Universiteiten, maar aan het Atheneum Illustre der stad Amsterdam, waar hij bij zijne ouders bleef inwoonen. De eigenaardige toestand ziet nog vergeefs naar zijnen Klikspaan uit; wat baat het hem, die voor deze bladzijde de pen ter hand nam, dat hij den Student-Leydenaar herlas? Het vergt weinig scherpzinnigheid op te merken, aan hoe velerlei minder leeds dat tweeslachtige blootstelt in 's Rijks Hoofdstad, dan in eene Academie-Veste; maar welke verbeelding vermoedt het verschil in al zijne nuances, tusschen de weelde eener wereld van studenten, en de geneugten van een kleinen kring studeerenden? Volledig weer te geven, heeft volkomen te kennen tot voorwaarde: schetsen eischt, dat men hebbe gezien; schrijven, dat men hebbe beleefd. Hij die deze verklaring in gemoede aflegt is nooit student geweest: ook zou hij zijn teruggedeinsd voor de poging die levensvaag zijns vriends te veraanschouwelijken, als de toepassing van het bekende: ‘non-ragioniam di lor, ma guarda e passa’ op deze dagen, het begrijpen der volgende, voor welke hij zich een bevoegd verslaggever gelooven mag, niet onmogelijk maken zou. Vergenoege men zich dan van hem, voor dit gedeelte, met eenige tegenstellingen en overeenkomsten tot welker opmerking het geestig vertoog, van 't welk hij gewaagde, om strijd gelegenheid biedt; - waardeere men, in wat het belangrijks bevatten zal, de velerlei heugenissen, door de vrienden welke bakkes zich in den opgang des levens verwierf, met zoo groote welwillendheid ten beste gegeven. Immers bakkes was de naam waarmede hij, dien wij tot nog toe reinier noemden, in den vertrouwelijken omgang, door zijne makkers uit dien tijd werd aangeduid; schoon maar student in de hoofdstad, had ook hij achter zijnen voornaam geen ‘van’. Slechts in de buitenwereld heette hij later te Amsterdam Mijnheer van den brink, te 's Gravenhage Mijnheer bakhuizen; bij allen die met hem hadden gestudeerd, die waarlijk vrienden waren geworden, bleef het bakkes voor en bakkes na. ‘bakkes,’ dus schreef Dr. cool uit Harlingen, ‘zoo was zijn bijnaam, ik geloof niet alleen om er bakhuizen meê uit te drukken;’ - ‘bakkes’ klonk het mij toe uit den mond van Dr. de haan hugenholtz te Haarlem, ‘bakkes!’, en geen veertig jaren vervlogen tijds scheidden dezen meer van die ontwikkelingsdagen in welke zij met elkander wedijverden; - ‘mijn oude getrouwe vriend bakkes, ik kan hem niet anders noemen,’ tuigde
het hart van Dr. beijnen te 's Hage. - ‘Hoe is het mogelijk zich zoo leelijk een sobriquet te laten welgevallen?’ verbeelde ik mij, vermetel genoeg, te hooren uitroepen: als of er ter wereld eene nuf ware, die haar geestig neusje in deze drooge, duffe bladzijden stak! ‘B-a-k-k-e-s!’ en het woord verliest dus uitgesproken, al het hollandsche, al het huisselijke, al het hartelijke waarmede het van de lippen zijner vrienden klonk: ‘b-a-k-k-e-s!’ - ‘Hij had eens in den spiegel gekeken Mejufvrouw!’ zou ik willen antwoorden. ‘Eens maar?’ - ‘Eens maar, en hij bezat, wat kiest, u? hij bezat waarheidsliefde, hij bezat oordeel of smaak genoeg, om in een paar flinke oogen geen vergoelijking te vinden, voor wat overigens aan zijne tronie ontbrak’ - ‘Tronie, Mijnheer!’ - Tronie, me lieve! hij mogt een grof woord voor een grof ding, - gelooft u niet dat men geest moet hebben, om met zichzelven te gekscheeren? - dat men dien toont, zoo men daardoor voorkomt dat anderen het met ons doen? Eens in den spiegel hebbende gekeken; - ééns maar, Mejufvrouw! - was hij overtuigd dat de natuur hem meer met sterkte dan met schoonheid had bedeeld, zag hij te duidelijk hoe zijne opvoeding zijn uiterlijk had verwaarloosd ...’ - ‘Verwaarloosd, Mijnheer? en de gymnastiek?’ - ‘Och, me lieve! er was toen nog geen sprake van dat onze schoonen met Albion's dochteren naar den prijs zouden dingen in slankheid van leest en sierlijkheid van gang; zelfs bij knapen kwam men de natuur niet ter hulpe, - mijn arme bakkes, als ik tot hem mag weerkeeren, hij had schermen, noch rijden, noch dansen geleerd: je lácherai le grand mot, hoe jong nog, hij snoof al!’ - ‘Fi, l'horreur!’ - ‘Maar groote mannen deden het vóór hem, de oude frits, bij voorbeeld; et des hommes très galants se piquaient de belles tabatières, les petits abbés, comme les marquis: uw portret, Mejufvrouw! dat nu in een charivari hangt, zou toen geprijkt hebben op een snuifdoos!’ - Het nufje is verontwaardigd; en ik neem buigende afscheid van haar met de opmerking dat, al waren ze tijdgenooten geweest, zij elkanders rust toch waarschijnlijk niet zouden hebben gestoord: voor de hare waren zijn tot de kin toe digtgeknoopt vest, zijn stijf halsboordje, zijn boven alle beschrijving houterige rok, afschrikkende waarborgen gebleken; hij schudde toen nog geen leeuwenmanen, onder het kouten, heen en weer; - voor de zijne? welke Venus trok bakkes in zijn eerste studîejaar aan? wijdde hij
zich niet onverdeeld der Muzen toe? Er zullen zijn die beweeren dat het feit met de vragende verzekering strijdt, als ik er bijvoege dat hij toen allervlijtigst college hield, dat dit het eenige jaar was waarin dit van hem mogt worden getuigd; - Klikspaan zal den vader voor zich zien, die onderzoekt of zoontje wel bijtijds is opgestaan; en de moeder, die zuur kijkt, dewijl hij te lang op de societeit bleef; - hebben zij gelijk? Voor zooveel den laatste aangaat, bakkes had jammeren met den Student-Leydenaar gemeen, doch die minder aan den algemeenen toestand eens ontgroenden in de hoofdstad, dan aan de bijzondere eigenaardigheden zijner ouders vielen te wijten, - wat de eersten betreft ik mag hunne bedenking slechts toegeven onder een voorbehoudend misschien. Misschien, - als men niet in aanmerking nemen wil dat hij, om een oordeel over dictaten uit te mogen brengen, dictaten moest hebben gehoord; dat hij, om te durven bepalen welk gezag het levend woord mogt worden toegekend, er met goeden wil het oor aan moest hebben geleend. - Misschien, - voor zooverre hij getrouw de lessen bijwoonde van voûte, die door jakob van lennep in het Leven zijns vaders, ‘de schrandere, de te vroeg aan de wetenschap ontvallen Hoogleeraar’ wordt genoemd, schoon het briefje, dat hij van dezen bijbrengt, volstrekt geen bewijs dezer eerstgenoemde geestesgave levert. Immers de goede man schreef, ‘dat hij tranen had kunnen storten, en niet wist waarom;’ als waren in de redevoering welke hij had gehoord, ‘de boven beschrijving innemende voordragt, de afwisseling van alle de genera dicendi: subtile, ornatum, elegans, grave‘; niet voldoende om zijn bewondering te verklaren! ‘Das kann, wer auch nicht Logik kennt’ u.s.w. - Misschien, - voor zooverre het van cappelle's onderwijs gold, - die, tot schade van zijnen naroem de gelegenheid niet had aangegrepen het zeldzaam voorbeeld te geven hoe men eene betrekking weigert, waardiger dan wij zijn toekomend. Of beklaagt gij niet eene naïveteit die, geloovende dat bilderdijk zelf hem het aannemen niet kwalijk nemen zou, er toe bijdroeg, zoo als falck teregt schreef: ‘jegens dezen de maat vol te meten, en zich onverantwoordelijk te stellen bij de nakomelingschap?’ - The right man in the right place! - Maar niet, - zoo vaak hij aandachtig luisterde naar een man, ‘die, ten gevolge van een min gelukkig orgaan, wèl geene talrijke, maar wegens de innerlijke
waarde van zijne leerredenen, waarin zich kern van belangrijke zaken en hoogen ernst met gepaste bevalligheid on levendigheid van stijl vereenigden, des te meer eene uitgezochte schaar van toehoorders trok.’ Och, doe mij het onregt niet aan te gelooven, dat ik u niet deze proeve van goedhartigen stijl zou hebben gekweld, zoo iemand anders dan siegenbeek rooijens hadde uitgeluid; rooijens, ‘wiens lessen over verschillende deelen der Godgeleerdheid en der Kerkelijke Geschiedenis met zoo veel vrucht en genoegen door zijne leerlingen werden’ gehoord, ‘dat velen zelfs hunne studiën onder zijn geleide voltrokken.’ (Voorzitters-Aanspraak der Maatschappij van Ned. Letterkunde.) - Maar allerminst, - zou bakkes mij ooit den gruwel des vermoedens hebben vergeven? - maar zelfs in de verste verte niet, als hij het genot mogt smaken, de ‘welluidende, heldere’ stem van van lennep te hooren, als hij door van lennep's boeijende ‘voordragt in bewondering mogt worden ontgloeid.’ Hoe hij, naauwelijks verwaardigd den tempel der wetenschappen in te treden; nieuweling, die nog niet naderen durfde tot heur hoog altaar; hoe hij het voorregt schatte, zoo vroeg het gedroomde ideaal der vereeniging van studie en smaak verwezenlijkt te mogen zien! ‘Tu se' lo mio maestro e 'l mio autore:’ klonk het in zijn binnenste; al had zijne opvoeding hem te schuchter gemaakt om woorden van dien aard over zijne lippen te doen komen; - ‘Tu se' solo colui, da cui io tolsi Lo bello stile, che m' ha fatto onore,’ zou ooit de dag aanbreken, in welken hij, zonder ijdele zelfverheffing, iets dergelijks van zijne betrekking tot van lennep getuigen mogt? Hoe hij het wenschte! hoe hij er voor werkte! Om't even of zijne ouders wisselden van wooning, waar hij studeerde, hoog in de lucht of laag bij den grond, overal zweefde hem het beeld diens hoogleeraars voor den geest. Eene korte wijle op de bovenkamer, welke maar uitzigt had in de Korsjespoortsteeg, - den Amsterdammer-Student ging het in dit opzigt, ondeugende Klikspaan! niet beter dan uwen Student-Leydenaar, - op zijn hoogst een jaar in dat vertrek, 't geen zijne makkers van de Latijnsche school, Dr. p. cool en Mr. j. commelin nog heugt, - den laatste niet zonder weemoed: hij genoot er de poëzy der studie van welke pligt hem gebieden zou voor de proza van het notariaat afscheid te nemen! Later - in de kleinste der twee tuinkamers,
welke het door zijne ouders gekochte huis op de Heerengracht rijk was, het huis d' Beeck geheeten, heugenis bewarende van dien heintje vollenhoven wiens vriendschap den somberen levensavond onzer beroemde romanschrijfsters uit de achttiende eeuw verhelderde, en die er onsterfelijk door werd; - later, al den tijd tot hij naar Leijden vertrok, in de cel, die de beide bekende prenten: de slag bij Nieupoort en de slag bij Rochester tot siersels der wanden had, tusschen welke het tafeltje stond met een' wasdoekzeiltje er over, waaronder zijn schat van aanteekeningen school. Daar zat hij, in een armstoel, die dreigde hem weldra te eng te worden, daar zat hij ‘omschanst met boecken en met blaren,’ voor welke de weinige meubelen des vertreks niet toereikten die de vensterbank vulden, die open lagen tot op het tapijt toe. Het mogt voorjaar zijn, en de westewind in den hof de bloesempracht der heesters heen en weer doen wiegelen; - het mogt zomer blijken niet enkel door de opengezette lage ramen, ook door den geur der rozen, schitterende op het perk voor de huiskamer ter andere zijde van den gang; - het mogt herfst worden en de fijne fruiten langs de schutting aanlokken, als de vruchten van onder het gebladert der vermaarde Amsterdamsche peerenboomen, - in alle saizoenen zaagt gij in die lommer den grijzen kantoorjas en den doorrookten goudenaar van verre, zangt gij den vader, naar het jaargetijde het meebragt, rupsen zoekend, bloemen verzorgend, twijgen stuttend; - de moeder troft gij nooit in den tuin aan, voor haar togtte het er altijd, - maar reinier? Hij was bakkes geworden, bakkes die werken moest, die werken wilde, om het van den voet des heuvels tot den top van dezen te brengen, naar welken zijn lievelingsmeester den weg wees! Ziedaar wat mij voldoende zou schijnen ter verklaring waarom hij die weelde slechts uit de vensterbank, waarom hij haar maar van verre genoot; indien zoo naauwkeurig een waarnemer als schneevoogt niet had opgemerkt dat hij, ondanks al de veelzijdigheid zijner gaven, op het gebied der natuurkunde steeds volslagen vreemdeling bleef. ‘Rien de plus insipide que la promenade’, plagt coquerel uit te roepen, en ofschoon bakkes de laatste zou geweest zijn dit den franschman toe te geven, voor wien le plaisir de causer boven alles ging; ofschoon hij schier een schildersoog had voor het eigenaardig karakter van ons landschap: het vee in de weide, - de duinen aan zee, - de scheepjes
