terug  begin  verderprepost

[VIII. Studie aan de Leidsche Hoogeschool. 1831.
Leeftijd 22 jaren.]

Ongeveer vijfentwintig jaren vóór den tijd waarin wij van den brink naar Leiden vergezellen, bragten twee veelzijdige geleerden hun gevoelen over hare Hooge School uit; verschillend natuurlijk naar het standpunt waarop beide mannen zich geplaatst zagen: de een landgenoot, de ander vreemdeling; - verschillend naar de geestesgaven hen bedeeld: deze poëet, gene philoloog; - verschillend eindelijk naar de stemming in welke zij de veder voerden: eene hulde van dankbaarheid, eene heugenis van teleurstelling. Al verzwaar ik door de mededeeling zoo van het eene als van het andere, misschien, mijne taak, daar ik weldra een indruk, die met beide niets gemeens heeft, zal moeten vermelden en verdedigen, edelmoedigheid jegens partij heeft nog nooit een pleiter geschaad. Van zelf zou ik, beschikkende over mijn tweetal citaten, het uitheemsche voor het inheemsche hebben geplaatst, indien de tijdsorde bij deze de beleefdheid niet buitensloot. Mr. willem bilderdijk toch schilderde reeds in zijne dichtregels Aan 's Lands Hooge School te Leyden, eer de ramp, door welke de Academiestad den 12den Januarij 1807 werd getroffen, die Opdracht zijner Ziekte der Geleerden het licht deed zien, de innige gehechtheid aan haar, waardoor zijne ballingschap werd gekenmerkt. In den vreemde omzwervende, had hij overal, door de houding welke hij bewaarde, zich harer waardig getoond. ‘Hy was Bataaf waar storm of lot hem joeg;’ geen der vele aanspraken op roem, haar bij begin des dichtstuks toegekend, had hij ergens verloochend, ergens verzwegen. Of deze in zijn vers niet beter zouden zijn gestaafd door eene vermelding van wie hare leerstoelen bekleedden, dan door eene verheffing van wie voor deze toeluisterden, is eene vraag die onwillekeurig bij mij oprijst. De aanleiding ligt zoozeer voor de hand dat ik mij naauwelijks verbeelden kan mij: waarom? te hooren toeroepen. Van de kweekelingen op wier vorming zij het fierst mogt zijn, was het hem die er haar in had te verheerlijken, - wanneer

[p. CCXXXIX]

ons in plaats van hoogdravende woorden zonder bepaalde toespeling, de poëtische waardering verrassen zou van geniën alleen een heir geldende, - door zijne ingenomenheid tegen deze, helaas! ontzegd partij te trekken. Een drietal namen verduidelijke, bewijze het. Als hij eene karakteristiek had beproefd zijne snaren zouden welluidend hebben geruischt voor christiaan huijgens; maar welke krijschende toonen, hadden onze ooren verscheurd bij de vermelding van huig de groot of van jan de witt. Voor een dichter die geene roeping gevoelde derzulken glorie uit zijne hulde te doen schitteren, school dankbaarder stoffe in de meesters dan in de leerlingen; wie verklaart ons hoe hij, die zijn ‘eerste nektartoogen,’ uit die ‘moederlijke borst’ zoo aandoenlijk gedacht, het voorbij konde zien? Een blik op de reeks van groote mannen werpende, mogt de overvloed van keuze bij den eersten oogopslag iets verbijsterends hebben zelfs voor een talent als het zijne; van dien rijkdom beklaagt het zich bij den volgenden niet langer, de schaarsche weelde smakend keurig te kunnen zijn. Welk een drom van vernuften! met wie hij vollen vrede hebben kon, waarbij de verscheidenheid van rigting hem tot het grijpen der weegschaal verlokken moest. Uit de maar korte wijle morgenroods der wetenschap ten onzent had het aan hem gestaan ons gestalten als die van lipsius en scaliger te doen verschijnen. Spoedig werd het volle dag op geheel haar gebied. Al bragt zijne zwaarmoedige stemming het ongerief mede, dat het opkomen van enkele wolken hem meer vrees inboezemde, dat het stralen van het gansche hemelvak hem verlustte, des ondanks moesten zijne vingeren zweven over de snaren der lier: er viel te loven, ook door wie met lofspraak niet milder was dan hij. Wie zou het hem euvel hebben geduid zoo hij luttel opgewektheid had gevoeld om het vonnis te herzien door vondel in den twist tusschen gomarus en arminius geveld? maar ook, wie zou de greep niet zijner waard hebben geprezen, geleerdheid te huldigen en geloof te handhaven door het opvoeren van vossius! Vergund zou het hem geweest zijn te aarzelen of hij van trigland diende te gewagen tegenover descartes; doch het gansche Europa van 's mans tijd bragt aan boerhave den cijns der bewondering; doch het drietal dat den naam van schultens droeg ontsluijerde ons de verborgenheden van het wonderland 't geen de wereld toen het Oosten heette; doch hemsterhuis, ruhnkenius, valckenaer, bragten zij

[p. CCXL]

onze jonkheid niet tot de bronnen van alle schoons in kennis en kunst? Niet enkel namen, ook gedachten te over om mijne bedenking te wettigen; om regt te geven tot den wensch, dat ons zulk eene staving van de verdiensten der Hooge School ware ten deel gevallen, in stede der verklaring dat het ‘Leydsch Atheen’ op zijnen ‘eedlen schoot, Europaas roem gewiegd heeft en gekoesterd;’ en ‘Koningen de melk der wijsheid bood!’ Prachtige uitdrukking, klinkt het mij toe, pronkzieke zou ik willen zeggen; schort het misschien aan mijne burgerlijkheid dat mijne oogen niet als die des dichters ‘worden verblind van al de majesteit’ die, ‘een nieuwen dag moest scheppen over de aarde!’? Toegegeven, ten einde terug te keeren tot de schets die bilderdijk van zich zelven geeft, gedurende zijne ballingschap den roem, dien hij der Academie in de aangehaalde regels toekende, ‘met mond en pen verbreidend.’ Er schuilt welligt meer poëzy dan men bij de eerste lezing vermoedt in de onverwachte, onvoorbereide verschijning des grijzen Rijns, terwijl we nog de tempelen der wetenschap meenen te zien, die de wereld aan Leyden dank weet, terwijl de priesteren van deze nog geknield liggen, op den drempel van haar heiligdom. Niet langer beurt de stroomgod ‘het achtbaar hoofd,’ dat zich weleer zoo fier uit de baren ophief, met de stoutheid eens overwinnenden naar boven, - voorbij zijn de dagen der kracht, voorbij is ook voor Leyden de luister; - maar de dichter zegt het laatste niet. Hij schetst den Rijn, getroost door de onvergankelijke eer welke zich zijne lievelingsstad verwerven mogt; hij schildert hem ons, aan deze gehecht, zijn kabbelenden ‘vloed,’ door kronkeling bij kronkeling in hare veste voortstuwende; ‘als schiep hij vermaak’ in het schuren van ‘dien tempelburcht’ als was het wijlen hem daar lust. Gelukkig van overgang is in de daarop volgende regels, treffend inderdaad het woord van den zwervensmoeden zoon tot zijne eindelijk weêr aanschouwde moeder: ‘Mijn boezem juicht, na zoo veel jaren wee, In uwen arm het leven weêr te vinden;’ en schilderachtig de voorstelling: ‘Mijn wrakke boot te meeren aan uw reê, Geen speeltuig meer van dwarlende onweerwinden.’ Fraaije verzen, voorzeker, geschreven in eene stemming de edelsten onzer passend, - en die toch, als de ballingschap aan de beurt komt, maar eene voorbijgaande blijkt. Gedurende dat verkeer in den vreemde heeft hij de herbergzaamheid genoten van Engelschen en

[p. CCXLI]

van Duitscher; is hij in staat geweest, open oog en open oor medebrengend, hunne zeden met de onze te vergelijken, en, steeds van goeden wille blijvend, dit of dat van hen te leeren; - herinnert hij zich nog hoe menigmaal de looden last waaronder hij gebogen ging door een welwillend toegestoken arm wierd verligt; heugt het hem dat hij zijn leed bij een heusch woord en een hartelijke blik een omzien vergat? - IJdele hoop dat er van zoo iets sprake zou zijn! - Zie, het mogt loffelijk heeten dat hij de verdiensten zijner voedsteres huldigde; maar zou het minder loffelijk zijn geweest, zoo hij tevens die harer mededingsters had erkend? In zijnen eenvoud beschaamt het bekende Schweizer-Heimweh door een enkelen trek in dit opzigt, de even hooge als stoute toewijding: Aan de Hoogeschool! - wanneer de arme zwerver, niets van het schoone loochenend dat hem in het buitenland omringt, toch zijn zoet te huis de voorkeur geeft; ‘Ist's auch schön im fremden Lande, Denn noch wird 's zur Heimath nie.’ Valt het geheim der minderheid des meesters anders te verklaren, dan uit de ingenomenheid zijns hoofds tegen onze oostelijke en westelijke naburen, al wat hem van harte was bedeeld volslagen beheerschend? Ik vrees het om den wille van de karakteristiek der plaatsen op welke hij geweigerd heeft de knie te buigen ‘voor ijdlen damp van dartle nieuwigheden;’ in dat ‘woest Hercynisch woud,’ waarmede de Germaan zijner dagen voor lief moet nemen; ‘bij trotschen Brit’ waarmêe het eilandrijk wordt afgescheept; ‘of waar de Waan haar afgodszetels bouwt,’ binnen welken ijlen kring zeker ‘de Finnen of Samojeden’ behoorden, van wie hij gewag maakt; ofschoon ze, mogt hij die ergens hebben aangetroffen, zeker geen novateurs dangereux zijn gebleken. Was er dan waarlijk roem te dragen over de zege op zulke vijanden behaald? gaf zij regt te getuigen ‘dat het aardrijk, waar hy uw glorie droeg, Den stuggen hals voor 't ongelijkbaar Leyden’ had gebogen? Arme grootspraak! - droeve verblinding! - Wie vragen mogt: waartoe hier die opmerkingen? hij heeft zich nimmer beklaagd over het zwak onzes landaards laag op den vreemde neer te zien - hij heeft er zich nooit aan geergerd dat een man van zoo groote gaven als bilderdijk dien daarin voorging en steef. ‘Gevoelt ge,’ zingt hij straks der jeugd toe, ‘gevoelt ge wat het zegt, het Vaderland in 't harte mee te dragen?’ in allerlei rampen, als ge de trappen des vreemdelings hebt op te gaan

[p. CCXLII]

om zijne bescherming te verzoeken en die weder hebt af te gaan onbeveiligd, onvertroost, als u onder tranen het zoute brood der ballingschap walgt? en ik ben de eerste met hem in te stemmen, als hij haar daartoe opwekt; - maar dan dragezij slechts het edelste mêe van wat hij dor Leydsche Pallas meende te zijn verschuldigd: vrijheidsliefde, kenniszucht, zin voor kunst, - niets ziekelijk bekrompens, niets bespottelijk vooringenomens, niet wat ons buiten het verkeer met de beschaafde wereld sluiten zou! -

Gij hebt het Leiden des poëets aanschouwd, het Leiden van den philoloog is aan de beurt.

