich van viglius bediende pour amener les suffrages afin d'avoir le Xme denier.’ Hopperus schreef dien ten gevolge,
en viglius ontving de verklaring van den wil des konings met de hem eigenaardige onderworpenheid. ‘Het doet mij genoegen,’ zegt hij, in zijn' brief van 18 Maart, ‘de meening van zijne majesteit betrekkelijk den tienden penning te kennen, niet dat ik reken op een' beteren uitslag dan te voren, maar ten minste zullen wij ons van den koning niet het verwijt op den hals halen, dat wij hem niet vooruit gewaarschuwd hebben. Zoo als ik altijd gezegd heb, wij roeijen tegen den stroom op; doch ingelicht als wij zijn ten aanzien der bedoeling van zijne majesteit, zullen wij des te kloekmoediger en de verbittering des volks en het geschreeuw en de klagten der staten trotseren’(1). Hopperus mogt zich dus wel beroemen op het goed gevolg zijner brieven. Op het oogenblik zelf dat te Madrid de vraag besproken werd, of het niet beter was den tienden penning af te schaffen, versterkte hij zijn' meester in zijn besluit, door hem te berigten, dat al degenen aan wie hij geschreven had, geantwoord hadden: ‘Que, chascun en son regard, Sa Maté seroit servye avec toute promptitude en tout et partout, sans laisser ung seul poinct au bon office comm'ilz sont obligé, nonobstant toutes les difficultez qu'au regard du peuple journellement se représentent, et que, selon que ung chascun luy escrivoit et tenoit général discours de tout, il lui sembloit que les lettres de Sa Maté avoient beaucoup proufficté et prouffictent de jour à aultre davantage par la grace de Dieu.’ - De voorspellingen van hopperus waren juist. Morillon, die tot dusver in zijne brieven aan den kardinaal granvelle de standvastigheid van viglius geroemd had, voerde op eens eene geheel andere taal. Volgens hem had de president, zoowel als hopperus, nooit iets anders gezocht dan zijn eigen belang. ‘Indien dat zoo is,’ voegt hij er met alle reden bij, ‘is het algemeen wel te beklagen’(2).
De verklaring des konings, die aanleiding gaf tot dien omzwaai in het gedrag van viglius en de andere leden van den raad, was vervat in een' brief van hopperus aan den president, die vooraf den koning zelven onder de oogen gebragt en met zijne goedkeuring afgevaardigd was. Daarin werd gezegd: ‘Touchant ce que m'escripvez du dixiesme denier, et mesmes que plusieurs des estatz font difficulté de croire que la chose procède de Sa Maté, et que, ayant vray enseigne que sa volonté est telle, se pourra faire plus grand service, - de tant qu'il ne faict à doubter que les bonnes gens sçachans que sadicte Maté, leur prince naturel, le requiert ainsy, ne laisseront de faire le mieulx qu'ilz pourront, tant pour la grande affection que luy portent, que pour se persuader entièrement que la vertu, justice, équité et saincteté de Sa Maté est telle, qu'elle ne fera rien à la charge de son peuple, sans être entièrement nécessaire pour la conservation d'icelluy, me requérant à tant de vous vouloir de ce advertir et bien et deuement informer, - ainsy vous plaisra sçavoir que, combien le mot du Ducq, estant sy très-grand et principal ministre, et en tel lieu comm' il est, doibt à ce plus que souffir, que ceulx qui pensent que ce que led. Ducq faict en cest endroict, est sans la volunté de Sa Maté, s'abusent grandement, veu qu'il est clair qu'il ne le feroit sans icelle; et ainsy vous veulx bien certiffier et asseurer par cestes, que son intention et volunté est telle et du tout déterminée, afin que la chose se face et exécute comm' il appertient, et ce, à cause de ce qu'elle importe pour le bien et conservation des pays de par-delà, - et ainsy vous veulx bien dire et certiorer que, tenant la main à
ce tant que vous soit possible, comme ne doubte que jusques à oires avec faict, ferez chose fort agréable à Sa Maté, et s'il y eust quelqu'ung duquel s'entendoit qu'ilz font le contraire et demeureroit mal satisfaict à mon advis, non seullement contre la volunté de son Prince, mais aussi de Dieu’(1).