op den vloed, - zin voor de stille wereld van kruiden en bloemen was hem niet bedeeld, van insecten deinsde hij terug. Het eenige wat hem af kon leiden van zijne studie; wat hem eene poos zijn arbeid voor een paar genootschappen van studenten, in welke hij zich gevierd zag, staken deed, dat waren de sprongen, het open raam in, het open raam uit, van jonge katten, zoo sierlijk van beweging, zoo schrander van blik. ‘Göthe beweert te regt dat zij van heksen weten,’ hoor ik hem nog zeggen, ter bekeering van mijn weêrzin in dat geslacht, waarmede mij zelfs de leeuw niet verzoenen kon, - doch geen overspringen in lateren tijd meer; er doe zich gedruisch van het gangtrappetje hooren, en open vliege de deur voor den gezwinden pas, maar de binnentredende zij student, zij vriend uit die dagen. Ditmaal blijke het niet een dergenen, die ik bereids vermeldde, blijke het noch j. ter meulen, hz., noch pieter cool te gelijk met hem aangekomen, luidt de technische term, geloof ik; blijke het even weinig h.j. de haan hugenholtz als aernout drost, de eerste een jaar later student geworden dan bakkes; ditmaal zij het cees boon, - thans Theol. Doctor en Predikant te Diever in Drenthe, die het vijftal zijner meest vertrouwelijke kennissen uit dat tijdvak voltooit. ‘Le titienaurait fait cent portraits différents du même modèle, zegt théophile thoré in zijn Salon de 1847; parce qu'il y a cent hommes différents dans le même homme.’ Even schaars als de geniën zijn, aan dat van tiziano gelijk, in het verrassend grijpen der verscheiden stemmingen deszelfden mans, even overvloedig levert ieder onzer het bewijs van de juistheid der laatste opmerking. Hoe anders toch, dan ten gevolge dier ons eigene verscheidenheid, de verschillende indrukken te verklaren, welke wij dag aan dag maken? Dien strijd louter op rekening der spiegels te schrijven waarin ons beeld zich weêrkaatst, gaat kwalijk aan; al geven wij gaarne toe dat onbevangenheid van oordeel niet algemeener mag heeten dan oorspronkelijkheid van opvatting. Vermoedt men vast dat de beeldtenis, door het gemoed van Dr. boon uit die dagen van bakkes bewaard, ons tot deze opmerkingen uitlokte? dat zij trekken heeft welke met de latere, meer algemeen verspreide, van hetzelfde gelaat, volstrekt niet strooken? Makkers op de Latijnsche school teekent hij alleraardigst beider verschil in het staatkundige; · studenten van hetzelfde jaar schetst hij, gemoedelijk geloovend, hunne overeenkomst in het gods-
dienstige, - de tijd mogt in het eerste geene wijziging brengen, hoe weinig bleef er van de laatste over! Dag aan dag gingen zij, als de lessen op den Singel waren afgeloopen, zamen huiswaarts, de Kalverstraat door, den Dam over; hoe dikwijls stonden zij er stil voor het gebouw, van 't welk de decker met regt getuigde: ‘'t een is hier 't ander waerdig; de Stad sulk een Stadhuis, 't Stadhuis een sulke Stad!’ - van 't welk, sedert het, helaas! door een vreemden vorst in paleis herschapen werd, noch wat het Huis van oranje betreft, noch wat de Nederlandsche Natie aangaat, hetzelfde meer te zeggen valt. Het teekent den tijd, dat zoo min bij den een als bij den ander onzer jongelieden de wensch opkwam, het weêr aan zijne oorspronkelijke bestemming te zien hergeven; dat zij van geene toekomst droomden, in welke de koopvorstin aan het Y het koningschap binnen hare muren ontvangen zal in zalen, als de negentiende eeuw in andere hoofdsteden ontsloot; dat zij zich verdiepten in een verleden, 't geen Amsterdam's burgemeesteren het regt gat op vorstenzonen als hunne minderen neêr te zien. Geene jeugd zonder poëzy; maar onder den toenmaligen indruk van achteruitgang zoo des handels als der scheepvaart was het die der heugenis, niet die der verwachting, welke zich gelden deed. Opziende naar de stoute schepping van quellyn, naar dat ooster-voorhoofd, in 't welk deze zich, volgens vondel's krachtige uitdrukking ‘in marmer heeft uitgeklonken,’ gaf bakkes zijn harte lucht: - ‘Daar zaten ze, onze groote mannen die oranje het hoofd durfden bieden, die oranje te magtig waren!’ - en boon, de prinsgezinde, bleef bakkes, den patriot, het antwoord niet schuldig. ‘Waren zij allen groote mannen geweest, als willem de iste, als fredrik-henrik, als’ ... en bakkes haperde een oogenblik, ‘als mouringh,’ voegde hij er toch bij - en de vrede was tusschen de jongeluî weer gesloten; - wat kon boon er tegen inbrengen als zijn vriend de banier van 's Lands Vrijheid slechts aan de hoede van zulke Geniën toevertrouwd wilde zien? Hier is de bakkes der jeugd dezelfde bakhuizen die vijftien jaren later, uit den vreemde, aan de toenmalige vertrouwde zoo van zijn harte als van zijn geest, schreef: ‘Want Loevensteiner, gij weet het misschien tot uwe ergernis, Loevensteiner ben ik tot in het gebeente,’ - hoe heb ik zelven hem dus levenslang gehoord, slechts vrede hebbende met het grondwettig Koningschap onder voorwaarde dat het iedere glorie van het Gemeenebest evenaarde! - ‘Wij wa-
ren toen ééns geesteskinderen;’ het zijn de woorden waarmede de tegenwoordige herder van Diever ons hun gemoedstoestand in den eersten studietijd schildert: ‘zamen bij broes, bij wolterbeek, bij kakebeen ter kerk gaande, bar tegen de orthodoxie, zuiver evangelisch’; en ik wensch niets op de getrouwheid der voorstelling af te dingen, maar verbaas er mij over als zij allengs den tint eener geheel eigenaardige vroomheid aanneemt, strijdig met het karakter van den van den brink, dien wij allen hebben gekend. Een onzer Evangelische Gezangen zou toen zijn lievelingslied zijn geweest; de bundel is rijk genoeg aan verscheidenheid om er niets verwonderlijks in te vinden; maar dat zijne keuze zich bepaalde tot niet slechts de bekendste, tot de innigste uitstorting tevens van ahazuërus van den berg, ziedaar wat verrast. Ootmoed is het opschrift van het bedoelde (het LXVIIste); laten de eerste regelen, voor wie het nooit medezong, den toon aangeven in welken het geheel is gedicht. ‘Mij naar alles stil te voegen, Hoe veracht en bitter 't schijn', Zonder woorden, met genoegen, Aller knechten knecht te zijn,’ - welk eene wijsheid, naar welke onze twintigjarige, volgens de verzekering des lieds, verklaarde te zoeken! - ‘God des needrigen en stillen, Wien geen menschen roem behaagt, Die, wat Ge ook moogt doen of willen, Eenzaam doet of eenzaam draagt,’ luidt een der volgende coupletten; is het niet of wij een donkeren kloostergang intreden? - ‘God! Gij zijt mijn God, ik kniele, Vol van vreugd voor uwen troon,’ besluit het gezang, met eene bede om ootmoed, die zeker ook het grootste verstand voegt, maar allervreemdst klinkt van lippen die overigens naar kennis dorstten! Er is slechts één sleutel op het raadsel, geloof ik; die ons noch door broes, noch zelfs door wolterbeek wordt gereikt; die in kakebeen's invloed schuilen moet. Of was inderdaad wat ik later in van den brink als objectiviteit waardeerde, was zijn open zin voor velerlei soort van gemoedelijkheid, zoowel voor göthe's Bekenntnisse einer schönen Seele b.v. als voor lodensteijn's mystische Zelfsverloochening, maar het natrillen eener snaar, die eens klagend in zijn eigen hart had geklonken? Ieder mijner lezers beantwoorde zich zelven die vraag; ik heb het licht, waarin de herinneringen van boon zijne beeldtenis plaatsen, niet willen verheelen; hoe weinig het zweemen moge naar dat waarin ik hem zag. Is een dampkring, in welken het wereldsche vast wegschemert, misschien de
eigenaardige geworden des mans, die zijn gansche leven zijner verscheidene gemeenten wijdde? die het betreuren blijft, dat zijn vriend afdwaalde van den weg, dien hij met dezen hand aan hand dacht te wandelen? Wie het vermoeden durft, hij pleegt er geen onregt door, - de schaal tusschen verstand en gevoel, die zoo zelden in evenwigt staat, mogt bij den verscheidene te vaak naar het eerste overslaan, bij den levende weegt het laatste wel wat zwaar. Onwillekeurig verraadt het zich in de liefde, waarmede hij de brieven zijns vriends uit dat tijdvak bewaarde, - in den weemoed, aan welken hij ter prooi wordt als hij die bij wijle herleest, - in de vernietiging, waartoe hij ze, na zijn eigen afsterven, bestemt. ‘Teleurgestelde verwachtingen,’ zou hij op den omslag willen schrijven; - wie verbaast er zich over dat dezelfde biographist, die gretig gebruik maakte van de bescheiden, hem door de Heeren j. ter meulen, hz. en Dr. h.j. de haan hugenholtz bereidvaardig, verrassend, edelmoedig aangeboden, Dr. boon geen tweestrijd wilde prijs geven door zulk een offer van hem te vergen? Als zijn naam in de brieven, verstrekt ten behoeve dezer levensschets door wie anders zijn georganiseerd, minder dikwijls voorkwam, hem zou zelfs de gansche vermelding zijn gespaard. Thans moge hem uit de volgende bladen blijken, hoe de vriend, dien hij verloren geloofde, zijner in liefde gedenken bleef, ‘als toen bakkes voor de bank des Rectors zich zelven wel eens beschuldigde, om boon vrij te pleiten;’ als toen zij leden waren van het genootschap L.O.S., voor 't welk van den brink's opstellen ‘evenzeer uitblonken door de uitvoerigheid waarmede elk onderwerp was behandeld, als door de zeldzaamheid van eenige correctie in het handschrift:’ - welke lof zou u de liefste zijn?
In deze laatste aanhalingen, uit den merkwaardigen brief te Diever geschreven, werden de zamenkomsten gedacht der Oostersche Letterkunde gewijd, toen door tal van jonge theologanten gehouden; eenige mededeelingen over dien kring worden hier vereischt, niet enkel opdat de toespeling voor mijn lezer geen raadsel blijve. Mijne taak moge medebrengen fluks van nog twee gezelschappen te gewagen ten behoeve van andere studiën opgerigt het genootschap Litteris Orientalibus Sacrum heeft de oudste brieven; zijne Archieven, over de Academiejaren 1826-1827, 1827-1828, 1828-1829, mij, door de vriendelijke tusschenkomst
van den Heer s. muller fzn., ter inzage bezorgd, lichten velerlei over den aanstaanden predikant dier dagen en zijne kennissen toe. L.O.S. had reeds twintig jaren lang zijne leden zien afwisselen, toen het zevental, dat op den 30sten October 1826 ten huize van c.j. van vleuten vergaderde, onder het Voorzitterschap van j.p. van harencarspel, en met j.d. stetterogge tot Secretaris, het besluit nam de drie ledige plaatsen in zijnen kring aan te vullen. Een gros van candidaten, door de genoemde studenten en de vier overige leden: j.j. hartman, h. ter let, c.i. wolterbeek en h.j.w. wunder opgemaakt, werd, zoodra men eene week later andermaal zamenkwam van zeven op tien gebragt en daaruit, bij meerderheid van stemmen, een zestal gekozen. Weder eene week later, - hier mogt jeugd zijn, haast was er niet, - bepaalde men zich uit dit tot de verlangde drie: ‘de Heeren boeke, van hengel en van den brink.’ Waardig voorspel in zijne vormen, men ziet het, eener kerkelijke vergadering, gaf het genootschap boven al deze toetsingen nog gelegenheid, als de meerderheid iemand mogt hebben verkozen eenig lid der minderheid volstrekt onaangenaam, door déballotage de verkiezing te niet te doen: alleen als het vertrouwelijk, vriendschappelijk verkeer niets te wenschen overliet, geloofde het zich van zijne studiën der letteren vrucht te mogen belooven. De laatsten van ons drietal, van hengel en van den brink, stonden die vuurproef den 20sten November ongedeerd door de eerste, boeke, werd er niet aan onderworpen; daar hij, bij eene polsing door den secretaris, verklaard had liever niet in aanmerking te willen komen. Bewees niet het daarop door de leden der vergadering eenparig genomen besluit, ‘deze vacature voor als nog niet te vervullen’ voldingend, hoe uit het gros der jongelui de keuze juist op de meest gewenschten was gevallen? Het ging deftig toe in dat genootschap; den 27sten November gaven fiscaal en secretaris den leden kennis dat de verkozenen de benoeming hadden aangenomen; de laatste leverde namens beide de door ieder van deze geteekende Promesse Formule B in; en den 4den December ging men over tot de plegtigheid, de inleiding van de Heeren van hengel en van den brink; welke door van harencarspel, die het praesidium van wunder had overgenomen, ‘met eene gepaste rede werd bestuurd. De Secretaris het hoofdzakelijke der wetten voorgelezen en de nieuwe leden dezelve onderteekend hebbende,