Welke mag de tooverkracht zijn, waardoor het gehchrift, dat de tweede oordeelvelling bevat, ons bezig houdt, ons boeit, al heeft de beeldtenis voor die autobiographie geplaatst, niets innemends? - al zijn die vertrouwelijke mededeelingen zelve, ten deele, maar eene gedurige polemiek? Als gij het vorschende hebt opgemerkt dat deze anders flaauwe, zeker grijze oogen, iets sprekends geeft; als ge u bij dien lust tot onderzoek hebt verbaasd over het geslotene van de dunne lippen, van den kleinen mond, dan legt gij het portret onbevredigd ter zijde; - noch de grove haren, waarachter het wel breede maar niet hooge voorhoofd voor drievierde wegschuilt, noch de breedgevleugelde neus, door forschheid van bouw onevenredig met jukbeenderen en kin, wekken een zweem van belangstelling. Eene wijle moogt gij u verlustigen in dat verkeer met geleerden, wier wereld het boek voor u ontsluit, eene wijle glimlachend getuige zijn dier onwillekeurige zelfbewondering, van tijd tot tijd door eene hulde aan de verdiensten van anderen getemperd, maar toch nooit voor goed uitgedoofd; - tenzij ge tot het eerbiedwaardig geslacht der philologen behoort, wordt, gij het weldra moede gâ te slaan, hoe de schrijver ‘iut den dienst der Grieksche Muzen,’ zeggen zijne bestrijders, ‘tot dien van de Samothracische Kabiren overgaat;’ hoe zich bij hem, zou hij het uitdrukken, het geloof ontwikkelde aan eene Oostersche wijsheid, veel ouder dan die der Helleensche geschiedenis en dichtkunst. Gelukkig intusschen voor u, gelukkiger nog voor mij, dat ge niet als enkele verdienstelijken ten onzent den langen en zwaren togt, door de studie in eene halve eeuw sedert zijn optreden afgelegd, behoeft te zijn gevolgd; dat het volstrekt geen vereischte is van de hoogten door deze bestegen, - wie zou er mij op hebben gebeuld? - den weg

[p. CCXLIII]

naar de wieg van ons geslacht in Indië duidelijker voor zich te zien dan hij het deed, niet in de schemering des geloofs, maar in het daglicht der kennis, om te waardeeren wat ik wenschte dat ge met mij in hem genieten mogt: een eerlijk gemoed 't geen zijne indrukken getrouw en dikwerf niet zonder geest weergeeft. Ausdem Leben eines alten Professors, het boek vertelt ons ook, vertelt ons het uitvoerigst zijne jeugd; als bij zoo velen onzer overweegt bij georg friedrich creuzer, voor de nakomelingschap hoe hij wierd, wat hij was. Vast de tweede bladzijde van het werk verplaatst ons met den knaap in het Marbury van het laatste vierde der achttiende eeuw, brengt ons met het jongske, dat zijn vader in zijn eerste levensjaar verloor, in de beroemde St. Elizabeths-Kerk dier stad, den Lutherschen eeredienst bijwoonend, maar weinig luisterend naar dezen. Het viel ten goede te houden bij wat er hem omgaf. Hoe gaarne zou ik, voor de veraanschouwelijking der trekken van den grijsaard, op welke ik u misschien te lang staren deed, een omtrek van den hokkeling ruilen, in wien levenslust en mysticisme zich om strijd deden gelden; die, mijmerende, uren lang voort kon staren, als de koster de deuren der sacristy had geopend en Maria met het Kindeke te voorschijn was getrêen, - en toch ook, welke voorjaarsbuijen en najaarsstormen lente en herfst mêe mogten brengen, de manoeuvres van het regimentsgarnizoen in het vrije veld bewonderend gadesloeg, ‘al zuchtte moeder er om.’ Ik zou willen wederkeeren tot de kerk, tot de liefde voor studie der geschiedenis zijns lands, tot den zin voor gepeinzen over het volgend leven, in den dreumes ontwaakt, - mijn onderwerp verbiedt mij de uitweiding. Al wat mij hier is vergund bepaalt zich tot de aanbeveling, voor diegenen onder mijner lezers welke zich niet maar vermeiden in verscheidenheid van lectuur, die gaarne schetsen zien om deze te bestuderen of hun smaak er bij winnen mogt, tweemalen dat heiligdom te bezoeken, door naast de houtkoolschets van het Duitsche jongske de sapverfteekening eens Franschen pelgrims te leggen; door, als ik mij dus mag uitdrukken, het ontluiken des gemoeds te vergelijken met het bloeijen des geloofs. Creuzer leert in een tweetal bladzijden hoe men met weinig woorden groote gebeurtenissen voor den geest afschaduwt, creuzer leert hoe men stoute kunstscheppingen voor het oog oprijzen doet, creuzer leert hoe men gewaarwodingen

[p. CCXLIV]

heeft aan te duiden; de montalembert geeft die gedachte, geeft dat gevoel oven weinig met breed penseel of met pracht van kleuren weer, maar legt meer kunst van schikking aan den dag, meer innigheid van opvatting, meer diepte! Doch digt ga voor ons l' Histoire de Sainte Elisabeth de Hongrie en open des Hoogleeraar Deutsche Schriften, neue und verbesserte; wij zien hem weer als hij zich in zijne geboortestad, het breed geplooide gewaad om de leden, den benijden bef voorsteekt Gevoelt hij zich gelukkig op bijna dertigjarigen leeftijd dat toppunt van zoo veler eerzucht te hebben bereikt? is hij tevreden wanneer hij in, 1800 zum ausserordentlichen Professor der Griechischen Sprache, in 1802 zum ordentlichen Professor der Eloquenz und alten Literatur wordt benoemd? Twee jaren heeft hij de laatste betrekking in Marburg pas bekleed, of het antwoord luidt reeds ontkennend. Dewijl in het streven de prikkel schuilt, getuigt uwe ervaring; dewijl het geslaagd zijn lamzalig maakt; dewijl de betoovering wijkt naarmate de afstand die ons van het doel onzer wenschen scheidt inkrimpt, tot wij geen verschiet meer hebben! Hij was zijne betrekking moede, doch zoo min uwe wijsgeerige bespiegeling, als uw dichterlijk beeld verklaren het waardoor. Een jaar vroeger had hij zijn: Historische Kunst der Griechen uitgegeven: ‘Ich hätte das Buch auch jetzt noch nicht drucken lassen’ schrijft hij: ‘hätte ich nicht von Marburg weggewollt, oder vielmehr hätte ich nicht weggehen müssen. Diess hing so zusammen: Zu Marburg munsste ich, als Professor der Eloquenz, fast in Jahresfrist zwei Programmata schreiben, zwei Reden halten, und sechs sogenannte Memorien abfassen. Wie gut war es da für mich, dass ich mit Cicero, mit Muret und andern Humanisten ununterbrochenen Umgang gepflogen; aber das Alles wollte doch geschrieben sein. Wo blieb da das kritische Studium der Griechischen und Römischen Quellen? Da zu kam, dass jene Memoriën oder Biographien verstorbener Professoren ein unfröhtiches Detail von Familienpapieren, bibliographischen Notizen und dergleichen mit sich führten, die ich mühsam sammlen mussle; und dann sollten es Lobschriften sein. Die Familien sahen darauf. Bei manchen [wie bei Curtius, Tiedemann, Baldinger, Stein und Andern] gab es reellen Stoff zum Loben genug; auch den übrigen würde nachgerühmt, was nur irgend zu rühmen was. Man lieh

[p. CCXLV]

aber Gefahr, bei Manchem mit dem Lobe anzustossen. Von einem Mitgliede des hochehruwürdigen Oberappellationsgerichtes in Kassel hatte ich beifällig bemerkt, er sei als Professor der Theologie in Marburg von diesem Fache zur Rechtswissenschaft übergegangen, weil er jenes Lehramt mit seinen Ueberzeugungen unverträglich gefunden. Der verdiente Mann hatte Reisen in Frankreich u.s.w. gemacht, Voltaire's, Bahrdt's und ähnliche Schriften gelesen und wurde nun ein geschickter Jurist, vorzüglich im Praktischen. Nun lobte ich jenen Uabertritt, und meine noch jetzh, es sei sehr rechtschaffen gehandlet, wenn heut zu Tage mancker theologische Professor des gleichen thäte.’ (Ausdem Leben, u.s.w. Leipzig und Darmstadt, bei c.w. leske, 1848. Seite 33 bis 35.) Toepassingen te maken is mijne taak niet, en gaarne laat ik die den mannen wier betrekking er toe verpligt over. Vragen intusschen mag ieder, en daarom veroorloof ik mij, als creuzer voortgaat ons te vertellen: ‘Das war Vielen nicht recht,’ het ondeugende kromme ding te zetten achter: wenscht gij niet dat in de sedert verloopon zeventig jaren de nakomelingen dier Velen waren uitgestorven? Onze Hoogleeraar werd er niet minder voor zijne eerlijkheid om beloond; in de Chronologische Uebersicht seiner biographischen Skizze leze ik: ‘1804, creuzer geht als ordentlicher Professor der Philologie und der alten Historie an die Badische Universität in Heidelberg ab.’ Hij aanvaardde zijne taak in den nieuwen werkkring met liefde en lust, al zon hij anders gaarne in zijne geboorteplaats zijn gebloven. ‘Es hielt mir schwer, aus dem Kreise meiner Verwandten und Freunde zu scheiden. Jedoch, dachte ich, ein Professor muss wie ein Officier sich an 's wandernde Leben gewöhnen.’ Verre er van louter een boekenwurm te zijn geworden, had hij zijn open oog voor het schoone der natuur mêegebragt. ‘Der Frühling, die mich nach Heidelberg führte, war für miçh ein wahres Fest. An einem fremden Orte habe ich die Gewohnheit, mich auf einsamen Gängen möglichst selbst zu orientiren, und so war ich wochenlang in einem grossen Entzücken über die hohen Schönheiten der Natur, die hier auf allen Seiten vor mir ausgebreitet lagen.’ Was het voor een geest als de zijne geen genot, door den aanblik van dat landschap opgewekt, zich, ten behoeve van zijn auditorium, zich om deu wille der wetenschap in te spannen,