Het was eene volkomen regtvaardiging van den hertog van alva, die dezulken geheel en al beschamen moest, die,
om hen te bestrijden, het koninklijk gezag in hunne banier hadden gevoerd. Zij was van te nadrukkelijker beteekenis, omdat de koning reeds kennis droeg van de vertoogen tegen den tienden penning, die de bisschoppen van Yperen, Gent en Brugge hem hadden toegezonden, alsmede van de bezendingen, door de staten benoemd, om van den koning de opheffing van den tienden penning te verzoeken. Ten aanzien van deze bezendingen week de hertog niet van de gedragslijn af, die hij zich voorgeschreven had. Aan den eenen kant hield hij hun vertrek tegen, hij onderschepte zelfs de brieven, die zij aan hunne lastgevers zonden, en verklaarde aan de staten, dat de koning hem in zijne laatste brieven uitdrukkelijk bevolen had, zich tegen de komst dier gemagtigden te verzetten: aan den anderen kant betuigde hij, om zijn eigen woorden te bezigen, ‘ne vouloir deffendre ledict envoy, comme ladicte ordonnance portoit, pour ne donner occasion aux malveuillans - de soutenir - que son Exce étoit celuy qui avoit mis en avant le 10me et le 20e denier, et insistoit en l'exécution d'iceulx sans le sceu et volunté de Sa Maté.’ - Toen, in weerwil van deze waarschuwing, de afgevaardigden hunne reis voortzetteden, nam de hertog dat berigt met onverschilligheid op, terwijl hij beweerde, dat de staten door de ondervinding van het vruchtelooze van dien stap zouden overtuigd worden(1).
Men beweert dat die bezendingen volkomen geslaagd zijn; dat zij filips II over zijne ware belangen en die zijner onderdanen hebben ingelicht, dat door haar gezag aan het aanzien van den hertog van alva eene onherstelbare krenking is toegebragt. Wij kunnen die meening niet deelen. Indien de koning ten laatste toegegeven heeft, was het de zamenloop der omstandigheden en niet de invloed der Belgische afgevaardigden, die hem er toe dwong. Een kort verslag der gebeurtenissen is voldoende om dit boven allen twijfel te verheffen.
De afgevaardigden van Henegouwen kwamen het eerst te Madrid. Hopperus werd door den koning gelast om hen te ontvangen en hun het levendig misnoegen van zijne majesteit te betuigen, dat zij verschenen waren zonder verlof en bijkans buiten weten van den hertog, zijn' stedehouder en hun' landvoogd. Op de Henegouwsche afgevaardigden volgden die van Rijssel, Douai en Orchies. Hopperus onthaalde hen bij gevolg op eene dergelijke strafrede. Daarop kwamen de gemagtigden van Utrecht en achtereenvolgens de bezendingen van Brabant en Vlaanderen. Ondertusschen vielen er in de Nederlanden gebeurtenissen voor, die allernoodlottigst waren voor het gezag des konings. Men zou kunnen zeggen dat de komst der verschillende bezendingen met die der renboden afwisselde, die dagelijks nieuwen rampspoed kwamen verkondigen. De inneming van den Briel, de afval van Vlissingen, de opstand van bijkans geheel Holland, waar men zich niet veel meer over het gezantschap bekommerde, dat men beraamd had naar Spanje te zenden, waren de magtigste drangredenen om den koning van de noodzakelijkheid te overtuigen, dat hij van staatkunde had te veranderen. Ook was het eerst na eene maand te Madrid te hebben vertoefd, dat diegenen der afgevaardigden, die het eerst waren aangekomen, gehoor kregen. Dat was een eerste stap, doch het antwoord des konings was kort en ontduikend. Hopperus werd door den koning belast met het opmaken van bedenkingen, die strekken moesten om de bewijsgronden, die de afgevaardigden ten gunste van hunne zaak in het midden bragten, één voor één te ontzenuwen. 's Konings secretaris voor de Vlaamsche aangelegenheden, gabriel de çayas, verklaarde aan de afgevaardigden van Brabant, die hem verzocht hadden om hunne zaak te ondersteunen, dat hunne zending geen de minste vrucht zou dragen, en dat zijne majesteit bovenal een duurzaam inkomen verlangde. Er werd dus een nieuwe tegenspoed vereischt, nog geduchter dan de vorige, om 's konings strengheid te breken. Die tegenspoed bleef niet lang uit. Graaf