werden zij door den Praeses tot Leden van het gezelschap ver»klaard, en beantwoordden als zoodanig deszelfs rede.’ Het Archief van het Genootschap Litteris Orientalibus Sacrum, waarin te vele stukken ontbreken, om het den lof van volledigheid toe te kennen, heeft beide aanspraken ten minste bewaard. Het is het oudste handschrift mij van bakkes ter hand gekomen; karakteriseeren gedachte en uitdrukking reeds hem? Ik aarzel niet: ja, te zeggen, als ik het eene antwoord met het andere vergelijke; als ik na het verdienstelijke, het vloeijende van van hengel, glad rollend, en gereedelijk elk zelfstandig naamwoord zijn bijvoegelijk gevend, waarop het aanspraak maken mag, het kernige, het korte van van den brink herleze. De eene als de andere naauwelijks tot de Academische lessen toegelaten, beide omstreeks zeventien, is de eerste vast meester van wat in die dagen stijl heette, toont de tweede oorspronkelijkheid. Onder de gulden twintig moet zij reeds aanlichten, het is waar, als zij boven deze ooit uitschitteren zal, - maar als dat eigenaardige meer in den kring des verstands, dan in dien des gevoels behoort, wordt het dan niet verrassender naar mate het zich vroeger vertoont? »Wat zal ik zeggen, Mijne »Heeren!’ zoo begint van den brink »nu ik voor het eerst mij in »een gezelschap bevinde waarvan ik weleer met veel lof had ge»hoord, maar welks lid ik niet had gedacht zoo spoedig te zullen zijn?’ Gij zoudt geglimlacht hebben over het woordeke weleer uit zoo jeugdigen mond; maar ge hadt daarom toch de voorkeur aan van hengel's onberispelijk begin niet gegeven. »Hoogst aan»genaam was het mij,’ zoo luidde het, »voor eenige dagen te »vernemen dat ik door U, Mijne Heeren! met de benoeming tot »uw medelid was vereerd geworden. En inderdaad reken ik het mij »tot eene niet geringe eer dat mij, door een zoo verdienstelijk en »lofwaardig gezelschap, nu reeds, nadat ik slechts gedurende wei»nige weken de Academische lessen mogt bijwonen, het lidmaat»schap werd aangeboden.’ Als ware hij verhandelaar dier dagen geboren, gaat hij voort: »Deze aanbieding heb ik op te hoogeren »prijs geschat, naar mate ik levendiger gevoel, dat, zonder de »vriendelijke hulp van meer gevorderde kweekelingen aan deze »Doorluchtige School de weg mijner studiën onaangenaam en on»vruchtbaar tevens wezen zou. Onder uw geleide dus, Mijne Hee»ren! de beoefening der Oostersche Letteren te mogen aanvangen
en voortzetten, was voor mij eene wenschelijke zaak, en ik heb gemeend hierom niet te mogen aarzelen, om Uwe vereerende aanbieding bereidwillig aan te nemen.’ Er is aanmatiging in dat, zelfs voor rijperen leeftijd niet te dulden, bereidwillig; maar overigens, welk woord zoudt ge weg willen wisschen? En, toch, al hort en hapert bij wijle de uitdrukking, hoeveel opregter, hoeveel vrijer ‘de toute affectation,’ hoe geheel in den stijl, ‘que parle la nature’ zijn de bekentenissen van van den brink. ‘Zelf sta ik verwonderd van eene eer ontvangen te hebben, waarnaar ik reeds lang had gewenscht, maar nimmer met grond op gehoopt. Van mijne eigene zwakheid te wel overtuigd, zie ik mij opgenomen in den schoot van eenen vriendenkring, wier bekwaamheid de mijne overtreft.’ Al is het mogelijk den schoot van eenen ‘vriendenkring’ te teekenen, toch trekt mij de voorstelling niet aan, - maar hoe weinig redenaars plagen zich met die zoovele phrases beschamende plastiek. ‘Intusschen ben ik hoogst gevoelig over de eer uwer uitnoodiging, intusschen voorspel ik mij met blijdschap de genoegens die ik hier zal kunnen smaken, en verheug mij in de gelegenheid om te vorderen in de kennis van talen, wier oudheid en schoonheid mij beminnelijk schijnen.’ van hengel zou niet verzuimd hebben dat beminnelijk door even belangwekkend als te doen voorafgaan; en er ditmaal, niet enkel ten gevolge der alliteratie, bij hebben gewonnen. ‘Maar ik mag evenwel voor U, Mijne Heeren!’ herneemt deze, volmaakt rhetorisch, na den volzin met het boven gelaakte bijwoord ‘de vrees niet verbergen, dat ik in het aannemen van uwe benoeming veel te bereidwillig geweest ben. Dezelfde gronden toch waarom die benoeming en in alle opzigten vereerend en aangenaam voor mij zijn moest, zijn voor mij zoo vele gronden tot vrees, dat ik aan uwe verwachting niet zal kunnen beantwoorden. En deze vrees drukt mij zoo zeer ter neder, dat ik bijna zou wenschen de aanbieding van het lidmaatschap, hoe vereerend en aangenaam ook, niet te hebben aangenomen.’ Herinnerde ik mij straks onbillijkerwijze Alceste's uitval tegen ‘jeux de mots?’ ‘Doch ik weet het, Mijne Heeren! ik mag op uwe toegevendheid rekenen, en ik zal dezelve gewisselijk verwerven, indien gij bemerkt dat het mij wel aan krachten maar niet aan den wil ontbreekt. En aan den wil zal het mij niet ontbreken, zoolang dezelfde zucht om in nuttige
kennis en wetenschap toe te nemen, die ik thans in mij voel werken, mij bijblijft.’ In denzelfden toestand moet dezelfde leeftijd denzelfden gedachtengang waarborgen, meent men; in de logenstraffing van dat vermoeden schuilt voor mij het uitlokkende der vergelijking. ‘Dubbel aangenaam’ betuigt van den brink, met minder vertoon van zedigheid, ‘dubbel aangenaam is mij deze gelegenheid daar ik bij mijne oefening nu niet den stroeven toon eens meesters, maar de zachte leiding van vrienden verwachte. ‘Met sommigen uwer van te voren reeds niet onbekend, verheug ik mij dat deze nieuwe band ons zamen strengelt; en anderen, mij voorheen minder bekend, ook in hunne vriendschap verheug ik mij te mogen deelen.’ Hij moge zijn woorden nog niet volkomen juist kiezen, nog niet zorgvuldig wegen, hij drukt vast denkbeelden uit; in welk eene alledaagsche wereld daarentegen verplaatst ons wie met hem in de eere der inleiding deelde. ‘Neen, Mijne Heeren!’ en met deze rede besluit van hengel son discours de réception, ‘ik durf dit veilig belooven, en zal mijne belofte niet schenden. Immermeer zal ik al mijn krachten en pogingen inspannen, om zooveel in mij is, mij uwer keuze waardig te gedragen, en alzoo voor te komen, dat die keuze u immer berouwe. Met dit voornemen bezield, en met vertrouwen op uwe toegevendheid, beveel ik mij in uw aller vriendschap aan; terwijl ik van uwe onderrigtingen, en vriendelijke teregtwijzingen, dat nut en die genoegens verwacht, welke ik mij heb voorgesteld toen ik het eene wenschelijke zaak noemde, lid te mogen zijn van dezen hooggeachten vriendenkring.’ Anders, zijne en zijner medeleden meer waardig zou ik zeggen, als ik, niet wat de gedachte, als ik alleen wat de uitdrukking, liever nog de keuze van enkele woorden te wenschen overlaat, mogt aanvullen, anders van den brink: ‘Deze wenschen dan schieten mij nog over, dat uwe kennis mijne onwetenheid vervulle, uwe vriendschap mijne beschroomdheid bemoedige, en uwe toegevendheid mijne zwakheid verzelle. Met des te meer lust zal ik mij beijveren van dit gezelschap een niet onwaardig medelid te worden.’ Ik mag niet voortvaren met dezelfde uitvoerigheid over de werkzaamheden dezer Académie en miniature te schrijven; hoezeer zij, volgens het oordeel van bevoegden, in velerlei opzigt meer vormde dan menig grootere. Er werd Hebreeuwsch Dicht en Ondicht in verklaard en ontleed; -
er werd, als de tijd het toeliet, en dit geviel wel wat schaars, er werd Arabisch beoefend; - ieder der leden sloeg op zijne beurt stellingen en scriptie-stoffen voor, die hij, werden zij aangenomen, had te verdedigen; of welke aan een der vrienden ter uitwerking werden opgedragen; ook bragt men er verhandelingen ten gehoore. ‘En dat alles voor maar zes of zeven, voor hoogstens tien jongelui?’ Waarom niet? en, toch niet! zou ik in éénen adem willen antwoorden; - waarom niet? dat getal waarborgde onder de leden verscheidenheid van inzigt genoeg om het genootschap in geene société d'admiration mutuelle te doen ontaarden; - toch niet! bij het verlaten van den kring verwierf men zich het regt honorair lid te worden benoemd, ten allen tijde stond aan deze de toegang vrij. In de dagen van van den brink vermelden de Archieven onder de laatsten eerst de Heeren w.a. dwars; - b. ter haar, de tegenwoordige Utrechtsche Hoogleeraar; - iz. stroeve; - c.a. verweijde, van wien mij, uit lateren tijd, nog de prettige beschrijving heugt, hoe genoegelijk de dagen waren door hem, als predikant bij's Konings gezantschap te Smyrna, onder dien weelderigen hemel, in het beschaafste verkeer gesleten; - j.f. kuijper; - j.h. stuffken, wiens te late benoeming als Hoogleeraar te Leiden van den brink een doorn in het vleesch was; - h.j. spijker, die der zorg voor de kerk de voorkeur gaf boven de zorg voor de gemeente; - en vervolgens al die leden des genootschaps welke hem ontvingen, welke allengs aftraden; maar er den geliefden kring niet minder om bleven bezoeken, belangrijk als deze voor hen door de behandelde onderwerpen bleef, aangetrokken als zij zich door den eenvoud en de gulheid des verkeers van harte gevoelden. Er mogt geen sprake in dat gezelschap zijn van eenigerlei wereldsche weelde; onwillekeurig spele een lach om onze lippen bij de lijst der onbeduidende, gedebatteerde boetes: voor het ter vergadering komen als het quart d'heure de grace verstreken was; voor het hollandsch spreken gedurende het dispuut; voor het breken van een pijp; driemaal zoo zwaar voor het verzuim een bijbel mede te brengen als voor het vergeten van een dopje van den goudenaar; het schouwspel dier vereeniging blijft er niet minder bekoorlijk om. Die jongelieden streefden naar een der edelste geneugten van den menschelijken geest, naar vermeerdering van kennis; zij het ook maar met een practisch doel, - zij het ook, in den toenmaligen geest, Pa-
lestina voor het Oosten nemende. In de dagen van van den brink, zeide ik; en de notulen zijn daar ten bewijze hoe zeer ik tot die uitdrukking geregtigd ben; hoe getuigen zij van een wassenden invloed, die ten leste voor allen in prikkel verkeerde! Onzeker mogen zij ons laten of hij het was die reeds den 29sten Jan. 1827 den doorslag gaf aan de verkiezing van zijn vriend j. ter meulen hzn.; eene vergeefsche benoeming, daar de Heer b. ter haar den secretaris berigtte, dat ‘de verkozene door gewigtige redenen verhinderd werd het lidmaatschap te aanvaarden;’ - in October deszelfden jaars vermelden zij uitdrukkelijk dat van den brink de candidaten h.j. de haan hugenholtz, js. wildschut en g. oyens voorsloeg. bakkes, ditmaal hebbe de studentenwereld haren eisch, bakkes had naauwelijks met den eerste de kennis aangeknoopt die voor dat tijdvak tot de vertrouwelijkste vriendschap leiden zou, of hij rustte niet eer hij haan naast zich zag. Het was van den brink die zoo wel dozen als wildschut, - oyens bedankte, - den vriendenkring naar deftigen trant binnenleidde; maar zijne aanspraak ontbreekt. Hij is niet de eenige schuldige van dien aard. c.j. wolterbeek, die weldra de theologie zou vaarwel zeggen om zich der medicijnen te wijden, onthield ons evenzeer, blijkens de woordekens ‘niet ingekomen,’ de proeve van welsprekendheid waarmede hij den 26 November, altijd nog 1827, c. boon in L.O.S. welkom heette. ‘Het verontschuldigt bakkes niet;’ en ik zal de laatste zijn het te beweeren, recidivist als ik bekennen moet, dat hij in den aanvang des volgenden jaars werd, bij de receptie van c.d. viehoff. Zoo wel toch zijne aanspraak, als het antwoord van dezen faalt den Archieven - maar wat wij er tot ons genoegen in aantreffen, dat zijn de bewijzen hoe bakkes en haan gedurende 1828 en 1829 voor het genootschap werkten. Tal van theses getuigen het nog minder dan de voorslagen van den een en den ander, blijkbaar zamen vooraf beraamd, tot wijziging enkeler wetten, opdat de studie meer vrucht dragen mogt. De opstellen, waarvan wij in den brief uit Diever hoorden, zijn verloren gegaan; de notulen in het derde jaar van zijn lidmaatschap door van den brink gehouden, getuigen niet van de netheid welke zijn handschrift later onderscheidde, eene keurigheid die aan ludolf bakhuijzen de oude herinnerde; - maar uit de doeltreffender wijze van studeeren welke hij aanbeveelt, maar