[p. CCXLVI]

weil der drückede Alp der Eloquenz von mir gewichen?’ Wat bleef er voor hem te wenschen over, gelukkig door zijn te huis, in de liefelijkste streek ter wereld gelegen, en hem dubbel dier door de beminde gade zijner keuze? gelukkig vooral, het geldt het leven van een geleerde, dewijl ‘die übrigen Fächer in Heidelberg ollmählich vollständiger wurden besetzt, und wenn jetzt Männer von grossem Ruhm und beträchtlichem Einkommen sich in ihrem Hauswesen auf's Einfachste einrichteten, so gab diess einen Ton in unser akademisches Sein und Leben, der ganz nach meinem Sinne war.’ Hij ontwierp met zijnen ambtgenoot daub de uitgave van beider tijdschrift Studien geheeten, dat bijval vinden mogt, dat eene reeks van jaren werd voortgezet: ‘wir hatten sie aus vollem Herzen dem ehrwürdigen karl friedrich, damals Kurfürst, gewidwet. Dieser edle Regent nahm nicht nur an allem wisszenschaftlichen Leben und Werken den grössten Antheil, sondern auch an dem Schicksale derer, die sich der Wissenschaften gewidmet hatten.’ Er is iets te zedigs, te verloochenend in het bewijs dat hij voor het laatste bijbrengt: door eene zware ziekte aangetast ondervond hij zelf, ‘so wenig auf meinem Leben beruhete,’ de belangstelling des Vorsten; en toch gebiedt de billijkheid er bij te voegen dat creuzer in zijne hulde aan karl friedrich nog mate houdt, vergeleken met de afgodeering van willem I door siegenbeek! Blijk bij blijk hoe vele vrienden hij zich reeds in zijne nieuwe woonplaats verwerven mogt, verrassen onzen Hoogleeraar en bespoedigen zijn herstel. ‘Ein philologisches Seminar wurde errichtet,’ de zorg voor de nieuwe instelling wordt hem opgedragen. IJveriger dan ooit geeft hij der bede gehoor ook Voorlezingen over Mythologie en Archaeologie te houden. winckelmann's schriften waarin hij zich, te Marburg studerende, reeds als in die van lessing, van schiller, van göthe had verlustigd, winckelmann wordt weder ter hand genomen Is het niet of dat viertal namen u de Deutsche Bildungs-Schule voor den geest roept, in welke de jongeling zich mogt vormen? - mijne mededeeling, welke autheurs hij ten behoeve der genoemde onderwerpen opsloeg, zoude geen belangwekkende groep uit het verleden doen opdagen. Geloof me, dat de schriften vele waren, uit allerlei natiën en tongen; dat hij bovendien begon romeinsche medailles en grieksche stadsmunten te verzamelen. ‘Ichfing jetzt an, die antike Numismatik als eine nothwendige Hülfs-

[p. CCXLVII]

wissenschaft selbst zur Mythologie zu betrachten. Daneben hatte sich meine Büchersammlung vermehrt; ich konnte nun ganz wieder meinen lieben Todten leben.’ Het ideaal zijns levens is verwezenlijkt, zoudt ge wanen; en echter, wat doet hem eensklaps naar een leerstoel aan eene andere Hoogeschool omzien? wat aan zijne vrienden von zentner en von savigny schrijven of Heidelberg hem onuitstaanbaar ware geworden? - Waarom, eindelijk, wendt hij plotseling den blik naar het verre Noord-Westen, waarom staart hij Holland in tot hij do koepel der Sint Pieterskerk van Leiden gewaar wordt? - Wisselzin? grilligheid? luim? maar heeft zijne beeldtenis dan het vermoeden bij u opgewekt dat iets van dien aard in hem schuilt? Hoor zijne verklaring: ‘Unterdessen waren jedoch manche äussere Umstände bedenklich geworden, und als damals ein zeitiger Prorector mir desswegen, weil ich auf den Wunsch des Curator einmal hier ein Programm geschrieben, sich berechtigt glaubte, mir nun wieder jährlich mehrere Programme und dergleichen aufzubürden, so glaubte ich, die ganze Marburger Eloquenz sei wieder im Anzuge, und dann war es um mein Quellenstudium geschehen, das eben jetzt neue Richtungen nehmen musste.’ Er is hier geen zweem van strijd tusschen het joviale en het mystieke, er is hier ernst in de opvatting zijner taak, er is hier bovenal eerlijkheid. En andermaal scheen het lot hem, uitzonderingswijze, gunstig te zijn; waar en waardoor dat gevoel ik mij gelukkig grootstendeels met de woorden van bakhuizen van den bbink te mogen zeggen. ‘Wyttenbach’ zoo schildert deze ons dien geleerde, in het Leiden van 1804-1810, werwaarts wij ons uit Heidelberg hebben te verplaatsen: - ‘Wyttenbach had,’ in die jaren zijns levens ‘de middaghoogte van zijnen roem bereikt, en wyttenback was praalziek, en had er behoefte aan als koning te troonen in het gebied der Oude Letteren. Van zijnen naasten mededinger’ (Mr. johannes luzac) ‘verloste hem do noodlottige ramp, die Leiden trof; met brunck was hij niet op den besten voet; de voortreffelijke vruchten der school van wolf en buttmann verwaardigde hij met zijne onverschilligheid. Zijn fraai en welklinkend Latijn, waarin hij alle onderwerpen van filologie en wijsbegeerte behandelde, was de staatsiemantel, dien hij in de Bibliotheca Critica voor het verbaasd Europa uitspreidde; zijne uitgave van plutarchi moralia zijne kroon; boissonade en de Ste

[p. CCXLVIII]

croix, de opvolgers van villoison, zijne heranten in eene taal, die door geheel Europa verstaan werd. Dat eene school die door zoo veel uiterlijk vertoon schitterde, de eerzucht der leerlingen moest prikkelen lag in den aard der zaak; maar wyttenbach bezat bovendien het talent zijne leerlingen te beheerschen, hen te doen deelen in zijne werkzaamheden en zelfs in de harts togten, waarmede hij zijne togenstanders bestreed, en zoo doende aan ieder hunner zijne plaats en zijn rang in zijn hof aan te wijzen.’ [Rede ter Nagedachtenis van Mr. John Bake. Te Amsterdam bij C.G. van der Post 1865. bl. 4 en 5.] Schort het aan die eigenaardigheden des karakters van wyttenbach dat wij in de letterkundige gedenkschriften van de bijna twee jaren, verloopen sedert zijn ambtgenoot luzac een voorgenomen vriendschapsbezoek op het Rapenburg met zoo schrikkelijk een dood had bekocht, nergens een blijk vinden dat men beproefde dien ledigen stoel te bekleeden? Siegenbeek rept er in zijne Geschiedenis der Leidsche Hoogeschool zelfs met geen enkel woord van; hij lascht de poging, welke ik zal vermelden, in de Toevoegselen en Bijlagen, als ware ook deze zijn geheugen ontgaan; - der Alte Professorerfuhr erst später dass v. heusde in Utrecht sie ausgeschlagen hatte.’ - Van den brink's onderwerp bragt mede, zeven jaren later eerst dan den tijd dien ik aangaf, naar een troonopvolger, niet naar een mederegent om te zien. De wereld der geleerden heeft hare mysteriën en intrigues als elke andere; zoo er in het verborgen blijven van deze iets loffelijks steekt dan mag zij er zich op te goed doen het daarin van de overige te winnen, Creuzer vermoedde het niet; creuzer vroeg er ten minsten niet naar toen hem, in December 1808, een brief verrastte van j. meerman (Directeur Général des Sciences et des Arts du Royaume de Hollande) - zoo als hij zich teekende, - of, ‘de wurm die nooit het licht zag,’ zoo als hij door bilderdijk werd in beeld gebragt; een brief waarin meerman hem vroeg: of hij geneigd zoude zijn het professoraat vroeger door luzac bekleed aan te nemen, indien Koning lodewijk de voordragt daartoe door hem te doen mogt goedkeuren? De Heidelberger Hoogleeraar aarzelde niet aan te nemen, Mich bestimmten die oben bemerkten hiesigen umstände;’ - programmata, redevoeringen en memoriën, - ‘beständig auf dem Paradepferde der Eloquenz zu

[p. CCXLIX]

sitzen oder das Historien-metier eines öffentlichen Schmeichlers zu verrichten.’ Ééns in zijn leven viel menig Fransch vernuft zijn Discours de Réception al zwaar genoeg; maar het gansche jaar door, maar gedurig welsprekend te zijn, tot à propos de bottes toe! dat werd zoo min in Leiden als te Halle gevergd. Er was meer dat aanlokte naar de Universiteit die op ruhnkenius en valckenaer had geboogd, ‘der Gedanke an die Leydner Bibliothek, mit ihren gedruckten und geschriebenen Schätzen,’ en, bovenal, die Hoffnung ‘in wyttenbach's Umgang mich weiter aus zu bilden.’ Welk een gezigt zou bakkes bij die laatste woorden hebben gezet! Creuzer was onder de oogen van zijnen oom bang in de bewondering wyttenbach's opgewassen; had de geleerde dien bloedverwant der faam niet aanbevolen? In de school wierd door hem de Bibliotheca Critica gelezen, het werk zonder weerga, dat ‘mich in einer heilsamen Stimmung von Demuth erhielt.’ Overdreven uitgedrukt, schijnt het u toe, opregt gemeend, durf ik beweeren; de verschijning van het Leven van Ruhnkenius mogt in 1799 heel Marburg verheugen, wel anders deed zij hem aan. ‘Sollte ich nicht über ein Gemälde der Philologie und ihrer grössten Meister erschrecken, wenn ich in meinen Busen griff?’ - De gedienstigheid van vriend of vijand brengt een der eerstelingen van creuzer, brengt zijne Herinnering aan Curtius onder de oogen van wyttenbach; gelukkig vinden manier en latiniteit genade, doch het Grieksch is zonder accenten gedrukt! o zelfverwijt, zonder einde! Een menschen leeftijd later zou geel, op eene drukproeve, den zetter, die streepen en teekens verkeerd had geplaatst, schertsend gispen met de opmerking dat geen soldaat zijn wapens scheef mag dragen; maar wyttenbach met den staatsiemantel, wyttenbach die de kroon op had! ‘Ich hatte von meinen früheren Geistes-producten eine so geringe Meinung und von wyttenbach eine so hohe, dass ich mich erst im Sommer 1808 entschloss, ihm meinen Dionysus zuzusenden, und dies war auch mein erster Brief an ihn, worin kein Gedanke an eine Professur in Holland vorkam.’ Hoe zou bakkes hebben uitgeroepen: de regte stemming om adjudant te worden bij zijnen staf! Hoe zou hij aan het wat ruwe maar welgemeende woord de waarschuwing hebben gepaard: zie toe op welke wijze gij u zult handhaven tegenover eene heerschzucht die luzac het leven verbitterde. Handhaven! had hij er op laten volgen