lodewijk van nassau bemagtigde Bergen; dat was het sein voor een' nieuwen oorlog met Frankrijk. Naauwelijks was die ramp in Spanje bekend geworden, of de koning liet de afgevaardigden, die hij nog steeds weigerde te erkennen in hunne hoedanigheid van vertegenwoordigers en gevolmagtigden, uitnoodigen, om hem hun gevoelen mede te deelen over de middelen om de Nederlanden tot rust te brengen. Zij voldeden aan dat verzoek, en twee dagen daarop deed de koning hun zijn bepaald besluit toekomen. In de voorafspraak werd herhaald: ‘que le respect que Sa Maté et le Duc avoient en l'exécution du Xme et XXme denier avoit esté pour le propre bien et bénéfice des Estatz des pays de pardecha, et qu'ayant samblé que le moyen dudict Xme et XXme deniers estoit le plus convenable et équitable, égual et général, il avoit commandé qu'icelluy fust practicqué et mis en exécution.’ Het besluit kwam zakelijk hierop neder, dat zijne majesteit, ‘gehoor gevende aan zijne natuurlijke welwillendheid, er in toestemde om zich naar den eenstemmigen wensch zijner onderdanen te voegen.’ Evenwel stond hij slechts de voorloopige opschorsing van den tienden penning toe; hij liet aan den hertog van alva over om de afschaffing er van opentlijk te doen afkondigen(1).
Ondanks alles wat wij zoo even berigt hebben, blijft er iets onbepaalds in de verklaring van filips II, een zweem van
besluiteloosheid in zijn gedrag, een zeker gebrek aan overeenstemming tusschen zijne woorden en zijne handelingen, dat de twijfelingen regtvaardigt, die men ten aanzien van zijne bedoelingen geopperd heeft. Wij geven dit toe; maar in de kronkelpaden zijner staatkunde de geheimste gedachten van filips II te vatten en te raden, is een vraagstuk, dat bijkans boven het bereik der geschiedenis is. Niemand had beter dan die koning de kunst beoefend om zijne gevoelens te verbergen: niemand bragt die kunst zoo dikwijls en met
zulk een goed gevolg in toepassing. Wij hebben ons bepaald om aan te toonen, dat de toning in al zijne opentlijke en halfopentlijke verklaringen zijn' stadhouder ten aanzien van den tienden penning met zijn gezag gerugsteund heeft; dat die verklaringen, in het eerst niet zeer talrijk en uitdrukkelijk, ten slotte de instemming en medewerking des konings met de maatregelen van den hertog van alva buiten twijfel hebben gesteld; dat eindelijk die dubbelzinnigheid het gevolg was van den toestand, waarin zich de vorst geplaatst vond, ten opzigte der beden, die, volgens eene in die dagen gangbare verdichting, van de welwillendheid der onderdanen gevraagd, doch meestal in der daad door ordonnantiën en met geweld afgeperst werden. Indien het tweede deel der archieven van Simancas onze gissingen logenstraffen mogt en bewijzen, dat filips II zich in ernst tegen den tienden penning heeft verzet, en dat hij, in spijt van zijne overtuiging, zich heeft laten medeslepen door den ijver van zijn' stadhouder, zal nog te bezien staan, of de hertog van alva zich zelven niet bedrogen heeft ten opzigte van de meening van zijn' meester; of deze laatste den hertog niet met opzet in zijn' waan gelaten heeft, ten einde, al naardat de uitslag van zijne handelingen wezen zou, of de voordeelen er van zich zelven te kunnen toeëigenen, of al het hatelijke er van op den rug zijns dienaars te laden.