uit de wetten die hij voorslaat spreekt de ordenende geest, die het veelzijdige hand aan hand zou doen gaan met het volledige, - die later bestemd bleek zoo velen den weg te wijzen om de mijnen van ons Rijks-Archief te ontginnen. Er zou in deze bladen geen beschikbare ruimte ter mededeeling zijn, al leverden de cahiers des Genootschaps ons meer dan de lijst van onderwerp bij onderwerp in dien kring behandeld; had ik de loutere vermelding des feits moeten achterwege laten, schoon ik haar de gelegenheid dank wijt allengs de vrienden uit dat tijdvak te doen optreden? Den 3den November 1828 ontving c. boon, met eene ‘Verhandeling over de kunsten in welke de Hebreën hebben uitgemunt,’ een tweetal nieuwe leden, welke zich beide in de opgaande zonne huns levens verlustigden; die, helaas! geene middaghoogte van deze zouden zien. Tot den eenen als tot den anderen voelde van den brink zich aangetrokken; de mate waarin mogt verschillen naar die der begaafdheden welke aan dezen als aan genen bleken te zijn bedeeld; hun beider vroeg verscheiden trof hem diep. De haan hugenholtz heeft met zeldzame piëteit de woorden bewaard, door bakkes bij de groeve van den eerste gesproken; het publiek kent lang reeds het beeld door van den brink van den tweede in de Voorrede van den door dezen nagelaten letterarbeid geschetst. Het waren j.d. snethlage knoops - die vroeger reeds verkozen was, die eerst bij deze tweede benoeming toetrad, - en aernout drost, de ruim achttienjarige, op wien boven vier tijdgenooten de keuze was gevallen. Het antwoord van ieder dezer leden op de tot hen gerigte maar niet bewaarde toespraak is karakteristiek. Om strijd verklaren zij zich in de studie der Oostersche Talen nog te weinig gevorderd; doch daarin is de rede van knoops verscheiden van die van drost dat de eene zich vermeidt in eene schets van de geneugten der vriendschap hem in dien kring verbeidende; ‘die kostbare gift des hemels bloeije trouw steeds in ons midden; zij scheppe ook bij verschillende geaardheid hartelijke harmonie!’ - terwijl de ander belooft ‘de spreuk van severus, het bekende Laboremus, tot de zijne te zullen maken,’ om eenigzins hunne keuze te wettigen, hunne talenten te evenaren, hunne vriendschap waard te worden. Aernout drost spreekt zoowel uit die letterkundige aanhaling, als uit dat niet onoverdacht gegeven woord. Of hij het in vollen nadruk hield? Het zou luttel
baten of ik er uit theses en scriptie-stoffen een bewijs voor trachtte bij te brengen; het was de verdediging, het was de bewerking die er waarde aan gaf; de aanhalingen vermelden slechts dat zij plaats grepen, dat ze werden ingeleverd. En daarom spoede ik mij tot het merkwaardigste wat de notulen van dat jaar opleveren: het uitleiden van r.c. bakhuizen van den brink, c. boon en c.d. viehoff, door a. drost, den 22sten Junij 1829. Hij had, als redenaar bij die plegtigheid, een ‘Beknopt Geschied- en Oordeelkundig Overzigt der Beoefening van de Oostersche Letterkunde in ons Vaderland’ voorgedragen; bakkes kritiseerde dien titel in de notulen, dien inkrimpende. Hoe ben ik er zeker van dat hij, ware het hem vergund geweest, dit ook de toespraak zelve zou hebben gedaan. L.o.s. had boven onze tegenwoordige Academie, had boven ons vroeger Instituut voor, dat het in dergelijke toespraken onderscheiden, waardeeren, toespelen leerde; - het eischte slag van teekenen, als het bijvoegelijk naamwoord den aangesprokene niet slechts passen, als het dezen kenschetsen zou, - om naar verdienste te worden gehuldigd moest de uitstekendste gave zijn opgemerkt, - alleen als het oog den toestand geheel omvatte was der hand het slagen van den greep gewaarborgd. Het bewaard gebleven handschrift van drost getuigt hoe veel deze in dien tijd nog had af te leeren; terwijl van den brink, volgens het voor mij liggend antwoord, louter maar aan te leeren had. Eene proeve ten bewijze. Als de redenaar de diplomata van het honorair lidmaatschap heeft uitgereikt; als hij de scheidenden heeft verzocht het genootschap voortdurend blijken hunner belangstelling te geven, door aan de vergaderingen deel te blijven nemen, dan gaat hij van het algemeene tot het bijzondere over: de toets van zijn talent. ‘In geenen deele twijfelen wij of deze bede, door de vriendschap onderschraagde, zal bij ulieden gereedelijk ingang vinden; en het is dien ten gevolge ons een streelend genoegen dat gij, rijk begaafde van den brink! en niet minder verdienstelijke viehoff! in uwe betrekkingen tot onze Doorluchte school en het Luthersch Seminarium, te dezer stede gevestigd, op die wijze nog steeds in de nabijheid van ons genootschap zult blijven, en zoo ruimschoots in de mogelijkheid zijn aan deze vriendschapsbede te voldoen.’ Drie, vier jaren later zou de steller dier regelen de eerste zijn geweest ze streng af te keuren; zou hij gelagchen hebben om
die wijze van huldebrenging , waarbij viehoff op het sleeptouw van van den brink wordt genomen, zooals een jong Duitsch officier uit den bevrijdingsoorlog het in Holland der gehuwde, oudere zuster van een mooi meisje deed, het laatste verzekerende: ‘Sie haben solche liebe Augen;’ er tot de eerste fluks bijvoegend: ‘Und Sie auch, Madam!’ Drie, vier jaren later, zeide ik: er zullen weldra veertig sedert dien tijd zijn voorbijgegaan, en nog is het leelijke ruimschoots niet enkel aan minnemoêrs voorbehouden! Op de berisping zou ik gaarne de erkenning doen volgen; maar het woord tot den derden vriend wint het van de afscheidsbede aan de beide eersten niet. ‘Hiertoe zult gij, zeer uitmuntende boon! wel is waar minder in gelegenheid zijn, daar gij verre van deze stad, voornemens zijt, met onveranderde vlijt uwe godgeleerde studiën voort te zetten; maar wij bevelen ons en onzen letterkundigen vriendenkring niet minder in uw duurzaam aandenken, wanneer gij aan Groningen's Hoogeschool verbonden zult zijn. De afstand die ons scheiden zal, strekke dan slechts om den vriendschapsband tusschen ons naauwer en inniger aan te sluiten.’ ‘A l'impossible nul n'est tenu,’ komt ons op de lippen, wanneer de leenspreuk, zooals hier, iets onmogelijks eischt! Geen stijl zonder studie, en ook geen smaak zonder deze; gelukkig intusschen wie dus door de natuur gevormd werd, dat tegen zijne gedachten zelve niets valt in te brengen wat ook de uitdrukking te wenschen overlate; dat zijn woord voor alles waar blijkt: hem viel de hoogste aller eigenaardigheden ten deel; het sierlijke, het verrassende, het meêslepende, de kunst komt wel later. Het begin van van den brink's antwoord luidt leelijk, maar het denkbeeld zelf kan de proef doorstaan. ‘Heeft iedere scheiding m.h.! iets plegtigs en aandoenlijks, niet den minsten invloed zal eene scheiding op onzen leeftijd en ook dit gezelschap op ons hart uitwerken. Niemand toch wien de jeugd zoo loszinnig maakt, dat hij niet nu en dan over zijn lot nadenkt, en dat nadenken maakt hem te midden der vreugde afgetrokken; niemand zoo onopmerkzaam of hij bedenkt hoe veranderlijk ons lot is, on die gedachte doet hem huiveren. Brengt u te binnen, m.h.! dat deze scheiding ons het voorspel schijnt van zoovele verwisselingen die ons nog wachten. Voegt daarbij den hoogen prijs welke ieder jeugdig hart op vriendschap stelt, ik zou bijna zeggen, het eenige waarin het stand-
vastig is: het nuttige en aangename van dezen kring, en herinnert u met ons de vervlogene genoegens.’ Al heeft de toon iets wijsgeerigs den leeftijd vooruit, ik mag de geheele bladzijde niet afschrijven, de eenvoudige inleiding voert tot de natuurlijke vraag, of hij ‘uit de tooverwolk tredende waarin al die herinneringen, al die vooruitzigten, al die denkbeelden hem verplaatsten,’ inziet wat hij had kunnen leeren en wat hij geleerd heeft? Hij zou het kunnen opsommen als het antwoord zich niet vooruit liet raden; hij had meer kunnen weten, dan hij wist, - meer kunnen zijn dan hij was, - hij had in l.o.s. meer kunnen doen dan hij deed. ‘Waarom verlaat ik het dan? Omdat verandering het leven van den mensen is - omdat ons lot ons dwingt verder te reizen eer wij gereed zijn. Omdat te dikwijls bezigheden ons overkroppen waarvoor genietingen, genietingen zelfs die nuttig zijn, moeten achterstaan.’ Al schikt hij er zich in, toch begint hij een nieuwen zin; de berusting eischte eene pauze. ‘Doch schoon ik dezen kring vaarwel zeg, is niet alles verloren. Het nut dat ik hier getrokken heb, blijft het mijne; en vooral zij, die het voorbijgegane sleed een vrolijker kleur geeft, de herinnering volgt mij. De bloemen die wetenschap en vriendschap hier strooiden heeft zij geraapt en draagt ze mede waar ik gaan moge. Deze bloemen heb ik ulieden te danken; zij blijven het pand dat gij, en deze kring, altoos het voorwerp mijner hoogachting en dankbaarheid zullen zijn. Ik kan niet denken dat ook ik tot die bloemen heb bijgedragen; dat er veel is hetwelk u de herinnering aan mij noodzakelijk maakt. Echter bid ik u, houdt het er voor als ware ik voor dezen kring geweest wat ik had moeten zijn. Ik vraag dit met te meer regt: de kring, waarin wij allen leden waren, de geheimen die wij elkander betrouwden, de genoegens, waarin wij deelden, zijn zoo vele voorspraken voor mijnen eisch. Denkt aan mij, weest mijne vrienden. Ik zal aan u denken, en ulieder vriend zijn.’ In later leeftijd, verbeelde ik mij, zou hij hier punctum gezegd hebben; maar er waren nog wenschen voor den bloei van l.o.s. uit te brengen, wenschen door het voortdurend bestaan des genootschaps volkomen vervuld. Geloove men mij op mijn woord dat tot in dit toe hetzelfde streven naar het eenvoudige uitkomt, 't welk ik in het medegedeelde waardeere; een zin voor het klassieke, die de bijdragen der overige leden minder onderscheidt. Het
gaat kwalijk dit door verdere aanhalingen te staven, al vrage ik voor de gewaagde niet om verschooning; zij werden evenzeer ter verklaring van den stijl des tijds, als ter verklaring zijner volgende letterkundige rigting vereischt.
Een oordeel over de meerdere of mindere begaafdheid der jongelieden in het Latijnspreken en Latijnschrijven, dat ik gaarne van bevoegden zou hebben verzocht, valt niet bij te brengen: daar het gezelschap, al ware de tijd der stenographen toen reeds aangelicht, er niet zou hebben nagehouden voor zijne disputen; daar geene proeven zijner behandeling van scriptiestoffen bewaard bleven. Het gemis valt dubbel te betreuren. Welk een aardig kijkje zouden die bescheiden den kenner hebben gegund, op de keuze der verschillende geesten uit de modellen onder de Ouden hen aanbevolen, door den meester dien zij om't zeerst lief hadden: David jacob van lennep. Hoe zouden die handschriften de verzekering der overgeblevenen hebben bevestigd, dat onder hen allen niemand zoo zeer als van ben brink van de lessen des genialen mans partij trok, niemand zoo zeer in zijnen geest werkte. Veler heugenis verlustigt zich nog in eene bijzonderheid, die, daarover is men eenstemmig, op het eerste het zegel zet; maar wat het tweede aangaat, meenen enkelen, voor twijfel ruimte overlaat. Hier worde zij geboekt, met eene poging tot oplossing dier vraag. Het viel, dat loochent niemand, het viel der volkomenheid met welke die Professor Latijn sprak, toe te schrijven, dat zijn ijverige leerling, deze gave bewonderende, geen vrede hebben kon met de achteloosheid aan welke een der ambtgenooten des meesters zich toen jegens dezelfde taal schuldig maakte; - maar zou de eerste er mede gevleid zijn geweest, zoo men het zijnen invloed had toegeschreven, dat bakkes zijne ergernis daarover lucht gaf, iederen volgenden dag onverbiddelijk de tekortkomingen van den vorigen bezoekende? Quant à la forme? - non! Hoe vaar je? zoo als de studenten den overbeleefden man noemden, die ons door zijnen zoon geschetst wordt, zijne ‘aangeborene beschroomdheid achter het deftige van ‘zijn voorkomen verbergende,’ hoevaarje? zou in het openbaar zijn best hebben gedaan er straf om te zien. Pour le fond? - peut-étre! de levendige oogen des klassieks hadden, trots het stemmige gezigt, er schalk bij getinteld; hem waren zijne oude auteurs niet slechts lief of ze tot zijne vrienden hadden behoord:
wie zich aan hun genie vergreep, hij mogt worden gekastijd. En het vonnis was nooit ongemotiveerd; twee spelden, zoo luidt de lezing welke mij de juiste schijnt, twee spelden waren voldoende om telken morgen aan den catheder een strookje papiers vast te hechten, waarop de uitdrukkingen stonden vermeld, bij welke cicero zich gister in zijn graf zou hebben omgekeerd. Ter eere van den berispte zij getuigd, dat de wenk het gelukkigst gevolg had, daar deze zijne woorden juister leerde kiezen, daar hij zijner volzinnen allengs het gewenschte antieke waas te geven wist; ter verontschuldiging des berispers, als iemand die vereischt acht, dat ook hier de uitspraak van wordsworth werd bevestigd: ‘the child is father of the man.’ Of mogt de verwaten kritiek van 1828 niet het voorspel heeten der bevoegde kritiek van 1861? Onder de snippers, van welke ik straks gewaagde, schuilt eene aanteekening van het laatstgenoemde jaar: ‘de Leeraar oefent de leerlingen in het Latijn spreken. Goed op zich zelf; maar volkomen overbodig, zoo lang de Leermeester zelf niet het voorbeeld geeft van vlug en zuiver Latijn spreken.’ Vroeg en laat dezelfde ernst waar het de wetenschap gold; voor haar denzelfden moed, de eenige misschien op welks betoon hij waarlijk prijs stelde!