[p. CCL]

creuzer met een blik metende, creuzer in gedachte vergelijkend met den man wiens karakter meer nog dan zijn kennis de koelte van zelfs matthijs siegenbeek voor warmte wist te doen wijken, al sloeg er daarom de vlam nog niet uit! Intusschen, geniet liever door het opslaan der aangehaalde Rede, door de lezing van het gansche stuk, de hulde die van den brink in zijne tegenstelling der beide ambtgenooten zoo hartelijk aan luzac heeft gebragt; sla met hem gade hoe beide de vrede van het landleven en de vrede van het gemoed van wyttenbach's villa te Oegstgeest zijn geweken; en laat mij creuzer luttel jaren later Holland binnenleiden. Ergeren zal het mij niet, zoo gij er mij zelfs eene wijle om begeeft; zoo gij, eer ge verder leest, uwe hand uitstrekt naar het Ausdem Lebeneines alten Professors om de opvatting van vreemdeling en landgenoot te vergelijken, om de studie te besluiten met den wensch: och dat de merkwaardige mannen ten onzent, wat meer aan de nakomelingschap hadden gedacht door ons gedenkschriften na te laten! Creuzer - wij ontmoeten elkander na uw uitstapje weder, - creuzer was met wyttenbach overeengekomen, op welke bezoldiging hij aanspraak maken mogt, - creuzer had zijn intreêrede naar het hem door wyttenbach opgegeven thema gesteld, - creuzer dacht in de Paasch-vacàntie herwaarts te reizen, - maar nog altijd bleef de officiëele beroepingsbrief uit! Welke mogt de reden dier vertraging zijn? Onze autobiographist is op zijne beurt geheimzinnig in toespelingen, op een hollander die misschien waardiger dan hij werd geacht de plaats te bekleeden, - op een gerucht als zoude hij te zijnent tegen de rust van den staat hebben zaamgezworen, - op een getuigschrift van goed gedrag te zijnen behoeve van zijne vrienden verlangd. ‘“Ich sei als ein Mann dargestellt, qui a mis le feu au milieu de l' Allemagne.”’ Zie zijn portret aan, of gij er een zier van gelooft! Indien er iets van aan ware geweest, zegt hij opregt, hij zou het nu kunnen bekennen; sints den val der Napoleoniden kon het hem eine Art von Relief geven, ‘Jedoch meine historische Muse muss ganz demüthig berichten, wie der Professor creuzer damals zwar den Kopf voll von Numismatik, Leydner Bibliothek und Holländischer Philologie, hatte, aber gegen Napoloen und seine Alliirten eben so wenig conspirirte, wie gegen den Kaiser von China.’ Ook reisde hij des ondanks af; en in Darmstadt gewierd hem, in optima forma, de

[p. CCLI]

benoeming door Curatoren naar eisch van het groote zegel met de gekruiste sleutels voorzien. Ook reisde hij voort, al was de ware lust voor den nieuwen leerstoel reeds van hem geweken, die zich intusschen, door onvoorzigtig gebruik van Wiesbaden's warm bronwater, eene ongesteldheid op den hals haalde. Ook reisde hij voort, aan de oevers van den Rijn naar lijf en ziel opgebeurd, dank zij de verheven natuur, dank zij het belangwekkend gezelschap; eenige dagen te Coblenz zich verlustigende, eenige dagen te Keulen koutend. Ook bereikte hij eindelijk het doel zijner reize, onzen geboortegrond, - en nu zijn oordeel over het land en de lieden! Was de leerling even partijdig als de meester? Kleefde aan creuzer hetzelfde gebrek als aan wyttenbach? zag de geleerde uit Marburg als de burger van Bern ‘met opgetrokken wenkbraauwen neder op hetgeen bij ons nationaal was?’ Gekrenkt door de wijze van ontvangst, ongesteld bovendien, had men hem in het eerste oogenblik veel ten goede mogen houden - maar er wordt geen pleidooi vereischt; zie hier de schets die hij van ons geeft: ‘In Holland dann - feine Städte, hübsche Leute - aber ich konnte keinen mythologischen Gedanken fassen in dem flachen Lande. Auch an dem Gestade der sonst so poetischen See waren die Französischen Telegraphen keine Obelisken der Sonne, und die Englisch Wachtschiffe keine Delphine.’ Onze prikkelbaarheid zou voorbeeldeloos moeten zijn, zoo wij ons ergerden aan de klagt dat wij niet allen philologen waren als wyttenbach, of het ons aantrokken dat de man ten onzent de liefelijke kronkelingen van den Neckar, het schilderachtig uitzigt op den bouwval van das alte Schlosz, miste: ‘Dazu sagten mir Luft und Lebensart nicht zu. Ich kränkelte immer mehr.’ Hij keerde naar Heidelberg terug! - als Leiden er wrok over voedde, hel moet verzoend zijn geworden door de woorden van den Freiherr von reizenstein, toen creuzer zich bij dien minister verontschuldigde eene roepstem uit den vreemde te hebben gehoor gegeven. ‘Freilich sagte ich mir, dass die Zumuthung, eine philologische Vocation nach Leyden gerade auszuschlagen, ohngefähr eben so viel sein würde, als dem Marin irgend einer Nation zuzumuthen, den Antrag zu einer Admiralstelle in der Englischen Marine von der Hand zu weisen.’ Vleijender vergelijking kon het Ba-

[p. CCLII]

taafsch Atheen in den aanvang dezer eeuw van geenen vreemdeling verlangen!

Het Leiden uit den nacht onzer volksvernedering mogt zich in de schatting der wetenschappelijke wereld hebben gehandhaafd; het Leiden van het herboren Nederland den jongeling, die van verre den blik naar zijne tinnen wendde, stralend toeschitteren, toch was het doel der studiën reeds in de dagen, welke om zijnentwil weder voor ons aanlichten, niet langer louter geleerde te worden: ook ontwikkeld in meer dan eenen zin, gevormd voor velerlei maatschappelijke betrekkingen, door algemeene beschaving in een woord in staat gesteld, waar ook geplaatst, den fakkel des lichts met vaste hand op te heffen en hoog te houden. Al viel de vervulling dezer eischen grootstendeels van de hoogleeraren te vergen, niets onredelijkers dan dit van hen geheel te doen. Eene andere is de wereld der professoren, eene andere die der studenten; ondanks den vriendschappelijken hand, waardoor de laatsten zich aan de eersten gehecht mogen voelen, als het woordeke moeten u voor dergelijke genegenheid te hard klinkt. Het blijde voorjaar met zijn vlinders zwevende van bloem tot bloem, en de drukkende zomerhitte, door de bijen getart om den korf met honig te vullen; - de zoete vaag des levens, overvloeijende van verrassingen wat al krachten, wat al lusten, wat al gaven ons zijn bedeeld, en de tijd van den ernst die allengs zijne schaduwen over dat zonnig tafereel voortschiet, als wij ervaren dat aan die alle grenzen zijn gesteld, nooit straffeloos overschreên; - eindelijk, voor wie het wagen dit in hunnen overmoed te doen, de wilde vlagen des storms, en, ja, de stilte die er op volgt, maar ook de afmatting welke zelfs hij gevoelt, die in de worsteling mogt zegevieren; - zet zelf de tegenstellingen voort door de beide toestonden voor het grijpen prijs gegeven. Voor mij, wanneer zou ik eindigen, zoo ik mij niet spoedde tot de vraag die mij op de lippen kwam, als ik mij verbeeldde de jeugd aan de voeten der getabberden te zien zitten, luisterend naar de lessen haar gegeven, - maar luisteren en lessen toch bijwijle moê. Welke was zij? vraagt ge; zij luidt aldus: ‘Wat had Leiden omstreeks het eerste derde dezer eeuw voor gezellig verkeer in anderen dan haren eigenen kring, wat genoegens vooral had het haar aan te biên ? Vat het leven op zoo als het u lust, dat het een onver-

[p. CCLIII]

regt, ouder, zoo die titel aan tijdsverloop ontleend bij u voor den hoogsten geldt, ouder dan de aanspraak van ons Atheen de school van de bloem des volks te blijven, omdat het dit reeds zoo lang is geweest. Of ik mij echter aan hare beantwoording zou hebben gewaagd, verre als ik bleef staan van den drempel des heiligdoms, slechts de stilte hoorend om zijne toegangen heerschend, - of ik die zelfs zou hebben beproefd, somber te moede als ik bij het binnengaan der grijze veste ben geweest, den indruk ter prooi dat het stappen van de trede des spoorwegrijtuigs voor haar station het afscheid mogt heeten uit de wereld van onzen tijd, dag aan dag voor nieuwe behoeften nieuwe bevredigingsmiddelen verlangend, - wie die mij kent, die het gelooft? Eene opmerking welke ieder er heeft gemaakt, een omziens twijfel, dat elk er bang viel, droefgeestig mogen ze hebben gestemd, tot oordeel vellen stelden zij niet in staat. Herinnert gij u beide? Ons volksleven aan den avond der negentiende eeuw heeft weinig gemeens met dat onzer voorvaderen bij het ter kimmen gaan der zestiende, - als het Leiden des verledens door de toenmalige burgerij eigenaardig werd gestoffeerd, viel in het Leiden van het hellen der hoop des vaderlands een tooneel harer waardig ten deel? Wenscht gij het in betrekking tot den student wiens biographie gij ter hand naamt, juister uitgedrukt: welk een verschil in de eischen der jonkheid tot wier onderwijs en oefening in zedelijkheid, wetenschap en geleerdheid’ Prins Willem de 1ste aan de hem getrouwe sleutelstad octrooi verleende, en die der jongelingschap voor welke ‘de herstelde en uitgebreide’ Hoogeschool, door de gunst van Koning Willem, de eerste van dien naam, ‘plegtig werd ingewijd.’! Tusschen de beide werelden onzer dagen, de oude en de nieuwe, is meer overeenkomst, dan eene vergelijking der zeden van het eene tijdperk met die van het andere, dan die van vroeger en later begrippen aan het licht brengt; zoo de stad als zetel der wetenschap in het eene luttel te wenschen overliet, beveelt zij zich ook in het tweede als kweekplaats der kern onzer zamenleving aan? Gedachten als deze gingen voor uwen geest als voor den mijnen om, schoon zij tot geene beslissing der vraag mogten leiden; de gegevens waren te onvolledig om ook den vermetelste driest weg vonnis te doen wijzen. Voor vijf lustrums echter is het onderwerp alreeds door een tweetal bevoegden, even grondig als geestig, toegelicht uit beider