Wij hebben den hertog beschouwd als dienaar des konings; laten wij thans hem op zijn standpunt van landvoogd beoordeelen.
In October 1571 schreef viglius aan hopperus, dat, hoewel de hertog zich op de toestemming beroepen had, die de staten vroeger aan den tienden penning gegeven hadden, er sedert veel was voorgevallen, dat, volgens de beginselen des regts, de geldigheid dier toestemming hoogst twijfelachtig maakte. Wij kunnen die meening van viglius niet deelen. Ook hadden de staten zich in hunne vertoogen, zoowel aan den hertog van alva
als aan den koning, wel gewacht al te veel nadruk op die voorgegeven buitengewone voorvallen te leggen. Het zal voldoende zijn er eenige van op te geven om de nietigheid der gevolgen, die men er uit afleidde, in het licht te stellen. Eene der drogredenen, waarom beweerd werd dat de toestemming hare kracht verloren had, was, dat, terwijl volgens de acte van toestemming de tiende penning algemeen in al de gewesten had moeten geheven worden, waarvan de staten bijeengeroepen waren om dien toe te staan, die heffing noch afgekondigd noch ten uitvoer gelegd was in de provincie Utrecht. Men vergat, dat de staten van Utrecht zelve beweerden, dat hunne bijeenroeping eene eerste onregelmatigheid uitmaakte, en dat zij niet onder de erflanden des konings konden begrepen worden; dat deze provincie zich in een' geheel buitengewonen toestand bevond, gebukt als zij ging onder de aanklagt van weêrspannigheid, door den raad van beroerte tegen haar ingebragt; dat eindelijk de hertog beweerd had, haar onder de erflanden te moeten begrijpen, en den tienden penning er des noods met geweld te zullen heffen(1).
Zie hier eene andere uitvlugt. Terwijl de hertog als beginsel aangenomen had, alleen de voorwerpen van den laatsten verkoop aan de belasting te onderwerpen, merkte men aan, dat het zout met een' dubbelen of drievoudigen tienden penning bezwaard was. Nu was het zout meer dan iets anders eene der stoffen, die tot bewerking dier voorwerpen van laatsten verkoop werden gebruikt. Ondertusschen, durven wij verzekeren, lag niets verder van de bedoelingen van den hertog dan die overbelasting. In de moderatie van 2 November 1571, had hij van de buitengewone belasting
uitgezonderd en als grondstoffen beschouwd: ‘Les huiles et aultres liquides, qui se vendront pour estre employés en manufactures.’ Daarenboven was alles nog in den staat van ontwerp, en men had over dergelijke zwarigheden van den hertog eene nadere verklaring behooren uit te lokken. Want het was vooral aan dergelijke klagten dat hij zich verbonden had regt te doen: ‘Son Excellence,’ - luidt het in het antwoord aan de staten van Brabant, 15 October 1571, - ‘prendra regard sur ce que touche les victuailles, et s'y fera le tout successivement, comme le faict se mect en train et exécution, n'estant possible en chose nouvelle et non practiquée pourveoir du commenchement à tout inconvénient, requérant par ce lesdicts estatz de se mectre, quant à ce poinct, en repos’(1).
Inderdaad, de oneenigheid tusschen de staten en den hertog berustte niet louter op eenige onregelmatigheden: de vraag had in 1569 besproken moeten worden; zoo als zij sedert Julij 1571 behandeld werd; maar wij hebben reeds verslag gedaan van de oorzaken, die de staten verhinderden om zich destijds zoo kloek en vasthoudend te toonen, als zij het twee jaar later waren. De grond, die door de schroom-
valligheid der eenen, door de onvoorzigtigheid of misdadige toegefelijkheid der anderen, verloren was gegaan, trachtte men later te heroveren op een' vijand, die er zich, krachtens een feitelijk verworven regt, op handhaafde. Om hunne zaak te bepleiten, beriepen zich de staten op de grondregels van het staatsregt, zoodanig als het door het gezond verstand erkend en door de oude grondwetten des lands vastgesteld was. Hunne tegenpartij grondde zich op de vroegere inwilligingen, waardoor de staten zelven hunne zaak in de waagschaal hadden geworpen. Onderzoeken wij, van welke gronden men zich ter eene en ter andere zijde bediende.
