Studiën en schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren. Deel 2


auteur: R.C. Bakhuizen van den Brink


editeur: E.J. Potgieter


bron: R.C. Bakhuizen van den Brink, Studiën en Schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren. Tweede deel. (ed. E.J. Potgieter). Frederik Muller, Amsterdam 1870


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

Vondel met Roskam en Rommelpot.

I.

Wilden wij een woord, door ons afgekeurd, onzes ondanks bezigen en zekere rigting onzer Hollandsche letterkunde de jonge litteratuur noemen, wij zouden die grooten dank weten, dat zij het leven en de werken onzer voorouders door den glans der Poëzij heeft opgeluisterd. Sloten, die reeds lang in puin lagen, hebben, door haren invloed, onze aandacht geboeide, en hoe zeer onze oogen van der jeugd aan waren gewend, in de bouwkunst slechts het nuttige en noodige, op zijn hoogst het eenvoudige en deftige te zoeken, toch hebben wij die kasteelen schoon geprezen. Het burgerlijke leven mogt, in een tijdsverloop van meer dan drie eeuwen, bijna alle herinneringen aan den riddertijd hebben overstroomd en uitgewischt, echter werd onze verbeelding warm bij het verhaal der wapenfeiten onzer adellijke stamvaders, en ten gevalle der romanpoëzij stelde zij zich ons boersch Holland als een paardenkweekend Argos voor. Zóó werd schiller's fraai gezegde bevestigd:

 
‘Was unsterblich im Gesang soll leben
 
Musz im Leben untergehn.
[p. 2]

Ik verwijt onzen romanschrijvers en dichters hunne voorliefde voor den grafelijken tijd niet; ik begrijp, dat hunne verbeelding, als een edel ros, vrijer draven en sierlijker sprongen maken kan op een vlak en verlaten veld, dan dáár, waar zijne vaart door huizen en hoeken en slagboomen wordt belemmerd; maar men duide het den geboren' Amsterdammer niet euvel, zoo hij in hunne verhalen niet altoos het Holland, dat hij zich voorstelt, weêrvinden kan. Moge ook zijne wijze van zien even eenzijdig zijn als de hunne, toch deert het hem, dat geen onzer Romanciers hem genoegen gaf, en Hollands hoofdstad tot zijn tooneel koos. De partijen, door wier wrijving zich de geschiedenis der zeven Provinciën ontwikkelde; de krachten, waardoor Nederland zich tot den eersten rang onder de Staten, van Europa verhief; de roersels, die overal den ijver voor Hollands dierbaarst kleinood, de vrijheid, levendig hielden, waren daar binnen eene kleine ruimte beperkt. Terwijl andere steden, zoo als Delft of Enkhuizen, langzamerhand haren ouden glans verloren, nam Amsterdam, gelijken tred houdende met het geheele Vaderland, in magt en uitgebreidheid toe; sedert alleen door den moed en de volharding zijner burgers de Hervorming was gevestigd, welke brederode en sonoy vergeefs hadden beproefd, door adellijk gezag of geweld van wapenen te bewerken. Vader bilderdijk moge de hoofdstad met schimp en blaam overladen hebben, de waarheid is zelden aan de zijde der poëten; en al had hij niet overal ongelijk, de hevigheid zijner uitvallen kittelt den aan zijne stad gehechten Amsterdammer, als een bewijs, hoe fier zijn voorzaat eenmaal den meester speelde. Het gaat hem als den duivel in grabbe's kluchtspel:

wernthal.
 
‘Gij zijt een vervloekte vrek; Mijnheer!
De duivel (met eene beleefde buiging).
 