Er is veel geklaagd over het dwangzieke, het tijdroovende, het vervliegende der voorbereidende studie van de talen en toestanden der Ouden; overschat misschien hij, dien het nimmer werd vergund uit de oorspronkelijke flesch te drinken, het genot aan die teugen verknocht, - den omvangrijker blik op het verledene dien het bedeelt, - de dubbele verrassing, tegenstelling en overeenkomst op te merken, waartoe het gelegenheid geeft? - Verre van daar, gelooft hij. Sedert de dag aanbrak, waarop beide overdrevene bewonderingszucht en bespottelijke aanmatiging door den grooten zedenmeester der lachlust des publieks werden prijs gegeven, in het onverbeterlijk: ‘avec du Grec on ne peut gâter rien;’ - sedert de tijd verstreek in welken ten onzent ook de onbeduidendste magistraat ‘'t groote Rome nabootste, maar, in 't kleen;’ - sedert door het dieper dringen in den geest van Latijnsche en Grieksche Letterkunde de laatste, nog meer dan de eerste, verkeerde in Muze van smaak en stijl, heeft niemand van den plak der pedanterie langer last, oefenen daarentegen de groote, de oorspronkelijke genieën des verledens hunnen invloed ontwikkelend en weldadig
uit. Wat bewijst het tegen dezen zoo enkelen onder de kweekelingen van deze of gene bijzondere wetenschap zich de moeite der kennismaking slechts met weerzin getroosten? zoo zij van den onvertrouwelijken omgang voor het volgend leven naauwelijks iets met zich dragen? zoo het weinige dat zij hebben geleerd bij hen geene heugenis achterlaat? Het getuigt alleen dat die leerlingen geen oog hadden voor de modellen hunnen blikken prijs gegeven; dat zij beter zouden hebben gedaan nooit schilder, ik wil zeggen, nooit student te worden. Gelukkig intusschen zijn de misdeelden schaars - in geen noemenswaardige verhouding tot degenen die zich, louter door de schoonheid der beide ondergegane werelden, aangetrokken gevoelen - die er door winnen aan helderheid van oordeel en vatbaarheid voor aesthetisch genot, - die zich beklagen zouden in den eigenlijken zin niet te hebben geleefd als zij deze vorming hadden gemist. - Naar de weinigen die zich, van geslacht tot geslacht, door bijzonderen aanleg onderscheiden, behoef ik niet te verwijzen; zweven zij niet veiliger de hoogte in, van deze baan naar gene, telkens door bekende sterren voorgelicht? - De geschiedenis der letteren is die van den menschelijken geest, in beide zijne heldere en zijne donkere dagen; slechts zij geeft antwoord op de dubbele vraag van het waardoor en het waartoe der middeleeuwen; het goede noch het kwade van deze blijft een raadsel voor hem dien hare toortse door de duisternisse leidt, dien zij het weer licht worden der kimmen gaslaan doet. Als even zoovele planten door het morgenrood gewekt, ontwikkelen zich in tongval bij tongval de kiemen der nieuwere talen; naar het beginsel der natuurkeuze, zoudt ge zeggen, overwint het Italiaansch door dante. Intusschen echter blijkt ook het laauwe Westen, ook het kille Noorden ontwaakt. Vergeefs tracht de kerk, waar ook zij hare altaren oprigt, aan het wegkwijnend Latijn een verjongd leven te waarborgen; de nationaliteiten doen zich gelden. Door de wouden van Germanië ruischt het Nibelugenlied zijne schrik inboezemende klagte; terwijl chaucer's Canterbury - Tales de lange winteravonden in de hallen van Albion's Edelen doen omvliegen, onder scherts en jok. Ik keer tot mijne vroegere beeldspraak, tot het landschap weder: welk eene verscheidenheid van hoven biedt weldra het nieuwe Europa aan! En echter, hoe levert elk van deze om het zeerst de blijken dat zijne voortreffelijkste gewassen slechts loten zijn op den
verstorven gewaanden tronk der Ouden geënt. Welk een eigenaardig genot, door de wedergeboorte der zelfde bloem, - derzelfde gedachte, - onder geheel anderen hemel te worden verrast! - de wijzigingen in vorm en verwen op te merken, aan de eeuwen lange sluimering toe te schrijven! Welk eene weelde naast deze nieuwe planten te aanschouwen, door nieuwe behoeften gekweekt, nieuw leven verkondigende! Zusteren in den zoetsten zin des woords, spiegelt ieder dezer ontluikende letterkundes, bij wat aan alle gemeen is, tevens datgene af wat elk van haar onderscheidt: eene onuitputtelijke bron van vergelijkingen; eene overeenstemming, alleen volkomen gesmaakt door hem die oog en oor heeft voor de oneindige verscheidenheid! - Gelukkig dat geen zijner lezers den steller dezer regelen onder het schrijven over den schouder gluurt, bij het doorsnuffelen van een onoogelijk notulen-boekske, haast zeventig jaar geleden gehouden. Schertsend mogt de eerste de beste die het deed hem vragen of ze zijner veder ontvloeiden; ‘à propos de ce griffonnage?’ En toch zou de ondeugd zijne zege niet lang genieten. ‘Petit poisson deviendra grand, Pourvu que Dieu lui prête vie,’ ware het gepaste wederwoord; en leven, ontwikkeling, bloei, zij werden aan het Westersch-Literarisch Genootschap Ingenium Acuunt Artes, Amicitiam Alunt bijna eene halve eeuw lang verleend. Iets kleingeestigs moge de eerste vergaderingen (1802) hebben gekenschetst, als men, ‘met door het plan bepaalde solemniteit zitting nam;’ of besloot ‘zonder de minste oogluiking, strikte orde te doen plaats grijpen;’ het doel: onderling oude schrijvers te lezen en te verklaren, was er niet minder loffelijk om. Al waren deze in den aanvang, in den geest des tijds, slechts Latijnsche, cicero en virgilius zouden binnen weinige jaren wel tot demosthenes en homerus brengen. Er mogt te veel gewigt worden gehecht aan de beantwoording der vraag in welk metaal het cachet des genootschaps zou worden gesneden: ‘een lid had iemand bij zich aan huis gehad, die aannam het in staal te snijden voor dertig gulden, en in koper voor elf;’ zoo goed als men, de tering naar de nering zettende, eerst tot het laatste en vervolgens tot het eerste besloot, werd de stijl der notulen allengs waardiger en de taal meer zuiver. Elk der leden was verpligt eene reeks van theses aan te bieden, welke wetenschap, welke kunst hem de liefste mogt zijn betreffende; maar ook verpligt die
tegen de overigen te handhaven, dit te doen in het Latijn: hoe het vernuft er van twee zijden te gelijk door werd gewet, ten eerste in het meester worden der oude taal, die zoo groote moeijelijkheden aanbood ter uitdrukking van nieuwe gedachten, - ten andere in de verdediging van wat vaak, bij den zwaksten aanval te weinig overdacht bleek, om met goed gevolg te worden volgehouden. Wetgevers aan wie niet alleen de zienersblik faalde om zich voor te stellen welke verhoudingen door het gezellig verkeer zouden ontstaan, voor wie zelfs het tegenwoordige niet helder bloot lag, mogten de voorstellen tot wijziging aan het licht brengen hoe onvolkomen het eerste schema wierd ontworpen; toch leerde allengs de behoefte regelen, ‘tot de strook wit papiers toe, open te laten op de scriptie voor de aanteekeningen des beoordeelaars;’ terwijl de leden vorderingen maakten in het voordragen van dezen of genen nieuweren schrijver ‘den tijd van een half uur, één quartier in Prosa, het andere in Poësy,’ Eenvoud van voor zeventig jaren; zou ik willen uitroepen, bij de belangrijke besluiten, dat ieder lid jaarlijks een daalder zal bijdragen ten behoeve der dienstboden, gewoon als men was beurtelings aan elk huis zaam te komen; of dat het batig saldo der kas, aan het einde der genootschappelijke twaalf maanden, niet beter te besteden viel dan door het aan te wenden om de verjaring van den dag der stichting feestelijk te vieren; indien wij, na drievierde van eene eeuw, niet nog als dat voorgeslacht menige discussie sloten, met ‘bij monde van den president de rapporteurs te bedanken voor de genomen moeite, en de zaak in status quo te laten.’ Het was bij hen ten minste niet altijd het sein eene vergeefsche bijeenkomst te doen eindigen; als dergelijke kleinigheden waren geregeld, kwam de beurt aan de verhandelingen, maar met de wijze bepaling dat deze niet langer dan een uur mogten duren. Vreemd moge ons, van 1802-1804, de keuze der stoffe schijnen; nu eens ‘de Tevredenheid’ - waartoe men zoo weinig aanleiding had, - - dan weder: ‘hoe een jongeling zijne hartstogten kan matigen’ - weergalm van feith's schriften en bellamy's dichten; - eindelijk over: de Mensch en zijne hartstogten hem door de Natuur tot nuttige einden gegeven,’ - al had de landgenoot dier dagen van hartstogten weinig last; - er werd met iets hartverheffends besloten: het waren helmers en loots wier zangen het vuur der vaderlandsliefde deden
voortgloeijen, al was van bilderdijk nog geen sprake. Zoo veel over een genootschap dat, eer het drie lustrums had gebloeid, h.a. hamaker, c.j. c, reuvens en j. bosscha zich leerde ontwikkelen; dat f.a. van hall en j.r. thorbecke als zijne leden mogt begroeten. Ofschoon de leeftijd waarin het de laatsten dien kring zag binnentreden niet langer de zorgelooze: ‘Gay hope is theirs, by fancy fed,’ mogt heeten, geen van beide had nog ervaren, dat zij dikwerf, helaas! ‘Less pleasing when possest,’ blijkt; - het leven lachte hen zoo veelbeloovend toe, het zoo velerlei belang inboezemend leven, dank zij de verscheidenheid welke de letteren leerden waardeeren en genieten! ‘Wild wit, invention ever-new, And lively cheer of vigour born,’ zouden zij die ooit weder smaken, zoo als zij het thans telken avond deden, wanneer na den afloop der werkzaamheden het glas zoo vrolijk werd geledigd, de eerste liefde zoo gemoedelijk bekend? en zij tot zooveel joks aanleiding gaf? Het Archief is bewijs bij bewijs rijk, dat het geen vlijtiger leden had dan de beide laatstgenoemde, sedert zoo hoog gestegene mannen; die ik, om den wille van gray's vers On a distant prospect of Eton College wenschte dat tijdgenooten waren geweest. Van hall had het genootschap reeds lang verlaten eer thorbecke het intrad: - maar wat betreur ik het dat wij er de gelegenheid door derven, beiden tegenover elkander te plaatsen, van beiden te getuigen: ‘Ambition these shall tempt to rise?’ Al hadden zij op dat tooneel van studie gewedijverd zoo als zij het later op dat van staat deden, noch deze noch gene kon voorzien hoe onze instellingen spoedig dus zouden worden gewijzigd, dat zij beurtelings, naar den onderscheiden min of meer verheven gemoedsaard, ter prooi zouden zijn aan: ‘Jealousy, with rankling tooth, That inly gnaws the secret heart, And Envy wan, and faded Care;’ - helaas! maar een drietal der vele sombere ‘ministers of human fate,’ ons geschilderd in het lied dat zoo te regt besluit met: ‘To each his suff'rings!’ - Ik mag bij deze boekskens niet langer verwijlen, welk een belang zij mij ook om het eerste ontwikkelingstijdperk van onzen grooten staatsman inboezemen; législateur en herbe vindt elk zijner voorslagen op eene andere wijze te werken algemeene toestemming; blijken deze, in wetten verkeerd, de gewenschte vruchten te dragen. Eene enkele opmerking hoe de keuze der dichters voor de declamatie met ieder
jaar ruimer wordt: hoe vondel's Palamedes zich gelden doet; hoe de tooneelpoezy der echtgenooten van winter toehoorders wint; hoe tollens en spandaw zich aan helmers en loots sluiten; - en ik sla de notulen die het Jaar Twintig voorafgaan digt, - wel verre er van dat iemand die ze na mij zou inzien, daarom slechts zou behoeven te sprokkelen. Integendeel, buiten wat ik onaangeroerd liggen liet, zullen, vooral op het gebied der oude letterkunde, struiken en heesters en geboomte om hem tieren en knoppen en uitbotten; een woud waarin ik bevoegden verzoeken zou den lezer rond te leiden, als mijn onderwerp het onvermijdelijk eischte. Hij derft er, ik loochen het niet, onder de velerlei grepen waartoe de stofte uitlokken zou, ook dien door waaraan onze tijd nog behoefte heeft: het bewijs dat noch uit de beide uitheemsche dichters in die jaren door de jongelui beoefend, - voltaire's treurspelen en gellert's fabelen, - noch uit de lezing van mr. willem bilderdijk's Buitenleven, zoozeer als uit de studie van Prof. van lennep's Herder op het slagveld van Cannae te leeren viel wat navolging der Ouden heeten mag. Of iemand er ons mede verrassen mogt! zou ik wenschende voort willen gaan; - en zie mij echter verpligt klagende te hervatten: het notulen-boekske van 1818/1819 ontbreekt aan de verzameling. Wat mag het zijn dat mij dit zoo bijzonder betreuren doet? Het was het jaar waarin een jongeling, die in vollen zin des woords gezegd roogt worden zestien zomers te tellen, zoo vrolijk was zijn gemoed, zoo vurig zijn geest, lid werd van dezen kring; een vernuft bestemd eene halve eeuw lang den veelzijdigsten invloed op onze letteren uit te oefenen. Het vers, waarmede ‘de toenmalige Voorzitter, de Heer h.c. van hall,’ hem inleidde; de weinige woorden waarmede de nieuweling, na ‘het bekrachtigen der wetten door zijne handteekening’ voor de eer der benoeming dank zegde, ze zijn bewaard gebleven. Het gedicht, de Vriendschap, schier van geene studie reppende, getuigt hoe vertrouwelijk het verkeer in dien kring werd gewenscht; de dertig regelen schrifts van den verkozene bewijzen zijne beminnelijke zedigheid: - maar het is de wijze op welke hij werd benoemd, al lijdt het geen twijfel dat dit bij een inborst die slechts vrienden verdiende te hebben met algemeene stemmen geschiedde, die ons belangstelling inboezemt; maar het is zijn eerste werk dat wij wenschten te zien. Het verslag der bijeenkomsten van het vol-