Vooreerst zeiden de staten, dat de toestemming tot den tienden penning, in 1569, noch onvoorwaardelijk, noch eenstemmig was geweest. Bedreigingen en list hadden hun die afgeperst. Omdat verscheidene leden der staten daartoe niet hadden willen toetreden, had men de toevlugt genomen tot het gewelddadig en onwettig middel der vervanging, om alzoo den schijn eener volledige en onbepaalde toestemming te verkrijgen. Wij moeten het toegeven: sommige dienaars van den hertog hadden te midden der staten-vergadering bedreigingen geuit; de president bruxelles in zijne openingsrede; rassenghien in de vergadering der staten van Rijssel, Douai en Orchies; noircarmes in den raad der stad Bergen(1). Ongetwijfeld volgden zij met dus te handelen de ingevingen van den hertog; doch hunne taal was op zich zelve niet officiëel. De hertog zelf had zich voorzigtig van dergelijke bedreigingen onthouden. Integendeel, hij had aan de staten van Rijssel, Douai en Orchies geantwoord: ‘Qu'il falloit, pour le service de Dieu et le bien publicq des Pays-Bas, faire l'accord absolutement, et que néantmoings il ne volloit ne entendoit user de voye de commandement’(2). Eveneens was
het gelegen met de verzekeringen, door berlaymont, noircarmes en den graaf de la roche aan de staten van Namen, Henegouwen en Artois gegeven, dat het met de heffing van den tienden penning niet tot uitvoering zou komen. Al waren hunne verklaringen zelfs de vrucht van 's hertogen lastgeving geweest, zij hadden volstrekt geen kenmerk van openbaar gezag; zij waren beperkt door hetgeen de koning ten slotte zou goedvinden; zij berustten op de vermoedelijke uitwerking, die de voorstellingen der staten op den hertog zouden hebben; voorstellingen, die deze gemagtigd, ja bijkans uitgenoodigd werden te doen(1). Overigens bekrachtigde de hertog gedeeltelijk de beloften zijner gemagtigden, toen hij den tienden penning in buitengewone quoten veranderde; toen hij die quoten voor twee jaren aannam, en zich tegelijk verbond om bij den koning er op aan te dringen, dat deze er genoegen mede nam om ze de volgende vier jaren voort te doen duren. Zeker was die belofte van den hertog niet opregt gemeend: doch de staten hadden het regt niet om de waarheid der verzekering in twijfel te trekken, die vervat was in het plakkaat, dat in Julij 1572 afgekondigd werd: ‘Nonobstant tout bon office faict de sa part devers sa Majesté, icelle ne s'est aulcunement voullu condescendre.’ Zoo drukte zich de hertog uit.(2)
Wij hebben reeds gemeld, op welken grond viglius opkwam(1) tegen de comprehensie of vervanging, die door den kanselier van Brabant was voorgesteld als een middel om de leden der staten, die niet tot den tienden penning konden verstaan, tot gehoorzaamheid te dwingen. De staten van Brabant droegen zorg, in de vertoogen, die zij tot den koning rigtten, het ongelijk, dat hun in dit opzigt was aangedaan, in het licht te stellen. Wij durven verzekeren, dat dit het best bewerkte, het schitterendste deel van hunne rede is. Zij betoogen daarin, dat de drie staten niet een enkel en eenig collegie kunnen uitmaken en dat zij drie onderscheiden collegiën zijn en blijven; dat, gelijk in elke stad ieder lid een bijzonder collegie uitmaakt, - in diervoege, dat in de stad Brussel, bij voorbeeld, elk der drie leden afzonderlijk bijeenkomt en afzonderlijk zijne toestemming geeft, en het noodzakelijk is dat die afzonderlijke en bijzondere toestemmingen onderling overeenstemmen om de volledige en volstrekte toestemming der stad te vormen, - evenzoo de drie staten elk voor zich toestaan datgene waartoe hunne inwilliging is gevraagd, en de vier hoofdsteden, die het derde lid zamenstellen, door hunne stem de geestelijkheid en den adel niet kunnen