[p. CCLIV]

overvloed van ervaring. Leen beurtelings aan dezen en aan genen het oor; aanschouwelijker valt de Akademiestad niet voor te stellen dan zij ons door het meesterlijk penseel van den eerste wordt geschilderd. Van zelf brengt de aanhef u over in den tijd toen men Achttien Honderd Veertig schreef: ‘Als de Leidsche Student, na de groote vacantie, met den wagen van Van Gend en Loos, Veldhorst en van Koppen, Surig en Koens, naar de Academiestad terugrijdt, hoe moet zich niet zijn hart, als een teedere bloemknop, vrolijk opensluiten, zoodra hij weder het erf zijner vrijheid aanschouwt, dat, met zijn torenspitsen en aangename buitensingels, uit den sehoot, eener zee van groene weiden voor hem opdaagt in het v́erschiet! Ja, liefelijk en vruchtbaar en mild is de plek waar 't zoet Leiden gesticht werd, met prachtige lusthoven getooid, omgeven door een slinger welvarende dorpen! zij, Rijnlands hoofdstad, waar de vetste melk vloeit, het blankste vleesch wordt gehouwen, de keurigste boter en de geurigste kaas bereid worden! Maar de trompet van den Conducteur laat zich hooren, de jongeling begroet hetzij de Hoogewoerd, het Noordeinde of de Beestenmarkt. Ach! hoe moet dan zijn boezem zich niet op het onverwachtst toenijpen! Dat edele, dat magtige Leiden, die kroon des lands, is, helaas! dat edele, magtige, bloeijende Leiden sedert hoe lang reeds niet meer. Zijne verbeelding, door de dampen van den postwagen beneveld, had een droevig anachronismus begaan. Leidens welvaren heeft immers uit. Dat uurwerk is afgeloopen. De nijverheid ligt er met gebroken wiek treurig te zieltogen. Het is de stad der luiheid, der vadsigheid geworden, der over elkander geslagene armen, der duimpjesdraaijerij.’ Er werd in die dagen moed vereischt om zulk eene stelling te doen aanslaan; ten einde haar te staven faalden den autheur de bewijzen niet. Geboren te dier stede en er studerende om een boek te schrijven dat hij op mogt dragen: ‘Aan allen die het wèl meenen met de Leidsche Hoogeschool, aan Ouders en Voogden’ had hij de oorzaken der krankte uitgevorscht; had hij de geneesmiddelen, er voor toegediend, getoetst. Onverholen gaf zijn harte de deernis lucht welke hem het telkens verder om zich grijpen der eerste inboezemde; onverholen vierde zijn geest de ergernis bot, opgewekt door de dwaasheid die zich van de laatsten heul beloofde. Verval door veronachtzaming, - verval, door armoede en luiheid gestijfd, in be-

[p. CCLV]

deeling aangekweekt, - verval door ontaarding onzer hoogere standen verweekelijking, gemoedelijkheid, zeurzucht, - geene zeere plek, die hij niet aanwees. Enkele dier schrikwekkende verschijnselen zijn sedert geweken, maar omstreeks het eerste vierde dezer eeuw beloofde niets de beterschap. De slapenden te hebben wakker geschrikt moge de voldoening des roependen zijn, het toenmalig Leiden is ons onderwerp, het Leiden van tien jaren voor dien tijd. Hoe vertoonde zich de stad aan zijnen blik in betrekking tot de studie? ziedaar de vraag op welker beantwoording hij ons niet laat wachten. ‘Om alle deze redenen nu, welke van Leiden eene vervallen stad maken, juist omdat er noch vertier noch weelde is, omdat er alles stilstaat en druilt, omdat er alles leeg is en naar, omdat er in één woord geenerlei soort van afleiding bestaat, is Leiden bij voorkeur de meest, geschikste stad tot de werken des geestes; het draagt de zuiverste kenmerken eener Academiestad, en daarom alleen zal de volheid zijner vernieling niet vervuld worden. Daar geene vereenigingen, geene bals, geene vermaken der groote wereld, die den kostelijken avond rooven; geene beroemde toonkunstenaars die de vurige jongelingschap naar de concertzaal trekken; geene pantoffelparades, die haar dwingen tot het uithangen van alle wimpels; geen stoet van fiere paarden en glinsterende rijtuigen, die haar ter kostbare mededinging uitlokken; geene talrijke maagdenschaar, wier schoon zij maar al te vaak alle degelijkheid, allen ernst opoffert. In Leiden moet men werken en zijn heil zoeken onder zijne vrienden of op zijne kamer, en die het anders verkiest is er misplaatst, rampzalig en gaat er wiskunstig zeker te gronde. Geene uitkomst voor den lediglooper, den saletjonker; geene verstrooijing tegen de verveling, die bestendig door de stad waait, dan de wetenschap en de Muzen! Met eene wandeling in de omstreken houdt alles op, men is wel tot den arbeid gedwongen. - Laat ons dan in 's Hemels naam arbeiden! zucht de jonge Student. - En allengs wordt hem zijn vak een lust en Leiden eene redding.’ [Studentenleven, door Klikspaan, Augustus 1841. Februarij 1844.] Acht gij door dit welsprekend betoog het pleit voldongen? Verkeert ook voor u de weerzin, die verveling opwekt, in een waarborg voor studie? Belooft het middel, anders dan bij uitzondering, beterschap? Er is aan getwijfeld; en dien twijfel, tot loochenens toe gestegen, wensch ik

[p. CCLVI]

het woord te geven, opdat het ‘hoor en weder hoor’ zijn volle regt weervaar. Wie was hij die de bedenkingen opperde, er toe bevoegd zoo wel door verblijf in die stad en verkeer in hare verscheiden kringen, als door verstand en vernuft hem om het zeerst bedeeld, zoodat hij het eerste nooit door het laatste verrassen liet, en zijn spiegelende stijl echter vonkelde? Och, wat beproeve ik, met andere woorden zijne beeldtenis weer te geven, dan die door bakhuizen van den brink werden gebezigd voor het grafschrift den vroeg ontslapene gewijd! (Algem. Konst- en Letterbode, 31 Oct. 1857 pag. 345.) ‘Eene zeldzame vatbaarheid nam het geleerde gemakkelijk op:’ - al wat zijn voortreffelijke vader hem van de klassieke schrijvers des Nieuwen Tijds mededeelde, al wat de dichterlijke vriend van dezen hem uit den schat zijner studie der Ouden ten beste gaf, - ‘een gewillig geheugen behield er van hetgeen door een schrander oordeel was gezift;’ voor 't welk de leiding van beide meesters echter volstrekt geen leiband bleek. ‘Hoogts ontvankelijk voor elken indruk, prikkelbaar tot vrouwelijke grilligheid toe door al wat schoon of nieuw of verrassend was bleef in dien vloed van denkbeelden en gewaarwordingen, welke de ervaring van den dag hem toevoerde, zijn hoofd steeds helder,’ Onder de begaafdsten onzer iets zeldszaams, kenschetst de laatste trek Mr. g. de clercq bij uitnemendheid. Hij beoordeelde Klikspaan's Studentenleven, en bewonderde de schets waarmede de verzameling wordt geopend, de Academiestad, als ‘de keurigste, de meest afgewerkte’ van de reeks; maar verheelde daarom wat er hem minder gelukkig in toescheen niet. De eerste opmerking gold des Autheurs oordeel over den toon der Leijdsche gezelschappen, in eene volgende teekening, waaraan ik later eenige trekken ontleene, door gisping bij gisping verzwaard; het billijkheidsgevoel van den recensent kwam boven. Hij, die in een talrijken gastenkring zich nooit van het woord meester maakte, maar toch steeds zooveel wist bij te dragen, dat ge u den volgenden ochtend zijne gedachten het levendigst te binnen bragt, dat zij u lang na dezen nog bijbleven; hij, die de zwaarder toets van gezelligheid, een gesprek met u alleen belangrijk en boeijend te maken, zegevierend doorstond, lui, qui savait causer, of alles voor dien geest in kristal verkeerde, even doorzigtig als schitterend; hij had er geen vrede meê dat eene eukele stad werd beschuldigd van een euvel waaraan schier elke

[p. CCLVII]

harer zusteren ten onzent evenzeer leed. ‘Onze Landgenooten zijn over het geheel niet gezellig. Wij begrijpen het, dat de eischen welke de fijne maatschappelijke vorming van klikspaan hem ten dezen ingeeft, wier verwezenlijking hij misschien hier en daar in den vreemde genoot, bij de zoo uitsluitend huisselijke richting onzer natie (eene richting, waarover wij ons dikwerf zoo uitbundig prijzen, schoon de oorsprong egoïsme is en de gevolgen verlammend en verdoovend op ons volksleven werken) weinig bevrediging vonden; maar wij spreken het hem tegen, wanneer hij die verklaarbare ontevredenheid zoo bitter aan het arme Leyden laat ontgelden; wij voor ons hebben Leyden in een tijd gekend, toen het geringe aantal gegoeden en aanzienlijken in aanmerking genomen, die in de verarmende en uitterende stad bleven wonen, het niveau der gezelligheid er volstrekt niet lager was dan elders.’ Waarom zoudt gij het niet up zijn woord gelooven? al valt bij de groote heuschheid eenige dankbare herinnering in aanslag te brengen, hoe welkom de beminnelijke er alom en altijd was geweest! Eene andere, de tweede grieve tegen Klikspaan's wijze van beschouwing was van meer gewigt; bij de beantwoording der vraag: of Leiden de ware Academiestad mogt heeten, kwam hij tot eene slotsom geheel van die des Autheurs verschillend. Ik volgde straks maar zijn voorbeeld in het overnemen des betoogs voor die stelling; ik ben u de mededeeling schuldig hoe hij haar wraakt, als hij eerst het talent heeft gehuldigd waarmede zij werd verdedigd. ‘Keurig uitgedrukt! overredend voorgesteld’ luidt zijn tegenpleit: maar onwaar! Bij wien lust tob studie, belangstelling in de wetenschap, of slechts vatbaarheid daartoe aanwezig is, achten wij de aanwakkering van dien lust, de opscherping van die belangstelling, de ontwikkeling van die vatbaarheid, gelukkig niet zoozeer onderworpen aan den gang der omstandigheden, dat die gaven gevaar loepen bij de minste aanraking van buiten uitgedoofd en weggevaagd te worden. Integendeel: hoe meer de ziel telkens, waarmeê dan ook, bezig is, hoe meer hare vermogens door dagelijksche schuring in werking blijven, des te minder gevaar is er voor verroesting en verslapping. Voortdurende eenzaamheid en afzondering kunnen niet anders dan een verlammenden invloed oefenen; - de gelukkigste gaven, de heerlijkste talenten ontwikkelen en vormen zich in de groote steden, die brandpunten

[p. CCLVIII]

der beschaving. Wie zich uit verveling, faute de mieux, aan de studie begeeft, loopt gevaar, dat de resultaten zijner werkzaamheden de kenmerken der aanleiding zullen blijven dragen.’ (Gids, Achtste Jaargang Iste Deel, Boekbeoordeelingen 1844. bl. 719-721.)