gend jaar stelt ons ten deele schadeloos; het is van zijne bekende hand; gedurende dien cursus werden bion en moschus bestudeerd; - wie twijfelt er aan dat dit ten gevolge van zijne keuze geschiedde? Op een ander veld, op dat der declamatie blijkt deze nog duidelijker, hij beveelt vondel's treurspelen, hij beveelt, den Lucifer bovenal aan. En toch heeft hij zin genoeg voor de verschijnselen van den dag, om beurtelings de Mnemosijne en de Euterpe meê te brengen, en uit deze stukken voor te dragen; schuchter geeft hij eene vertaling van pope ten beste; waar is het handschrift gebleven, waar? Niet bevredigender mag het antwoord luiden, als de vraag de notulen van 1820\21 geldt; zij ontbreken, even als zijne scriptiones, even als zijne explicatiën; zou de schalk de snuffelaars onder het nageslacht hebben voorzien? Het booze vermoeden wordt bijna zekerheid, als ook de verhandeling faalt in de Aanteekeningen over 1821/22 vermeld, voorgedragen don 30sten November van het eerstgemelde jaar, onder het praesidium van zijn vriend, de Heer p.n. arntzenius. Het opstel was getiteld: Redenen waarom ik niet verhandelen kan, ‘zijnde een zamenspraak,’ - getuigt de secretaris, - ‘met des schrijvers genius, waarin de eerste duidelijk zijne gaven aan den dag legt, om niet alleen in de verschillende metrische vormen, maar ook in allerlei poëzy uit te munten; in het schilderen van natuurtooneelen als in het weêrgeven van hartstogten, geen stoffe waarvoor het hem aan vergelijkingen ontbreekt.’ Den stijl des onbekenden verslaggevers moge ik een handje hebben geholpen, zijne meening gaf ik getrouw weder. Wie zou er zich niet in hebben verlustigd die eerste proeven van een ontluikend talent gade te slaan? wie niet gaarne het evenzeer verloren of teruggenomen gedicht hebben ge hoord, waarmeê die jongeling, den 19den April 1822, zijnen bentgenooten ‘een poëtisch vaarwel’ toeriep? Intusschen wat ontbreken moge, niet de blijken eens levenswekkenden adems door hem over het veld der inheemsche letteren uitgegaan. Al is de Eenzaamheid en de Wereld van feith nog en vogue, - al wordt focquenbroch weêr opgerakeld, - pruimers, de te vroeg verscheiden pruimers trekt de aandacht; - de declamatoren kiezen om strijd van haren's Geuzen, - bilderdijk's Ondergang der Eerste Wereld, - de Poëzy van da costa. Wat na vast vijftig jaren overbleef van zijn werken in dien kring, als effectief of
als honorair lid, het is den roep eener jovialiteit als ten onzent tot de zeldzaamste gaven behoort, het is het hem toegekende talent de l'à propos, dat geen wedergade had. Wie die als hij, zoodra de hamer des sprekers gevallen was, den gezelligen disch kruidde door beide boert en scherts? - volbloed Hollander in het eerste opzigt, trots den aanzienlijken kring waartoe hij behoorde; - bijna Franschman door den gezelligen omgang met eene begaafde, uitheemsche vrouw in het ouderlijk huis! Hoe zij hem als knaap blaken deed voor de letteren harer keuze, welke toen ten onzent in die der overige naburen nog geene gevaarlijke mededingsters vonden. Wie die er als hij naar streefde van den geest der Ouden, hem meer bij erfenis dan door inspanning bedeeld, voor onze litteratuur partij te trekken? wie die meer dan hij de in die dagen het Vaste Land veroverende Britsche toejuichte? I. a.a.a.a. mogt boven de overige studentengenootschappen des tijds beroemd en benijd zijn om den fijnen wijn in de glazen zijner leden vonkelend; het had, in vergelijking met de zusterlijke vereenigingen, iets edelers voor, als het de eerstelingen dier studentendichtjes hoorde, in welke zich geheel het gemoed, geheel den geest van den zanger afspiegelde; die alles beloofden wat zijn lang leven geven zou! Stoute verheffing was er even vreemd aan als diepe karakterstudie; de wereld, welke zij schilderden, bragt de eerste misschien even schaars mede, als aanleg voor de laatste het speelziek vernuft eigen was dat ze zong. Oog voor het uitwendige van dien toestand bleek den dichter intusschen in genoegzame mate bedeeld, om hem to verlokken bijwijle eene dramatiseering te beproeven. De dictie liet in juistheid als in kortheid te wenschen over; doch er was vooruitgang als ge die met den toon en den trant van het gros der zangers vergeleekt, die hem vooraf waren gegaan. Soms mogt de tegenstelling ophouden te boeijen daar zij te geregeld werd herhaald; de levenslust die u uit stukje bij stukje toetintelde, dierf er hare aantrekkelijkheid toch niet door. Een weêrgalm der Ouden, een weêrgalm der Nieuweren, er van tijd tot tijd uit gehoord, deed de onverbiddelijke geheugens van enkele toeluisteraars niet altijd genoegelijk aan: het was eene worsteling in welke ovidius en horatius overwinnaars bleven, - voor eene hulde wordt de bewondering der liefde vereischt! - rabelais was komischer, béranger keuriger, byron krachtiger; echter getuigden
die navolgingen om strijd dat grooter gezigteinder dan de alledaagsche zich voor den jongeling had ontsloten; dat hij het oor naar alle hemelstreken te luisteren had gelegd. Er was één stukje onder de twaalve, de wedijverende lof van het schoone der verscheiden gewesten onzes vaderlands, dat ook den strengsten criticus meêsleepte; oorspronkelijk van gedachte betooverde het door de natuurlijkheid van uitdrukking. Hoe fraai! hoe frisch! Het betooverde, zeg ik; want de dichter droeg dit als de overige zelf voor, met al de schaarsche heerschappij over zijne toen zoo welluidende stem; hij deed dit niet van het papier, maar uit het hoofd; on jouissait de ces vers en cachette. ‘Zoolang ik nog geen gevestigden stand in de maatschappij bezat, had ik, den vaderlijken raad hierin huldigende, nimmer als schrijver voor het publiek willen optreden, en dus was er ook nimmer een mijner papierenkinderen door den druk algemeen gemaakt;’ het is Mr. jakob van lennep zelf, die het ons, in de Voorrede van zijn bundel Gedichten, April 1827, mededeelt; - maar daarom mogten die vrolijke vogeltjes, de Academische Idyllen, - naar welke ik niet te lang luisterde, hoop ik, - toch wel eens uit de kooi vliegen, waar hij zeker kon zijn dat ze bleven binnen zijn bereik. Hij had zich te Leiden, in 1825, de doctorale waardigheid verworven, - toen het volgende jaar zijnen naam op de rolle der pleitbezorgers zag geschreven liet hij zijne eerstelingen het licht zien. Het is hier de plaats niet, meer dan ter loops, te gewagen van een verschijnsel dat de kritiek dier dagen zoo eigenaardig kenschetste: den vrede dien zij had met de inderdaad weinig opmerkelijke verzameling van Gedichten, den oorlog, dien zij om den wille van het Grieksche woord, aan de oorspronkelijke Academische Idyllen verklaarde; het volstaat dat de bekrompenheid werd aangestipt, voortaan verplaatsen wij ons in 1827 slechts weder om het Westersch Literarisch Dispuut-Gezelschap bij uitnemendheid. Het Amsterdamsch Athenaeum toch was er in dien tijd buiten dit twee andere rijk: Musis Studiisque Dicatum, in 1807 opgerigt; - en Industriaeet Concordiae, van 1817 dagtee-kenende. Telken jare, bij het aankomen der groenen, vergaderden Commissarissen der verscheiden Genootschappen, schijnt het mij toe, om onder elkander de nieuwe studenten door verloting voor den een of den anderen kring te bestemmen, Intusschen was dit
maar eene voorloopige beschikking; on disposera de vous, maar noch sans vous, ni pour vous. Onderling waren de gezelschappen niet slechts doorgaans de bereidwilligheid zelve, om elkander eenen, aan het een of het aêr, ten deelgevallen student af te staan; ook de laatste behield het regt voor het gezelschap dat zich hem toeeigende, of hem uitnoodigde, hoffelijk te bedanken. Er bleef een derde toestand denkbaar over: schoon toebedeeld door het lot zich toch niet verkozen te zien; maar, als bij elke krenking, restte dan der ijdelheid een troost: waren niet alle plaatsen bezet? Van den brink's zedigheid moge een oogenblik bij de gedachte hebben gehuiverd; toen bij zijn student worden de dobbelsteenen, of welk ander middel het lot ten tolk strekte, hem voor het hooggevierde i.a.a.a.a. bestemde, volgde de uitnoodiging in het eerste studiejaar. Uithoofde zijner ‘vele nieuwe bezigheden offerde hij zijn verlangen aan de noodzakelijkheid op.’ Het zijn woorden uit het antwoord door hem gegeven, bij de niet bewaard gebleven inleiding van 12 Oct. 1827; het aanlokkende eener tweede benoeming was niet door hem weerstaan. Wat zou er den jongeling toe hebben genoopt? ‘Eene weigering, eene eerste verpligte, verdedigbare weigering had hem den toegang niet gesloten tot een gezelschap, dat in staat stelde zich aan de hand der vriendschap die kennis te verwerven welke het doel van 's menschen bestaan heeten mogt’ Er was onder het zevental waaruit het genootschap toen bestond een zijner oudste vrienden: j. commelin; - j.p. harmsen, a.m.c. van hall, j. tideman, jo. de vries, ze zouden allen zijne goede kennissen worden; - t.g. huet en j. van geuns meer dan dat. Hoe zijn hart aan den eerste hing het zal uit zijne brieven blijken; met den laatste werd het vertrouwelijkst verkeer slechts door de ongenade zijner toekomst gestaakt. Wie die haar toen voorzag? Deze was dus die bol van een student, van welke de eene kassier, de oude Heer van den brink, den anderen, de Heer van geuns, directeur der Associatie Cassa zoo dikwijls had gesproken. Hij beschaamde de verwachting niet, te huis als hij zich gevoelde in een kring die hem vergunde, ‘een zijner ontluikende hartstogten, de studie van het Grieksch te bevredigen;’ de mogelijk gewaagde uitdrukking is van hem zelven. Er verloopt geene maand of wij treffen op de candidatenlijst voor nieuwe leden, bij de namen van p.j. teding van berkhout en g.a.n. allebé dien van h.j. de haan hugen-
holtz aan; het drietal wordt verkozen; de laatste gelooft beter te doen, naauwelijks student geworden, vooreerst te bedanken; maar de beide anderen nemen aan, - spreek den raadsheer uit den Hove van Noord-Holland, spreek den Amsterdamschen arts over bakkes, zoo gij u verlustigen wilt in de heugenissen die hij opwekt! - Een dag, die voor het genootschap tot de gedenkwaardigste zal behooren, een feestdag nadert: er blijkt op den 6den November, altoos nog 1827, eene buitengewone vergadering gehouden; hoe zal de Vijfentwintigste Verjaring worden gevierd? Het eenstemmig besluit verklaart: door een diner in den Garnalen Doelen, op 't welk alle honoraire leden des gezelschaps, zoo binnen als buiten de stad zullen worden genoodigd. Het heeft inderdaad den 4den December plaats: och, dat jakob van lennep nog leefde; dat zijn geheugen, bij volslagen gebrek van aanteekeningen in het Archief, dien drom van feestelingen voor ons deed herrijzen! Hoe hij de prettigsten op den voorgrond plaatsen, hoe hij de aardigste toasten weergeven zou! Een grove toets hier en daar; gaf hij bij dergelijke gelegenheid geen pas? Intusschen, eene bedenking rijst bij mij op; zat hij inderdaad mede aan? hij die toen het onverklaarbaarste zijner werken had uitgegeven. Wat anders zou ik bedoelen dan het vertaalde gedicht met het oorspronkelijk vignet, eene dubbele zonde tegen tweeërlei kunst, ‘de Genade,’ naar het Fransch van racine? Als of het groote publiek uit zijne hand bij dien van zonder voornaam een der zwakste voortbrengselen van louis in plaats van het een of ander meesterstuk van jean verwachten zou; - alsof die krijgsman op het plaatje, met een kruis op de Pickel haube, met een schild dat een altaar draagt, waar boven een hart met pijlen doorboord, aan de hervormde begrippen voegde! Inderdaad, op welk gebied is het vergrijp tegen den goeden smaak grooter? - wat de poëzy betreft, de keuze van la Grace, ‘qui fit quelque réputation’ haast anderhalve eeuw geleden; het vergeten vers des jonkmans dien boileau ‘qu'il consulta sur ses premiers essais,’ vergeefs ‘le commerce des muses’ ontried? - wat de gravure aangaat, dien held met het vlammende zwaard, niet eens de slange doorstekend welke al sissend en al spuwend zijn linkerdij aangrimt; dien achtergrond vol gedrochten, dien voorgrond met een steen waarop Ephesen 6 vers 13 te lezen staat? Losse hij het vraagstuk op die ons in alle hare phases de overdrijving schetsen zal met welke
bilderdijk door zijne leerlingen werd bewonderd; ik blijf trots het grillig intermezzo geregtigd tot het vermoeden dat hij in de feestvreugde deelde, - blijkens de notulen woonde het honoraire lid, ‘de Heer van lennep’ de vergaderingen dikwijls bij. - Ware ik student geweest! wie weet of ik niet voor de verzoeking zou zijn bezweken ondanks het gemis van bescheiden, louter uit de lijst der namen, eene groepeering der gasten te beproeven? De bokaal, die aan den feestdisch rond ging, staat voor me. Zoo ergens, hier konden waarheid en dichting elkander de hand reiken: het volgend levend stelde al de verscheidenheid van karakter der aanzittenden in het licht, het toenmalig tijdperk was zeker het zonnigste dat zij genoten. Er valt echter iets anders, iets beters te doen: in de zware kist, die de losse papieren des gezelschaps bewaart, schuilen de brieven dergenen die voor de uitnoodiging bedankten; waarom zou ik den lezer in deze geen kijkje gunnen? Luttel meer dan een twintig in tal leveren zij beurtelings blijken op hoe tijdsverloop en maatschappij en betrekking levenslustige studenten herscheppen. Al versterken zij de overtuiging dat, die ‘de werelt eerst werrelt hiet, Hine was al in dole niet,’ - vol van teleurstellingen tot tusschen bekerrand en lippen toe; - toch laten zij alles zaamgenomen een alleraangenaamsten, allerbevredigendsten indruk achter. - Vóór allen ga het deftige drietal uit den drom, dat zich verontschuldigde in een Hollandsch vers, in een Latijnschen epistel, met eene toezending zijner eigene werken, ‘die leiden moge tot den aanleg eener bibliotheek!’ Foei van de pruikige pedanten, die hunne wigtigheid niet wisten te verloochenen, zelfs bij dergelijke heugenis! - Een andere greep, en ge hoort klagten als thans niemand meer slaakt: ‘uit dit afgelegen gewest,’ bij het gebrek aan middelen van gemeenschap, ‘valt aan eene reize niet te denken;’ - leve de stoomboot, leve de spoorweg! eindelijk wordt de verspreide gemeente een geheel! - Uit de hofstad, van de hofstede komen die brieven - nooit gebruikte een eerzaam poorter zoo groot postpapier, - hoofsch en hoffelijk zijn die studenten heeren geworden; even zeker als de academische titel is verworven, even zeker werd ook door de teruggekeerden de toon des huizes weer aangenomen. Als een weinig meer slag van stellen de vrucht der studie ware gebleken, zou het schaden? - Arme slachtoffers van den pleitzak of van den predikstoel! hoe opregt is uwe betuiging van leedwezen dat gij u ver-