Te veel eer! - gij maakt mij verlegen. Ik ben wel gaarne vervloekt, wel gaarne een vrek, razend gaarne een vrek; maar ik ben het niet, zoo als
 
ik het wel wezen moest.’
[p. 3]

Onze redenering, zal men zeggen, heeft slechts één gebrek: dat zij vijftig jaren te oud is; maar men versta ons niet met opzet kwalijk. Ook wij verheugen er ons in dat de stad, welke weleer hare mededingsters op den nek trad, thans geenen anderen rang meer heeft, dan dien van de eerste onder haars gelijken te zijn. Wij geven gereedelijk toe, dat de zelfgenoegzaamheid, waarin zij zich, als het ware, te rusten legde, terwijl alles om haar heen in rep en roer was, in afhankelijkheid van het welzijn des gemeenen Vaderlands is verkeerd; dat de twee partijen, na in onze staatsomwenteling al hare woede te hebben uitgeput, beide tot zwijgen zijn gebragt; dat de kerkelijke twisten, wier beslissing te onzekerder was, naarmate de kruiwagen (om het oude woord van Schout hendrik dirksz te bezigen) andere regeerders op of van het kussen geholpen had, geheel uit de wereld zijn verbannen. Wil men het anders uitgedrukt, de verhouding is zóó zeer omgekeerd, dat zij, die in het begin der zeventiende eeuw de heerschende partij was, in onzen tijd de lijdende is geworden. Het maatschappelijk verkeer heeft zijne ruwheid verloren en zich gebogen onder de vormen der algemeene beschaving. Maar als wij, door de erkenning van die weldadige gedaantewisseling, wat men ons tegen wilde werpen hebben ontzenuwd, dan vergunne men ons, des te meer het gezegde tijdvak van Amsterdams opkomst den romanschrijvers aantebevelen, dewijl het - met schiller gesproken - im Leben untergegangen ist.

Doch dit leven en woelen eener pas zelfstandige burgerij biedt minder dichterlijke zijden aan, meent men, dan de erfelijke veeden des adels en de tournooijen der ridderschap. Ook dit beweren trekken wij in twijfel, wanneer wij opmerken, dat de bloei onzer oude en onovertroffen dichters met dat tijdperk van ontwikkeling zamenvalt; wanneer wij juist dán het nationaal tooneel schielijk tot eene hoogte zien rijzen, waarop het later naauwelijks kon staande blijven, wanneer dezelfde geest van voortuitgang, die onze kooplieden tot de verbazendste ondernemingen aanzettede, den dichters geene herinne-

[p. 4]

ringen aan het verledene, maar eene toekomst voor den geest bragt, zoo als hooft die in zijnen Geeraardt van Velzen, vondel haar in zijnen Gysbreght van Aemstel schilderde. Ja, dezelfde belangzieke, politieke strekking, indien men volstrekt dit harde woord wil, prikkelde den laatste tot het schrijven dier Hekeldichten, welke wel door sommigen met hoon, als vruchten eener onbeschaafde eeuw, werden gelaakt, die door anderen met spot zijn herhaald, maar daarom niet minder, voor het meerendeel, door ervarene regters als kunststukken, den zanger van Lucifer waardig, geschat worden.

Immers, dat deze verzen door hunne ruwheid het kenmerk van hunnen tijd medebrengen; dat zij, beurtelings verheven of plat, nu eens den prozaïschen gang van den briefstijl volgen, dan weder op de wieken der lyriek drijven, om later bijna tot straatpoëzij af te dalen, is nog geen bewijs, dat zij den naam van hekeldichten ten onregte dragen. In geene andere soort van poëzij toch heeft de vorm ondragelijker dwang uitgeoefend dan in dezen. Al hadden de Romeinen het voorbeeld gegeven, om hunne schimpdichten van langeren adem in den vorm der satire te kleeden, daardoor was het voorzeker geenszins allen nienweren volken tot wet gesteld, hunne ontevredenheid over de zeden en de onheilen van den tijd in alexandrijnen lucht te geven, en juist zulk eenen stijl aan te nemen, bij wien alleen het opschrift van het gedicht beslist, of men het onder de dichterlijke brieven of onder de zedelijke gispingen heeft te rangschikken. Stellig was de natuur er verre van slechts zoodanigen vorm te vergunnen; of wordt het ons niet, wanneer de menschelijke dwaasheden eenen heraclitus doen weenen, terwijl zij bij democritus den lach opwekken, als met den vinger aangewezen, dat het hekeldicht in zijn doel de vrijheid moet behouden, zich naar den toestand des dichters, naar den aard der gebeurtenissen, die zijne drift of misnoegdheid gaande maken, naar de bevatting van het volk, waaronder hij leeft, te rigten? Ik stel mij voor, dat de eerste oorlog, dien de menschen elkander in rijm en maat aandeden, een gevecht was van man tegen man,