Als göthe ons in Wahrheit und Dichtung vertelt hoe verlangend hij, zijn zeventiende jaar naauwelijks ingetreden, den St. Michaël te gemoet zag, waarop hij naar Leipzig, naar de Academie zou vertrekken; als hij er bijvoegt dat hij, toen die dag eindelijk was aangelicht: ‘mit Vergnügen abfuhr, und die werthe Stadt, die mich geboren und erzogen, gleichgültig hinter mir liesz, als wenn ich sie nie wieder betreten wollte’ dan zijn we andermaal jong met hem: we hebben slechts oogen voor het verschiet. Waarom gunt hij ons dat genoegen zoo kort? waarom blijkt hij het, in dat overigens onnavolgbaar boek, in dit gedeelte maar zoo zelden? ‘So lösen sich in gewissen Epochen Kinder von Eltern, Diener von Herren, Begünstigte von Gönnern los, und ein solcher Versuch, sich auf seine Füsze zu stellen, sich unabhängig zu machen, für sein eigen selbst zu leben, es gelinge oder nicht, ist immer dem Willen der Natur gemäsz.’ Het is de grijsaard die bespiegelt, in plaats van den jongeling die geniet: we zijn van zeventien eensklaps zestig geworden. Eene halve eeuw is verloopen sedert Aus meinem Leben het licht zag; tot geen prijs zouden wij de schets willen missen van het echtpaar dat de voltooijing op zich trachtte te nemen van wat göthe's vorming te wenschen overliet: de hofraad-hoogleeraar die van hem een jurist wilde maken en zijne ega wier scherts noch met zijne garderobe noch met zijn dialect vrede had. Even weinig zouden wij afstand willen doen van zijn hoofdstuk over den toestand der Duitsche Letterkunde van die dagen, dat gelegenheid geeft ons zijn eersten arbeid te doen kennen; of van het verhaal zijner kennismaking met den origineelen behrisch en de biecht over den invloed door dezen op hem uitgeoefend, waartoe het verlokt. Wie heeft zich niet verlustigd in dat uitstapje naar Dresden om den wille der galerij? die hem met de oogen van ostade den schoenflikker leert zien, bij wien hij zijn intrek genomen heeft, - doch laat mij ophouden het gegevene te prijzen opdat mijne klagt over het onthoudene niet onbillijk schijne. Inderdaad is zij er verre van. De Auerbach's Keller in Leipzig,

[p. CCLIX]

de liedjes van Brander en Mephisto, zij geven in beider ruwheid beter kijkje op studenten van die dagen dan Wahrheit und Dichtung ons gunt in zijnen even klaren als keurigen stijl; bovendien göthe's eigen brieven uit dat tijdvak, sedert verschenen, verplaatsen in die wereld eerst geheel. Aan alle hoe volledige herinneringen, ook van het grootste genie, ontbreekt het frissche van dadelijk weêrgegeven indrukken; te schaars wint het de mezzo giorno waarin de eerste de voorwerpen plaatsen, waardoor zij die schikkende afronden, waardoor zij die ordenen, het van den vollen dag, in welken de laatste zich van ons meester maken, en, ondanks alle schijnbare verwarring door overvloed, wat ons het meeste treft toch het sterkste doen spreken. göthe's Italiänische Reise moge weldra behooren tot de werken voor honderd jaren geschreven, geen beter wegwijzer nog op het gebied van tweëerlei kunst dan die gedachten en gewaarwordingen op de plaatsen zelve den eigen dag geboekt; maar vast te veel, maar voorzeker genoeg om van den brink gelukkig te prijzen, dewijl zijn biographist voor eene studie des verblijfs te Leiden, zich niet louter met heugenissen van vrienden heeft te vergenoegen, dewijl zijne eigene mededeelingen, uitvallen, klagten, wat ge die noemen wilt, bewaard zijn gebleven. Er wordt van den steller dezer bladzijde schier geen anderen arbeid vereischt, dan aanvullende en toelichtende uit die brieven to putten; als in werk van dien aard eenige verdienste kan schuilen, welke mag het zijn dan den moed te bezitten zijn vriend waar weer te geven, hetzij die looft, hetzij die laakt? dan het niet verheelen van veel verkeerds ook waar hij veel voortreffelijks vermelden mag? Ik leg de verklaring mij dien bewust te zijn slechts af, om er eene bede op te laten volgen. Dat noch de Academie, noch de betrekkingen van hare toenmalige Leeraren zich mogen ergeren aan wat deze of gene zijner uitingen voor hare of hunne ijdelheid misschien krenkends heeft! Verre er van daarin orakelspreuken te vereeren, geloof ik dat zij als wenken en wenschen verdienen te worden gehoord en gewogen, opdat wat er gegronds in steekt een volgend geslacht verder brenge dan hij het zijne vond.

‘Op de Breestraat, bij het Rapenburg, bij thomas, een koopman in steenkolen,’ daar begon das Leiden van onzen Leidschen student. Al mogt het veertig jaren geleden zijn, het kostte weinig moeite het huis weêr te vinden, toch voelde ik mij teleurgesteld

[p. CCLX]

toen ik er voor stond: het scheen herbouwd. Aan de zindelijke stoep, aan de spiegelglad gelakte deur, aan de hooge vensters met groote, heldere glasruiten verbond zich niets dat naar de brandstof zweemde, welke, hoe ook vervoerd, overal haar spoor achterlaat, eene wijle glinsterend en dan morsig zwart. Doch waarom droomde mijne verbeelding nog van thomas? had men mij, als tegenwoordige eigenaar en bewooner, niet den Heer de vassy genoemd? Trots alle behouders is wisseling de wet van het geschapene; en had ook hier verandering vooruitgang gewaarborgd. Grootsch was een nieuwe gevel voor de vroeger onaanzienlijke woning verrezen; de opengaande deur gaf in den gang vloersteenen te zien zoo glanzig geschuurd als de blik van bakkes er daar nooit had aanschouwd. Echter was de ombouw geen volkomene geweest; ‘mijne zijkamer is een opkamer’ plagt de Amsterdamsche jongeling te zeggen als hij in de hoofdstad van zijn verblijf te Leiden sprak; en zie, dat voorhuis had nog geen ander toegangsmiddel tot het vertrek aan de straat dan een trapje van drie treden voor de deur geplaatst, een ligt verdraagbaar, allerbewegelijkst trapje. Was het wonder dat studenten, liever dan eerst te worden binnengelaten, en dan dien klim te beproeven, in zekere oogenblikken, een der ramen aan de straat opschoven en met een enkelen zwaai door deze instoven? Gaauwer gezien dan beschreven sloeg ik, - onder wiens gewigt dat waggelende voertuig gelukkig niet was bezweken, - dank zij de heusche vergunning des Heeren de vassy, de kamer gade, terwijl deze mij de lotgevallen van het huis mededeelde. Leende ik hem maar ten halve een luisterend oor? hij houde het mijner verbeelding ten goede; voor haar zat noch hij noch ik aan die tafel te praten; voor haar was het bakkes die naar de kasten tegenover de ramen ging; die in de diepten van deze, bij zijne aankomst, zijnen boeken voor zoo korte wijle in een zweem van orde plaats gaf. Hoog bleek de zoldering en breed waren de wanden in tegenstelling met zijn vertrekje in het huis de Beeck, hier viel een schoorsteen te zien dien ge daar slechts vermoeddet; maar waartoe op de aanzienlijker ruimte gewezen, op het grooter getal stoelen, op menige geriefelijkheid die bij vergelijking ten voordeele voor Leiden spreken, toch is het harte des jeugdigen bewoners niet hier, toch is het te Amsterdam. Om den wille zijner ouders? wie is er die het vergt? Vader tegen vader en moeder tegen moeder was de

[p. CCLXI]

Duitscher van wien ik straks gewaagde, die het licht zag aan de oevers van den Main, in ieder opzigt milder bedeeld dan de Hollander in de stad aan het Y geboren; steil en stokkerig mogt der alte Herr Rath zijn, hij wist van wetenschap, wist van kunst; en die junge Frau Rath hebt gij haar niet lief? zij, jeugdig van harte als haar kroost! Wolfgang had eene zuster - bakkes was alleen; - zoo de Leipziger student des ondanks, die allen vergetende, zich in zijne vrijheid verlustigde, waarom zou het den Leidschen niet vergund zijn geweest desgelijks te doen? Het was er verre van; en toch schortte het niet daaraan, dat in de beurs van den eerste de Louis d'or's overvloeiden, dat in die van den laatste de Willempjes schaars bleken; als Jan Contant den Amsterdammer geen ruime baan maakte, Jan Crediet wachtte hem overal buigende op. Laat ons intusschen vroegere en latere toestanden vooruitloopende, niet met elkander verwarren; we zijn eerst in October en November 1831; ik smelt drie klagten tot eene jeremiade zaam. Arm Leiden! ‘alles,’ luidt het in den eenen brief, ‘alles tot zelfs het papier toe, is te onfideel om aan een goeden vriend te schrijven;’ - in den anderen epistel: ‘gij kunt u niet voorstellen hoe dor en koud het in den beginne aan de Leidsche Academie is,’ - in den derden: ‘Ledigen tijd om u te schrijven had ik genoeg, in de eerste weken zelfs meer dan mij lief was, maar daar niets zoo doodelijk is, geloof ik, voor verstand en gevoel als verveling, ging het niet aan u in die uren van landerigheid te kwellen.’ Hij gevoelt zich alleen, - hij mist de makkers die hij prikkelde en die het hem deden, - hij betreurt de hoofdstad met al het belangwekkende, al het boeijende dat zij, zelfs op maar eene wandeling, pleegt aan te biên. Schoon vier jaren ouder dan gothe had hij geene weelde gesmaakt, als dezen in de wijle verkeers met gretchen ten deel viel; maar wist hij ook niets van den weêrzin waarmede het bestuur eener groote stad, waarmede maatschappij en wereld dien vervulden, sedert haar beeld zoo somber in het verschiet wegdeinsde. Er is iets naïts in zijn jammeren. ‘Het verlaten van mijn ouderlijk huis, waarin ik zoo vele onverdiende zorg en goedheid genoot,’ - zonderling bijvoegelijk naam-woord, als mogt het kind op beide geen aanspraak maken! - ‘het verlaten mijner vrienden, die zoo voordeelig op mijne vorming hebben gewerkt,’ - hij schat den wedijver op zijne regte waarde, -