pligt ziet te weigeren. Dat de middag vlugger verstrijken mogt, waarin ge, vruchteloos snuffelend waar toch partij kwetsbaar mag zijn, of u te midden der druilooren van leerlingen vervelend, de klok zes ure hoort slaan, en gij het: welkom aan tafel! hoort, dat slechts u niet geldt! - Indien mij eene bloemlezing uit dit brievental, indien mij de keuze van een paar autographen uit deze verzameling werd toegestaan, ik weet wel dat ik niet aarzelen zou naar welke de hand uit te strekken. Het mogt onbescheiden worden geacht hier namen te noemen, waar het oordeel zooverre gaat zonder dat het eenig bewijs bijbrengt; maar ik koos met dezenzelfden greep dien prettigen uit Arnhem, die van ‘een fideelen en studentikoozen maaltijd’ spreekt; welks schrijver zoo gaarne de ‘glansrijke aangezigten’ der jongelui aanschouwen zou, - benijdenswaardig bijvoegelijk naamwoord; - en dan dat karakteristieke handschrift, dat meesterstuk van stijl uit Gent, de verontschuldiging van den genialen man, die de ware uitdrukking vindt voor het gevoel dat het genootschap hem blijft in boezemen: ‘eene erkentelijke gehechtheid.’ - Och! heirleger van kwalen! where flesh is heir to, wat riep u uit uwe schuilhoeken te voorschijn dat ge juist ter laatster ure in den vorm van catarrh of podagra hen komt kwellen, die als, ‘Iustice, In faire round belly, with good Capon lin'd, with eyes seuere, and beard of formall cut, Full of wise saws and modern instances, - - playes his part;’ - of, beurtelings edelmogende of hoogmogende heeren, met regt mogen neuriën: ‘Quels dinés, quels dinés, les Ministres m' ont donné.’ - En toch, hoe anders dan deze deeren mij de beide gepromoveerden op het tipje, die zich vroeger in het verschiet van dien dag verlustigden, die met flinke beenen zouden zijn aangestapt, die met forsche longen op het nageregt hadden gestemd, in j.v.l.'s: Wij wijden een dronk aan het Land onzer Vaderen, of in b.t. h's: Io vivat! Io vivat! Das Mädchen, dasz uns liebt; - zoo de eene niet werken moest aan zijne dissertatie, om wier correctie de duivel, in den vorm van een drukkersjongen, er al drie malen geweest is; als de andere een enkelen ochtend der maand zeker was zich niet om zijn doctoraal examen voor professoren te zien geroepen. - Leen het veelstemmig concert des levens het oor, wanneer en waar ge wilt, lang luistert gij er niet naar, of er trilt u een toon van smarte toe, een verscheurende kreet van rouw; - en on-
der twintig brieven zou er geen zijn die medelijden vergt, die tot weemoed stemt? Helaas! daar ligt de zwart gerande van den man die zijne gade, van den vader die zijn jongste kind op denzelfden dag verloor, en zich dus niet gestemd gevoelde ‘om in een vriendenkring te verschijnen, in welken vreugde en vrolijkheid zouden voorzitten.’ - Waar blijft de streelende indruk dien ik, als het gevolg der lectuur, ten slotte beloofde? eene overtuiging, liever nog een bewustzijn dat in de heugenis van het gulden tijdperk van jonkheid, studie en vriendschap eene bron van genot schuilt, voortvloeijende tot in de grijsheid toe? Het bewijs or voor zou alleen te leveren zijn indien ik, alle de brieven afschrijvende, den lezer in de gelegenheid stelde zelf gade te slaan hoe deze trots alle verschil van toestand telkens aan het licht komt, - vergenoege hij zich in stede van dit met de verzekering dat zij, verscheiden in kracht als in klaarheid voor het gemoed des eenen liefelijk voortkronkelt; voor dat des anderen verrassend opbruischt; dat zij den blik zelfs der schijnbaarst onverschilligen tot zich trekt en ook deze verteedert! - Genoeg over de afwezigen van het feest; een aanwezige, bakkes, mag een ommezien onze opmerkzaamheid boeijen. Hoe genoegelijk heeft zich zijne verbeelding dit zamenzijn geschilderd. Hoe overtreft het zijne verwachting! Van den beginne af jong en jolig met zijne gemeenzame vrienden, behoort hij eene wijle wat de gasten, wat de honoraire leden betreft, tot de toeluisteraars. Het is of hij de maat neemt van hunnen geest; het is of hij zijn man zoekt. Daar begint de schermutseling die niet in strijd ontaardt - daar wordt de medicus of de jurist verrast door een paradox, die dezen achteruit doet deinzen, die hem schier uit den zadel ligt. En toch, in het volgend oogenblik schijnt het dat de stoot niet heeft gedeerd; van de tinne zijner wetenschap houdt de aangevallene zich als werd hij den aanvaller naauwelijks meer gewaar. De verwatene! Onze borst heeft meer pijlen in zijn koker, dan die eerste wonderspreuk; eene andere, scherpere trilt op de peeze, en treft haar wit. ‘Er schuilen waarachtige denkbeelden in die dolheden,’ getuigt de schaterlach die opgaat. Hoe zoet is dergelijke zege in dien leeftijd, hoe vergefelijk een ziertje ijdelheid dat er zich gestreeld door toont! Zedemeester! die dat woord te zacht vindt, zie, bid ik, in dezen nog niet achttienjarige den veelzijdigen aanleg niet voorbij. Aan den geest van ieder onzer zijn gren-
zen gesteld, maar hoe verre reiken de palen van het gebied des zijnen reeds; en welk eene afwisseling van terrein binnen dien kreits! Het was het verscheidene dat hem in i.a.a.a.a. aanlokte, strookende met zijn zin voor iedere soort van studie; de velerlei kennis, zijne sprekendste eigenaardigheid. Heerlijk mogt het heeten dat er in dien kring Grieksch werd gelezen, het eene jaar van zijn lidmaatschap plutarchus, theophrastus het andere; heerlijk dat de scriptiestoffen te gelijk in de taal van het oude Latium oefenden en de Romeinsche en Helleensche wereld weder de hunne deden worden; - maar dat de Nieuwere Letterkunde er tevens werd gewaardeerd, door improvisatiën, door verhandelingen, door voordragten, dat voltooide het ideaal eener voor het leven vormende studie! School er, vraagt misschien een mijner lezers, dien het niet ontgaat hoe weinig helder hem zijne eigenlijke bestemming was, school er, niet iets gevaarlijks in dat versnipperen van gaven, gister, heden, morgen, even kwistig aan onderwerpen besteed, verschillende als de hemelsbreedten waaronder zij verplaatsten? Juister oordeel voorbehouden vreeze ik het niet; de akker van zijnen geest was van zoo milde aarde, dat zij, zonder door uitputting te worden bedreigd, allerlei gewassen voort kon brengen, in vruchtbaarheid winnend bij de verscheidenheid van bouw. Er is geenerlei teelt op ontloken, die niet zaden achterliet, ons later tusschen het graan door bloem bij bloem verrassende; al stellen wij, ons thans in den oogst vermeidende, meer belang in de volle halmen, dan in de verwrijke sierselen des velds ons hier en daar uit deze toeschitterende. Zoo een der lievelingsdroomen zijns levens zich in de werkelijkheid had verwezenlijkt, zoo hij philoloog ware geworden, mijne bede het vier of vijftal Scriptiones van zijn hand, in het Archief bewaard, als eerstelingen te waardeeren zou bij een zijner liefste vrienden, zou bij den bevoegdsten regter een open oor hebben gevonden, ik ben er zeker van. Waartoe echter ten prijs van beter te besteden tijd, van cobet de bevestiging verlangd, - groot als zijne heuschheid mij overigens in het geven van velerlei inlichtingen bleek - van wat ieder onzer, ook zonder een zweem zijner studie, op kon merken, dat bakkes, al slaagde zijn streven in dat opzigt niet, er in scherpzinnigheid door won? Het was niet zijne bestemming in de schachten dier groeven de mijn te ontdekken, zwanger van het metaal waaruit de nakomelingschap zijne
kroone klinken zou; door den zonderlingsten loop des lots is hij historicus geworden, en was het de hand der Geschiedenis die hem zijnen krans bedeelde; viel het in die dagen vast te voorzien? Er is van zijne Improvisatiën niets overgebleven dan eene vermelding harer onderwerpen: de moord van julius caesar; - het karakter van filips ii, - jeanne d'arc; - en, wie zou het gelooven als het niet was geboekt? andries snoek! - fluks vervangen door eene beschouwing van frederik de groote, en een blijk vun opmerkzaamheid voor de toen eerst ten onzent doorbrekende, weergalooze sterre aan den Britschen dichterenhemel: Lord byron. - Onder de Verhandelingen echter trof ik een opstel van zijne hand aan uit welks titel in den jongeling reeds de man spreekt, die den kortsten voor den besten houden zou, die voor dezen geen grooter aanbeveling wist dan eenvoud. ‘Over de gouden eeuwen’ staat, zonder eenige pretensie, ter regterzijde van het vierendeel eens vels papier, dat ter slinker: ‘Mijne Heeren!’ te lezen geeft, en, zuinig genoeg, dadelijk het stuk zelf volgen ziet. Het schrift heeft zoo min als de stijl het keurige van lateren tijd; er zijn doorhalingen op de beschreven bladzijden, aanvullingen op die welke wit werden gelaten. Het hoofd overdacht de phrase nog niet zoo lang, dat zij, neergeschreven, in de proef geenerlei beschaving eischte. Verbazend intusschen, verbazend is de kennis, welke de achttienjarige de zijne mogt heeten: de verhandeling werd den 23 Mei 1828 voorgelezen. Blijkbaar heeft de aanhef hem de meeste moeite gekost; tevens is deze, als die der meeste eerstelingen, het minst gelukt. Eerst als hij geworsteld heeft met de gedachte hoe de afwisselende geestkracht eens volks zich in de geschiedenis vertoont; eerst als hij uit dien strijd, ik zeg niet de zege, ik getuige alleen de stelling meêdraagt, dat ook de meest bevoorregte natie maar eene ‘gouden eeuw beleeft,’ vlot het. ‘Wat noemt men een gouden eeuw?’ is de vraag waarmede de eigenlijke beschouwing aanvangt, waarmede hij zelf geloofd zou hebben zich doeltreffendst dadelijk tol zijn gehoor te rigten, als men niet meer moest hebben geschreven om te weten dat men niet beter kan doen dan te beginnen met het begin. Il n'a pas fait qui commence, zeiden onze toenmalige zuidelijke naburen, en inderdaad, als de eerste gouden eeuwen der overlevering dichterlijke droomen zijn verklaard, eischen die der geschiedenis hare bladzijden. Hoe deze overvloeijen van blijken eener
belezenheid, die verwondert, meent ge; hoe zij bewijzen leveren dat de feiten in dat jeugdig brein zijn geordend en gewogen, dat hij die, voor zooverre het zijner krachten gegeven was, heeft getoetst. De eeuw van pericles opent de rij; geloof niet dat haar onverdeelde lof wordt toegezwaaid, aspasia vindt geen genade bij den jongen censor. Die van augustus heeft evenzeer hare schaduwzijde in het verval der oude zeden. Arme middeleeuwen! in den geest des tijds zijn ze slechts de ijzeren. Het tijdvak der medici boeit door den bloei der kunsten; waarom hielden de wetenschappen met deze niet gelijken schred? Zou hij Hollander zijn geweest en niet van frederik hendrik's dagen hebben gewaagd? Lodewijk de xiv rijst reeds in het verschiet voor u op; de eeuw van Koningin anne is de laatste die hij ons schetst. ‘En geen woord,’ vraagt ge, ‘als de gulden eeuwen grootstendeels die der letteren blijken, geen woord over de Duitsche?’ De opmerking dat wij eerst 1828 beleven, toen de Germaansche litteratuur ten onzent nog maar schaars werd beoefend, zou onvolledig zijn; van den brink stelt te regt tot voorwaarde van volksglorie, volksbloei in iederen zin des woords; eene staatkundige ontwikkeling, eene staatkundige onafhankelijkheid vooral; democratische, monarchale, republikeinsche, op den vorm der instellingen komt het niet aan, mits maar de gewenschte gevolgen niet falen. Verreweg het belangrijkste gedeelte van het opstel schuilt in de tweede helft, in de pogingen om ten minste één gouden eeuw in het licht te stellen; de criticus tast rond en grijpt mis, maar steekt er niet minder de handen op nieuw om uit. Pogingen, herhaal ik, want der stof blijft door de verscheidenheid van wat wij gouden eeuwen noemen, zelfs voor rijper leeftijd iets verbijsterends eigen. Welk een verschil in het enthusiasme, 't geen hij gelooft dat haar bij het volk kenschetst, tusschen de Franschen en de Engelschen; onwillekeurig tot de opmerking van een onderscheid in de geestdrift der Atheners en die der 'Romeinen nopende. Een woord dat hem in dien tijd lief schijnt te zijn geweest: idealiteit, moge veel verklaren, hij heeft straks aan nationaliteit evenzeer behoefte. Geef hem eenige jaren levens meer, en de beschaving der zeden en de weelde die thans wat laat in de weegschaal worden geworpen, zullen zich vroeger doen gelden; maar het slotwoord dat het niet in de magt van Vorsten staat zulk eene eeuw te scheppen, dat slechts hot Volk haar