binden, en nog minder de geestelijkheid en de adel de vier hoofdsteden. Om te bewijzen dat de stem van twee of drie leden van den derden stand het lid, dat van gevoelen verschilt, niet binden kan, voeren zij de ordonnantie van karel V van het jaar 1546 aan, waarbij bepaald werd, dat hetgeen door de twee eerste leden van Brussel en de vier natiën, of door een der twee leden en de vijf natiën zou zijn toegestaan, beschouwd zou worden als een algemeen besluit der drie leden: waaruit volgen moest, dat werkelijk de twee eerste leden van Brussel slechts voor twee natiën geteld, en bij-
gevolg als twee elfden der geheele stad gerekend worden, die door hunne stemmen de overige negen elfden niet kunnen medeslepen. Wat de vier leden van Leuven betreft, herinneren de staten den koning, dat in 1529, bij gelegenheid van eene belasting, die door drie leden besloten en door het vierde verworpen was, de keizer bij acte van 2 November verklaard had, dat ten aanzien van alle belastingen, waartoe elk inwoner der stad voor zijn' persoon naar zijne middelen moest opbrengen, de drie eerste leden het vierde niet door hunne stemmen konden vervangen.
Ongetwijfeld waren dat de ware beginsels van het staatsregt. Doch wat volgde daaruit? dat te allen tijde de vervanging slechts een regtsverdichtsel was geweest, eene aanmatiging der oppermagt, eene onwettigheid, waartegen de natie standvastig en eendragtig, als tegen een inbreuk op hare regten en vrijheden, had behooren op te komen.
Ongelukkiglijk had zij dit niet gedaan, en de vervanging had van toen af in de orde der feiten hare plaats ingenomen. Wij hebben gezien, dat men in 1564 op het punt had gestaan om haar op de stad Brussel toe te passen; dat voorbeeld stond niet op zich zelf; de staten zelve moesten bekennen, dat bij gelegenheid van de zesjarige bede, in 1558 toegestaan, dit middel was aangewend; doch zij poogden de kracht van dat voorbeeld te verzwakken. In de acte van toestemming van 1558, beweerden zij, was bedongen, dat de vervanging alleen voor ditmaal in werking werd gesteld, wegens het dreigende gevaar waarin zich het land bevond, zonder dat daardoor iemand in zijn regt verkort, of eenig gevolg hoegenaamd daaruit voor de toekomst zou mogen afgeleid worden. Al de vervangingen, voegden zij er bij, die tot dusver hadden plaats gehad, hadden betrekking op tijdelijke beden, waarvan de duur en het bedrag vooraf bepaald was geworden, terwijl de tiende penning eene voortdurende belasting zou zijn, van onbepaalde uitgestrektheid, en bijgevolg eene onherroepelijke vervreemding der natuurlijke vrijheid van de
provincie Brabant. Nu kon eene dergelijke vervreemding niet door middel der vervanging plaats grijpen, volgens den onschendbaren regtsregel: dat de meerderheid de minderheid niet kan dwingen om zich aan haar gevoelen te onderwerpen, zoodra er sprake is van de onafhankelijkheid met dienstbaarheid te ruilen.
Onbetwistbaar had de hertog van alva bij het voorstellen van den tienden penning het oogmerk om den landsheer voor altijd van de lastige verpligting te ontheffen om van zijne onderdanen zijne inkomsten te bedelen. Hij ontveinsde in den geheimen raad zijn doel niet. Hij wachtte zich echter wel, zulks in zijne opentlijke onderhandelingen met de staten te laten blijken. In zijn voorstel gaf hij hoog op van de voordeelen, die aan zijn ontwerp verknocht waren, om des te minder te doen voelen, dat de last, dien hij de Nederlanden ging opleggen, hen eeuwig drukken zou. Wel is waar was aan de pen van zijn' secretaris de uitdrukking ontsnapt: ‘dat zijne excellentie, de zaken niet kunnende staande houden zonder eenigen goeden en duurzamen onderstand, na rijp beraad geen beter middel gevonden had dan dat hetwelk hij voorstelde