[p. CCLXII]

‘het verlaten van Amsterdam, waar mijn eerzucht misschien te veel werd gevleid door don invloed dien ik op oudere studenten bezat;’ - hij schijnt zich de zelfkennis tot taak te stellen - ‘geven mijn bart eene ledigheid die gij gevoelen kunt.’ Eere zij thomas in zijn graf! ‘wel is mijn logies goed, wel is mijn hospes een best man,’ - eere aan de Amsterdamsche vrienden en kennissen, ‘die hem trouw komen bezoeken, allebé, en van beeck vollenhoven en spengler;’ - maar zoo hij er geen beeld voor weet ‘hoe hij inéénzakte bij het vertrek van jan commelin, die hem te Leiden bragt, die drie dagen bij hem logeerde,’ op mijne beurt zoek ik vergeefs naar eene eigenaardiger uitdrukking voor zijnen toestand in die eerste weken, dan de woorden welke hij zelf er voor bezigt: ‘voorts heb ik gloeijend het land.’ Valt dan het kennismaken in dien drom jongeluî zoo moeijelijk? blijkt er met geen enkele dergenen welke hem uit Amsterdam voorgingen, naauwer betrekking aan te knoopen? Iets toeschietelijks, de gave zich gemakkelijk aan te sluiten, ten opzigte der eersten vereischt, zij werd hem door de natuur niet bedeeld; - al vast het doel huns strevens digter genaderd dan hij, heeft de stemming der laatsten niets van de zijne meer: ‘wij leven in de werkelijkheid!’ Om den wille zijner geboorte, om den wille zijner hooggeplaatste bloedverwanten zich grootscher toekomst voorspiegelend dan ons burgerkind hem beschoren acht, vreest deze dat zijne geniale uitvallen ‘hem zouden compromitteeren in kringen die: attitude is every thing tot zinspreuk kozen;’ te verkeeren met een jonkman als bakkes, die driestweg: zijn en niet schijnen, in zijn vaandel voerde, ‘wat zou het anders wezen dan zich onmogelijk maken als hij?’ Hoe kan de ingebeelde een oogenblik gelooven dat onze student zijn omgang wenschte! Wat hem deert het is dat gene, dien hij gaarne dikwijls zoude zien, naauwelijks ‘bij zijn vertrek uit Amsterdam bemerkte dat hij de tegenwoordige wereld begon lief te krijgen, of hij trok zich in zijne studiecel terug, of hij omschanste zich met allerlei Aboul 's en Iln 's; - en wie zou niet achteruit deinzen op het gezigt van al die woedende Turken en zwijgende Arabieren? wie een aanval durven doen op zijne kamer, zijne bezigheden, of zijne hospita,’ dergelijke bondgenooten rijk? De eenige met wien hij op vertrouwelijke voet verkeert is drost, een jaar vroeger dan hij naar de Academie vertrokken, die dus Leiden beter kent dan hij, ‘die den

[p. CCLXIII]

tijd aanstaande acht, waarin hij van hem zal kunnen zeggen: Richard's himself again.’ Een fraai compliment maar wat al te heroïsch voor mijn eenvoudig persoontje, intusschen “Accipio omen!”’

Mein Leipzig lob' ich mir, - Es ist ein klein Paris und bildet seine Leute;’ och, dat ik het ook van Leiden getuigen mogt! Ondanks verscheidenheid is er overeenstemming in het soort van schoon waarmede de natuur het landschap om de eene als om de andere stad bedeelde; de Duitsche akker, de Hollandsche weide liggen beide in eene vlakte die slechts hier en daar door boschpartijen wordt beschaduwd. Op het gebied der historie reiken de heugenissen van Lugdunum verder dan die van Lipa; de bouwvallen van de Burgt overtreffen de kazerne-verschijnselen van den Pleiszenburg in wat u ook het liefste zij, het pittoreske of het poëtische. Het Leipzig uit den Dertigjarigen Oorlog was maar achtergrond, het Leiden van den Spaanschen tijd hoofdtooneel des oorlogs: eene burgerij als ons vaderland in die dagen aan het licht deed treden viel uit den nacht van den vreemde niet te vermoên. En toch bleef der Saxische Hoogeschool een voorregt beschoren als de Nederduitsche nimmer smaken zou, een voorregt dat de stoffelijke welvaart waarborgde, terwijl het tevens de grenzen van den geest telkens verruimde: velerlei handel, de messen, de wereldmarkt der boeken bovenal. Welk een onderscheid tusschen de drokte, waar Pleisze ' en Elster en Parthe zaamvloeijen, door bezoekers uit heel Europa teweeggebragt, in aantal de gansche bevolking opwegende, en de stilte tehuis in de stad door den wegkwijnenden Rijn weerspiegeld. Geregeld, zindelijk, deftig geeft de laatste bij den eersten aanblik den indruk der beschaving haar eigen. Er is iets rustigs in den lommer van het geboomte waarmede hare markten u verrassen, dat zich van weerszijde over het helder water harer grachten verbreedt. Vroegere geslachten moeten vermogend zijn geweest, zegt gij in u zelven, de ruime huizen gaslaande, zoo hecht gebouwd, allerlei geriefelijkheden rijk, tot een tuin aan de achterzijde toe. Geweest zijn, waarom die volmaakt verleden tijd? klinkt eene vraag. Waren er afstammelingen overgebleven van welke de voorvaderlijke glans nog altijd uitging, moge het antwoord luiden, eene klasse die zoo min rijtuig houdt als zij buitens heeft, zij bewoonde die prachtige verblijventhans niet. Over-

[p. CCLXIV]

tuig er u zelven van, de stad is het kijkjen waard. Onze wandeling gevalt op eenen schoonen zomerdag, de lindebloesems uit de takken en de twijgen afgewuifd of neergezegen, overdekken hier en daar met een tint van geelachtig groen het helder watervlak in de zonnestralen flikkerend. Het is een liefelijk schouwspel, van de leuning eener lage brug genoten, ter regte en ter slinke door in loover weggedoken gevels omlijst; maar als alle weelde wordt gij ook deze moê en verlangt afwisseling van gedachten. Wandel met mij voort, - aan deze als aan gene zijde geeft het keurig plaveisel er gelegenheid toe. Wat klaagt ge dat de uwe niet opschieten, daar ge slechts den weerklank uwer schreden op die keijen en die klinkers hoort? Lees, als ik, de huizen langs gaande, op de deurposten of voor het vensterglas de namen der bewooners. We zijn in eene academiestad; wat zouden wij er ons over verbazen dat tal van deze ons mannen voor den geest roepen, eene betrekking bij het hooger onderwijs bekleedend? En toch, zoo alle anderen standen overheerschend, zoo boven deze bedeeld hadt gij er u den doceerenden niet voorgesteld; de eenige verscheidenheid die u verrast is dat van tijd tot tijd een hooggeleerde boven de maar geleerden uitsteekt. Leiden is groot en het Rapenburg lang; dat opgeschoven raam geeft gelegenheid die evenzeer hooge als diepe kamer in te blikken; - eene wijle, er is heinde noch verre iemand die ons ziet, dien keurigen toestel te beschouwen voor het twaalf uurtje gereed gezet; - de chinaasappelen komen dubbel kleurig uit tegen dat donker behangsel, de vorm dier waterkruik geeft blijk van smaak; - maar de deur op den achtergrond gaat zachtkens open, - weet ge wie daar woont? een professor in de theologie. - Leiden is groot en het Rapenburg heeft twee zijden; daar speelt een jongske op de stoep van dat dubbele huis met een jagthond, de aardige krullebol laat hem springen over een stokje, en zie, het beest wipt heen en weer; - de aardige krullebol eischt een nieuw kunstje, maar patrijs bedankt, - och, de aardige krullebol is niet groot genoeg om te reiken tot de bel. Te hulp wilt gij hem komen; - maar hebt ge dan den blonden man met glinsterenden bril zich niet uit dien vensterboog boven de deur zien neerbuigen, of ook hem het spel van dat jongske vermaakte, hebt gij hem niet zien verdwijnen zoodra hij de verlegenheid van den borst werd bewust? Schoon professor in het staatsregt, in de

[p. CCLXV]

staathuishoudkunde bovendien, zal hij dat vriendje van zijn kroost wél inlaten. - Leiden is groot en het Rapenburg leidt naar de Academie; daar spoedt zich, zeldzame verschijning in eene stad waarin niemand van haast weet, daar spoedt zich een breedgeschouderd heer naar het grijze gebouw, een geleerde, door heel Europa vermaard genoeg 'om niet naar Oxford te willen gaan ten einde er de hem aangeboden doctorsbul te halen; - het is de tijd der examina: ‘wij hebben gister de knappen gehad, van daag zijn de idioten aan de beurt;’ - heeft hij daarom zijn griekschen autheur zuchtende moeten ter zijde leggen? - Leiden is groot, en zijne Breêstraat wereldvermaard; als ons uit deze van verre een rijtuig toedreunt meent gij, die er op onze wandeling nog niet een hoordet of zaagt, dat het geen ander zijn kan dan het door ons bestelde, en bedriegt u: - ‘al huppelt robert er’ niet ‘langer naast, het is de promotiekoets met de paauwenveeren’ die dissertaties rondbrengt; - stadsgezigtje of genrestukje, wat u bier aantrekke, wat u verrasse, het zijn verschijningen uit maar eenen kring, uit de wereld der wetenschap. - Wat staart gij die straten uit en in, of gij ergens het gewoel gewaar wordt, ergens de Oosterlingen en de Westerlingen ziet opdagen, aan wie Leipzig, in den stilsten tijd door zijne industrie toch levendig, gedurende de jaarmarktsweken zoo eigenaardig een voorkomen dank weet? Schouwspelen als die stad oplevert, wanneer verscheidenheid van rassen, van talen, van zeden, om strijd tot opmerking en vergelijking uitlokken, heeft Leiden nimmer gezien; de beschaving op welke ons Bataafsch Atheen bogen mag, is eene stille, eene eenzijdige, eene louter geleerde. Gezellig verkeer? de behoefte er aan wordt gevoeld en gestild, waar ook menschen zamenwoonen; maar wat eene wereldstad eischt en wekt en bedeelt: de aangeboren of aangeleerde heuschheid, velerlei toestanden om ons heen meer te wijden dan slechts een vlugtigen blik, - de belangstelling in lot en leven volslagen van de onze verschillende, uit die studie van zelve geboren, - de ruimer beschouwing van menschen en dingen waartoe zij ontwikkelt, verwacht noch verlang die hier. Wees tevreden indien de priesteren der wetenschap, die zoo afgezonderd leven, zich vrij houden van den waan dat alles lager ligt dan de hoogte die zij hebben bestegen; als zij don nieuweling, die van verre tot hem komt, gastvrij ontvangen, liefderijk opnemen, niet enkel het hoofd