doet aanlichten, zal noch kerniger, noch korter zijn. ‘Geniën vormen, dat vermogen zij niet - vernuften aankweeken, zoo ze er zijn, is al wat zij kunnen.’ - Het handschrift draagt op de laatste bladzijde de blijken dat het in den vriendenkring de ronde deed, maar een oordeel van deze over het opstel komt in de Archieven niet voor; - mag ik uit de naamteekeningen aanleiding nemen den draad der geschiedenis van het genootschap weêr op te vatten? De Heeren a.m.c. van hall en j.p. harmsen hadden reeds in Dec. 1827 het diploma des honorairen lidmaatschaps ontvangen, weldra zou j. van geuns kennis geven, dat hij in het volgend Academiejaar Amsterdam dacht te verlaten om zijne studiën te Leiden voort te zetten. Langer dan drie jaren bleef men zelden lid. Het was in de plaats der laatste vermelde eereleden, dat h.j. de haan hugenholtz eener tweede benoeming gehoor en gevolg gaf; dat w.a. de gruijter vink mede toetrad, 3 Nov. 1828. Orestes en Pylades hadden elkander, ten bate van beider studie, weergevonden; bakkes mogt zeggen dubbele behoefte aan haan te gevoelen, daar den 14den derzelfde maand met jo. de vries ook zijn vertrouwde j. commelin werd uitgeleid. Een der ijverigste leden trad op: medicus als g.a.n. allebé wedijverde j.h. hageman jr. met dezen in omvang van studie der schoone letteren; om strijd grepen zij ook uit andere kringen dan die voor welke zij zich bestemden hunne onderwerpen; helaas! de maatschappij zou zich slechts verlustigen in de bloesems haar door den laatste geboôn, het saizoen der vruchten beleefde hij niet. - Dergelijke genootschappen hebben, als zoo vele maatschappijen van grooter omvang en meer gewigt, hunne jaren van weelde en hunne jaren van dorheid; ik zou volgens de aanteekeningen 1828|29 voor i.a.a.a.a. tot de eerste willen brengen. Vroeger en later anderen slechts prikkelend als hij zelf arbeidde, vergenoegt bakkes er zich niet mede (6 Febr.) dat de studie van het Grieksch gaande wordt gehouden: ‘ijveriger werken’ is zijne leus; veertien dagen later (20 Febr., altijd 1829) leest hij eene Verhandeling over Gijsbrecht van Amstel. - Dat hij haar hadde ingeleverd. Was er overeenstemming tusschen zijn vroeger en later oordeel over vondel? Amsterdammer tot in zijn nieren, vergelijkt hij de aanschouwelijke schildering des vervroegden bloeis, met de voorspelling waarin hooft zijne vaderstad schildert? Het zijn ijdele
vragen maar wat zich uit de notulen staven laat, dat is de groote verscheidenheid van nieuwere bloemhoven, welke zich voor die bijen ontsluit; vroegere en latere; inheemsche verder dan de blik reikt, uitheemsche door andere kleuren en andere geuren aanlokkend. Stel u zelven de afwisseling voor, die onze Hollandsche te genieten geeft, als ge in dezen omzweeft van melis stoke tot naar jakob van lennep; zoo ik u de lange lijst van namen afschreef, het zou zijn of ik aan uwe fantasie twijfelde. Iets anders is het bij die onzer naburen: daar past, daar geeft het noemen der schrijvers, der sierplanten, had ik mijne beeldspraak schier vervolgd, zoo vele dagteekeningen, wanneer, en in welke rigting men voorwaarts schreed. De schaal blijft nog altijd ten voordeele des volks overhellen aan 't welk wij, als geheel Europa, een groot deel onzer beschaving zijn verpligt: in den geest des tijds wijken corneille en racine bij onze jongelieden vast in de schaduw, - onvergefelijker wijze is van moliere bij geen van allen sprake, terwijl boileau blijkt te worden bestudeerd; - maar het zijn völtaire en rousseau die aantrekken; - het is slechts bilderdijk's schuld zoo ook delille het doet. Liefelijkst aller lyrische scheppingen zijn de Nouvelles Méditations Poétiques van de la martine op hunne lippen - het is allebè die den Bonaparte voordraagt, het is van den brink die les Étoiles leest. En ontging mij hunne studie der schrijfster van Corinne? was ik onhoffelijk genoeg Mad. de staël voorbij te zien? Helaas! zoo wel ons volk als deze vriendenkring had vijftien jaren lang geen oog voor hare waardeering Duitschlands, voor dat minst Fransche aller boeken: de l' Allemagne! - Er waren slechts - drie duitsche dichters in de laatste jaren aan de orde van den dag gekomen: g.a. burger, j.p. richter en theod. körner; was het mogelijk? - ‘Maar een overgangstijdperk’ beweert gij; al bleken wij, wat de Britsche Letterkunde betreft, in getal even armelijk, in gehalte veel rijkelijker bedeeld: oliver goldsmith, laurence sterne, Sir walter scott, met welken Lord byron weldra zal wedijveren; ‘maar een overgangs tijdperk.’ Toegestemd, mits ge u herinnerende wat wij voor vijf en twintig jaren aantroffen, den betrekkelijken vooruitgang in het leven des geestes met het buitenland erkent; een vooruitgang die toenemen zal, met het versnelde stoffelijke, door maar zoo weinigen in het verschiet begroet, en toch zoo aan-
staande. - Als het genootschap in het begin der zomervacantie voor het bedrag der boeten, gedurende den winter door de leden beloopen, een uitstapje maakte, ‘dan gingen wij,’ schrijft me Dr. de haan hugenholtz, ‘per trekschuit naar Halfweg;’ - het zal onzer jeugd zijn of ik van genoegens van voor eene eeuw gewage! In het Huis ter Hart werden de goudenaars opgestoken, wier blaauwe wolkjes de wind opving en voortjoeg als de togt langs het Y werd voortgezet, als het stille Spaarndam van gezang weergalmde; - de sigaar, tegen welke onze toekomstige romanschrijver levenslang een vergeefschen strijd zou voeren, was nog eene zeldzaamheid. Wat mogt de wandeling in de Hollandsche Duinstreek, het doel van den togt, wat mogt zij heeten in vergelijking met de voetreizen onzer dagen, voor welke eene stad aan den Rijn, voor welke een Hotel aan een der Zwitsersche meiren ten uitgangspunt strekt? Eene weelde op waarlijk niet te ruime schaal; al won de Moezelwijn, den gasten uit de roemers toevonkelende, bij het twaalfuurtje te Velzen , ‘in schaduw van 't gebladert,’ het in kleur en geur verre van le vin du pays of der Landwein in den vreemde; - ‘vive le maitre des plaisirs,’ die bleek er zoo goed voor te hebben gezorgd. Ondanks het ras voorbijgaande van maar een dag vermaaks, ondanks het gemis der verhevenheid van gebergten en glaciers, waren land en luidjes meer dan eene vlugtige teekening waard. Vrolijk ging de drom verder, bij voorkeur de schilderachtige bijwegen kiezend; om, straks onverwacht weêr op den straatweg gekomen, er zich, regts of links, in den lommer van het hoog geboomte op het frissche gras uit te strekken. Daar daverden de klinkers; daar stoven van het voorplein der hofstede, uit het prachtige ijzeren hek, de weelderige rossen aan, door nog weelderiger jonkheid ten galop geprikkeld; hoe gaven die verzen van virgilius wat het geluid indrukwekkendst had gelukkig weêr. ‘Op,’ klonk het; ‘op!’ maar al stapte men voort, er was tijds genoeg om te marren waar een paar aardige deernen over de heg gluurden, en er straks achterweg weken; waar, voor de wooning in schaduw der linde, ‘lelien en rozen bloeiden’ op de wangen van 's lands dochteren, het geheugen van een der schalken had zich poot herinnerd. Al grijnsden de boerenslungels van verre hoe die heeren zich in een ommezien gedroegen of zij te huis waren, pret hadden de olijke meisjes, schoon zij niet wisten wat vreemde taal dat volkje toch
sprak, als de heugenissen uit theocritus elkander opvolgden. ‘Hier geeft iets hollandsch pas!’ meende de dolste uit den drom, en de daad bij het woord voegende rolde hooft's liedje van Dorilea over zijne lippen. ‘Vrijaadje? neen vrijaadje.? jaa. Vrijaadje zonder meenen;’ en na de gestolene of gegeven kussen waren de jongelui den hoek des wegs al om, eer de lummels besloten hadden of zij hen na zouden zetten. Bakkes was de stoutert geweest, wiens arm op het onverwachtst om het middeltje was gegleden, bakkes, die weldra op de bouwvallen van den burgt der brederodes bezield zou blijkendoor zijn geliefden leermeester; hoe deze onlangs het hollandsche landschap in zijne belangrijkheid voor gevoel en verbeelding had gehandhaafd! Voorzagen de makkers, die onwillekeurig eene wijle toeluisterden, die niet wisten wat meer te bewonderen, de ironische voorstelling van den riddertijd of de enthusiastische onzer burgerlijke gouden eeuw; voorzagen zijne makkers wat hij voor onze kritiek, voor onze kunst worden zou? Het viel niet van hen te vergen; het eerst van allen weer beneden, klonk hen van daar het: ‘Ich hab' mein Sach auf Nichts gestellt, Juchhe! Drum ist's so wohl mir in der Welt, Juchhe!’ van göthe toe; klonk hên uit denzelfden mond die straks aan den disch op Zomerzorg ‘alle Moffen als hun zure wijnen naar den drommel’ wenschen zou; met béranger, tusschen een paar flesschen, de fee begroetende, die twee tooverstaven ter hand heeft: ‘Tantôt un cep de Romanée, Tantôt un cep de Chambertin.’ - I. a.a.a.a.... maar wanneer zal ik eindigen? Hoe van den brink en de haan hugen-holtz den 20sten Nov. 1829 werden uitgeleid, nadat zij eerst nog hadden deelgenomen aan de verkiezing der Heeren j. messchert van vollenhoven, - die zich zijner herinnert, ‘als iemand die u, bij het raadplegen over de behandeling eens onderwerps, stof gaf om er een boek over te schrijven;’ - der Heeren s.c. klinkhamer en p. scheltema, - aan wien hier hartelijk dank worde gebragt voor de velerlei nasporingen ten behoeve dezer biographie gedaan, - is het niet, als het overige der geschiedenissen van het genootschap, beschreven in de Archieven, bewaard ter Stads Bibliotheek te Amsterdam? Bewaard in kisten en kasten, door Mr. j.p. portielje voor mij ontsloten met eene verpligtende voorkomendheid, in den zoon het beeld van zijnen te vroeg gestorvenen vader voor mijn gemoed alleraangenaamst verlevendigende!
‘Zie, welk een wonder is het Leven, en wat mysterie is de Dood!’ heeft de génestet gezongen, in een der gedichtjes welke zoo getrouw den strijd des twijfels weergeven, die ze deed geboren worden; die hij, berustende in wat ons verborgen blijven zal, door zoo blijmoedige zou hebben vervangen, als zijne oogen niet gebroken waren toen het aanzijn hem weder toelachte! ‘En wat mysterie is de Dood!’ - zoo wij het hem, zuchtende, nafluisterden onder het schemerziek looverdak der hooge laan van Rozendaal, den beminnelijke ter laatste rustplaats brengend voor wien een leeftijd van maar dertig jaren had volstaan om zich de onsterfelijkheid in het hart zijns volks te verzekeren; - ‘wat mysterie is de Dood’ doet zich met nog meer nadruk gelden bij de groeve eens jongelings die slechts beloofde, - klinkt nog somberder in het oogenblik des afscheids van eenen vriend die verwachtingen opwekte, maar deze niet verwezenlijken mogt. O benijdenswaardig voorregt des dichters in weinige woorden uit te drukken wat omgaat in aller harte! ‘Wat mysterie is de Dood!’ het was de stemming in welke de menigte, op den 30sten Junij 1830, in de woelige Warmoesstraat te Amsterdam, eerbiedig een schouwspel aanstaarde dat anders haar lachlust zou hebben gewekt. Een drom van studenten vertoonde zich haar, allen door korten broek de verouderde vorm van kleeding dragende, aan welken de grijsheid zelve allengs ontrouw geworden was; allen met klak en degen in de oogen der schare schier bespottelijk; die zich echter geen kwinkslagen veroorloofde, die ernstig toezag, daar de jongelieden eene lijkkoets volgden, daar zij een jeugdigen doode ten grave bragten, een lieven makker. Het viel den blikken der studenten aan te zien dat zij hem betreurden; die stille maar hupsche, die ingetogene maar vriendhoudende borst, - ik gebruik de woorden van een hunner - wist zich aller genegenheid te verwerven. De keeltering had hem doen wegkwijnen, vroeg reeds in hare eerste verschijnselen verontrustend; later, een ganschen winter lang, eerst door meer lastig, toen door zeer pijnlijk lijden kwellende. Des ondanks had hij niet gemord; het mogt zijnen vrienden, bij hunne trouwe bezoeken zwaar vallen zich te bedwingen; hij gaf een voorbeeld van berustende onderwerping, dat onvergetelijk bleek. Daar was de rouwdragende vader, daar waren de verwanten die dezen vergezelden, daar waren met de hoogleeraren die de baar hadden gevolgd ook
de studenten het open graf genaderd. Toen zij er een kring om heen hadden gevormd, nam een der laatsten het woord: het was bakhuizen van den brink. Laat ons toeluisteren als de bedroefden:
‘Voorzeker is het geene moeijelijke taak, die ik op mij nam, om voor allen te zeggen wat ik bij deze aandoenlijke plegtigheid gevoel. Het zullen woorden zijn van eenen vriend tot vrienden over eenen vriend, dien gij allen evenzeer gewaardeerd hebt, en aan wiens stoffelijk overschot gij thans de laatste hulde bewijst. O zwakheid der menschelijke zaken! O broosheid onzes levens! In eenen kring aan vriendschap gewijd, drukte ik hem nog kort geleden de hand, en thans ligt eene breede klove tusschen mij en allen die hier staan, en tusschen hem. Hoe vaak hadden wij gewenscht hem nog de blijken onzer gehechtheid te kunnen geven; hoe vaak met hem nog den weg tot deugd en wetenschap willen bewandelen; hoe vaak ons nog zijn voorbeeld ten nutte gemaakt, zijn raad ingenomen, zijne meening gevraagd hebben! Hoe vaak hadden wij nog met hem de zuiverste genietingen des levens willen deelen.
Maar de Voorzienigheid was wijzer dan wij; en al de wenschen en verwachtingen, die wij van hem hebben gekoesterd, beperken zich hier waar zijn lijk staat. Zijn lijk! niet die edele zucht voor het goede, niet die geestdrift voor kennis, niet die voorzigtigheid om op het pad der jeugd zîch voor misstappen te hoeden; niet die hartelijkheid voor zijne vrienden, in een woord niet die edele ziel die in onzen knoops was is hier. - Elders, bij den Eeuwige ...