[p. 5]

opgewekt door persoonlijke beleedigingen, of gekrente eigenliefde, waarbij ieder het wapen aangreep, dat in zijne hand het gevaarlijkste werktuig kon zijn(1). Toen echter later de regeling der maatschappij den invloed der individus had verminderd en de meeningen en begrippen van meerderen het gezag hadden verkregen, dat vroeger aan enkele personen om den wille des overwigts van hunnen geest of hunne ligchaamskracht was toegekend, toen ontstond de oorlog van beginselen: de dichters zochten de massa's tegen hare heeren in opstand te brengen: het was, zoo gij wilt, een bonte volksoploop, maar tevens een hartstogtelijke strijd, die vaak eene omwenteling ten gevolge had. Zouden, wij onregt hebben in dezen toestand der maatschappij den oorsprong te zoeken, deels der straffe orakeltaal, die sommige dichters tegen de heerschende partij voerden, deels der oude blijspelen, welke, onder het gejuich der menigte, hare aanzienlijker medeburgers over het tooneel sleepten? Althans de Romeinsche satire van lateren tijd hield van beiden iets over. Terwijl zij tegen ondeugden van den dag te velde trok, sloeg de dichter nu en dan den ernstigen toon aan, dien het bewustzijn van eigene deugd, dien de aanblazing der Godheid hem ingaf; maar over het geheel zocht hij zijnen stijl in overeenstemming te houden met dien van het blijspel; de ondeugd, waar hij kon, in den eenen of anderen persoon Le beligchamen, en zoo weinig mogelijk het kenmerk der gemeenschappelijke geboorte te verliepen, dat hem aan den klucht- of blijspeldichter verbond. Door bijzondere kieschheid onderscheidde waarlijk de satire der Ouden zich van het gewone schimpdicht niet.(2). Het viel den dichter hard genoeg, de tijdgenooten, die hem voor den geest stonden, niet aan te tasten; en, als naar eene verloren gouden eeuw, zag persius zuchtend naar de tijden van lucilius uit:

[p. 6]

Lucilius heeft, de burgerij geroskamd; op u, o mucius! up u, o lupus! heeft hij de tanden stak gebeten en ik, ik zou naauwelijks mogen mompelen!’

 

Zóó vast zijn wij aan het voorbeeld der Romeinen gekluisterd gebleven, dat men moeite heeft onder de vele voortreffelijke latere hekeldichten een enkel te vinden van staatkundige strekking. En toch, hoeveel stofs leverde de politiek op den duur voor de dichterlijke verontwaardiging! Waarmede hield zich het volk zoo onafgebroken, zoo hartstogtelijk bezig? Bij welk ander onderwerp kon zich de dichter meer vrucht van de verkondiging zijner gevoelens beloven? Helaaas! ten gevolge onzer overdrevene navolgingszucht, heeft de satire afgezien van haar regt op eene stof, die haar onwillekeurig dwingen zou, het gezag over al die dichtvormen te hernemen, waarin de poëtische indignatie zich lucht geeft. Intusschen, bij hartelijke afkeuring der overdreven gevoelens, welke in de laatste tijden onderscheiden dichters kenmerkten, mogen wij niet ontveinzen, dat het jongste hekeldicht in dit opzigt eenige vorderingen gemaakt heeft. Wij denken hier aan moore; wij denken vooral aan de Iambes van aguste barbier, die door het opschrift zijner gedichten al aanstonds toonde, onafhankelijk te willen zijn van de overgeleverde benamingen.