[p. CCLXVI]

ook het harte ten beste geven. Geen gelukkig gesternte bescheen in een dier opzigten de komst van onzen student. Voor de weinige aristocratische of oligarchische families, welke Leiden toen nog telde, bragt hij ook niet één groete, ook niet één brief mede; en in den kring zijner hoogleeraren, de beste kans in den eersten tijd op aanvulling van wat zijner vorming ontbrak, stond het somber geschapen. Van den brink bezat veel van het weinige dat bij van der palm, volgens de fraaije schets van beets, genoeg was om dezen een jongeling aan te bevelen: ‘uitnemende bekwaamheid’ en ‘grooten leerlust,’ zoowel als meer dan ‘ééne aangeboren gave des geestes of des vernufts;’ doch bleek bakkes ooit genoodigde in een dier gemengde gezelschappen, ‘welke den eerbiedwaardigen grijsaard’ bij het binnentreden ‘het gepoeierd hoofd eenigzins opgeheven’ met meer ontzag begroetten, dan louter geleerdheid inboezemt? Het kan meermalen het geval zijn geweest, zonder dat de bijna zeventigjarige ‘hem op den achtergrond’ hebbe bemerkt, ‘uit natuurlijke blooheid zich schuil houdend,’ liever geen kans ziende zich te doen gelden voor wat hij inderdaad was. - Er mogt een tijd zijn geweest waarin het huis van den Hoogleeraar clarisse, dank zij bezoeken in de ouderlijke woning welke den jongeling nog heugden, ook voor hem zou hebben opengestaan; waarin het alles aanbood wat hij behoefde, omgang naar geest en gemoed; maar rouwe heerschte in die dagen in het hart des vaders, uit hadden ten zijnent de gezellige geneugten, toen ‘de ballingschap in Leiden, die voor mij onder de “res adversae behoort,” begon, - zoo weeklaagt een der brieven van bakkes. - De uitdrukking straks door mij gebezigd dat het lot hem in die hagchelijke ure niet gunstig bleek, bleef onder de droeve werkelijkheid: of het er zich in had verlustigd wreed te zijn, bragt het al wat hij wenschte binnen het bereik van zijnen greep en miste deze toch! Een der bloedverwanten zijner moeder, de Heer i, a.a. santhagens, had hem van eenige regelen voor den Hoogleeraar bake, wiens eerste echtgenoote eene zuster was zijner vrouw, voorzien; de betrekking tusschen beide zwagers mogt even hartelijk worden geprezen schoon eene dochter uit het huis der van royen's Jufvrouw hoogvliet had vervangen. Daar stond de leerling tegenover den meester, die het briefjen doorliep, die hem wenkte dat hij zoude gaan zitten: de schijnbaar stroeve man was heusch van

[p. CCLXVII]

harte. Linksch zijn stoel voortschuivende en er zich linksch op plaatsende, repte bakkes, om toch iets te zeggen, van Neef en van Nicht; maar teekende die natuurlijk niet zoo als ze voor zijnen geest stonden: Neef volgens het oordeel zijns vaders, het hoofd vol van financieële ontwerpen, Nicht volgens het zijne, van top tot teen eene kleindochter van den dichter van Abraham de Aartsvader; en bake verheugde zich over beider welstand, en het gesprek stokte. Daar ontglipte den student een warm woord over den gang der studiën te Amsterdam, en de Professor aan de Hoogeschool van Leiden luisterde blijkbaar aandachtig; en weder was er pauze. In deze zou het moeijelijk geweest zijn te beslissen wie zich het schuchterst gedroeg, de heer des huizes of de bezoeker. ‘Van nature had bake eene beschroomdheid, die hem zelfs op het toppunt van zijn roem,’ - toen nog niet bestegen, - ‘bij het genot van een algemeen erkend gezag, niet heeft verlaten; - - - hij stotterde niet; maar hij haperde bij woorden en zinsneden, als woog hij die op zijne lippen, of ze zijne gedachten en gewaarwordingen wel naauwkeurig en volledig uitdrukten.’ Het is van den brink die, vijfendertig jaren later, den man dus teekent, in eene hulde wier wedergade, zoo in warmte van vereering als in waarheid van gevoel, onze letterkunde niet aanbiedt. Op het door mij geschetste oogenblik werd hij niet de grootheid, werd hij slechts het gebrek gewaar, en was geneigd naar zijn hoed te grijpen: niets voorspelde dat die stille, stijve man tegenover hem in de latere dagen zijns levens bewijzen zou hem lief te hebben, als ware hij zijn kind geweest; dat hij zijne redding aan dezen zou zijn verpligt. Welk een langen tijd zou het nog duren eer zij gezegd mogten worden elkanders kennis te hebben gemaakt naar den geest. Bijna de volle drie jaren van het eerste verblijf van bakkes te Leiden zouden voorbijgaan, eer deze ‘den indruk’ te boven kwam, ‘dien zijne lessen maakten op mij, die tot dusverre aan de levendige voordragt van den welsprekenden david jacob van lennep gewend was.’ Bijna de volle drie jaren zouden worden vereischt eer tot bake, ‘die zijn vertrouwen niet wegwierp,’ - die het eerst ‘na zekeren beproevingstijd schonk,’ - de roep doordrong van den wilden student, ‘wiens afwezigheid’ op zijn Collegie ‘hij niet had opgeteekend;’ - van wien het hem volstond ‘dat hij in zijnen geest werkzaam’ bleek ‘te zijn geweest.’ Daar was bakkes opgestaan, daar

[p. CCLXVIII]

had hij den hoed ter hand, - al weten wij allen dat lotsbestemming geen keer neemt om welke beden ook, wie is er die zich weêrhoudt te wenschen, dat er woorden van meer beteekenis over de lippen van bake waren gekomen, dan de verontschuldiging dat hij weinig menschen zag, dan de verzekering dat zijne vrouw er den jongen man bij eenige kennissen, eenige vrienden niet minder om zou aanbevelen? Eene uitstorting van geest en gemoed, eene klagte van bakkes hoe eenzaam, hoe verlaten hij zich te Leiden gevoelde, voor hoeveel verkeerds, voor hoe veel verdriets zou zij hem hebben bewaard! - maar was hij dan in de ouderlijke woning ooit aangemoedigd dergelijke opwellingen lucht te geven? Al wat hij geleerd had was die te smooren; tot zijn levenslang leed zou ook in dit opzigt aan hem de waarheid van het woord des menschenkenners worden bevestigd: ‘Glaube Niemand, die ersten Eindrücke seiner Jugend überwin den zu können.’ Daar boog hij zich, en verliet de studeerkamer, in welke hij later weder zou keeren, om ‘er nu en dan teregtwijzingen, om er meestal aanmoedigingen te ontvangen;’ waarvan echter zes of zeven jaren vroeger de vruchten voor hem verkwikkender zouden zijn geweest; - om er gedurende het vierde van eene eeuw ‘in het bijzonder vertrouwen te deelen’ dat hij bij de eerste ontmoeting zoo ten volle zou hebben verdiend. Daar ging de deur achter hem digt, maar ter eere van Mevrouw bake zij het vermeld: de beloofde uitnoodiging op het gastmaal van een derde kwam, - doch baatte niets, daar ze door zijne schuld de eenige bleef.

Glücklich, wem doch Mutter Natur die rechte Gestalt gab! “Denn sie empfiehlt ihn stets, und nirgends ist er ein Fremdling;” hoe dikwijls heb ik mij die verzen niet herinnerd, als ik me zijner te binnenbragt,’ zeide eene waardige vrouw, weder jong wordende, zoo vaak zij zich in de vrolijkste vaag haars levens verplaatst, en het laatste ditmaal doende op mijne bede, om den wille van bakkes, ‘hij beval mij dat dichtstuk aan, ik ben er hem nog dankbaar voor.’ Het geviel op een dier diners door Klikspaan den student ontraden; ‘een dier vereenigingen aan welke hij voor zijne uitwendige vorming - de meeste deftige Leidenaars geven het toe - zoo bijzonder veel niet hebben kan’ en die toch voor de ontwikkeling van den brink's toen van beslissenden invloed zouden zijn geweest. Oordeel zelf. ‘Ik zie hem nog binnenkomen,’ zoo voer zij, half plaagzucht, half deernis voort, ‘nog zoo kluchtig

[p. CCLXIX]

voor de gastvrouw buigen, nog zoo schuchter op ons jonge meisjes aanhouden; met dat bonte vest, schreeuwende tegen den witten das; met die besnoven vingertoppen der te ruime handschoenen; met dat zich aankondigend, “buikje,” “zooals oen der vriendinnetjes ftuisterde. Oogen, mooije oogen . . . .” liet de vrouw van jaren er peinzend op volgen. - “Stichten veel kwaads” viel ik in. - “En maken veel goed,” beweerde zij, triomfeerende met de hare; “de zijne waren donker en diep, zij hielden onzen lachlust in toom; maar hij wist nog te weinig welke partij er van te trekken viel om het gesprek grif aan te knoopen, om het goed gaande te houden; wij weêrlegden geen van drieën zijne verzekering dat het mooi weêr was, heel mooi!” Hij stond naast ons, - hij bleef naast ons staan, - of hij ons bewaken moest; - ik weet niet meer wie de schalke was die het sein gaf ons te bewegen, - hij bewoog zich mêe!’ - Van zelve verschenen me bij die voorstelling in de overige gasten, de statelijke of stokstijve figuren, welke bakkes afschrikten; ‘de vaste figuranten’ schrijft Klikspaan ‘(invitės et invitées) van het vaudeville, vaste kaarten aan den disch, bij elk volgend feest slechts op nieuw doorgeschud;’ die er zoo kwalijk in slagen dat vervelend kwartiertje door allerlei onbeduidende vragen te korten, maar er niet minder wigtig om blijven. ‘Eindelijk’ vertelde zij, die ik gaarne mijne vriendin zou noemen, ‘eindelijk werden de deuren der eetzaal geopend; als jongste der gasten was onze trits op den achtergrond gebleven; mijn vriendinnetjes gingen mij voor. Wat zou hij ten laatste doen dan mij den arm bieden? Mijne eigenliefde had geen reden ter wereld fier te zijn op die verovering, - ik bragt hem meer binnen dan hij het mij deed - maar ik mogt hem schier lijden om zijn goelijk: “dat treft aardig;” om zijne tevredenheid toen ik hem verzekerde, dat hij tot mijn buurman was bestemd, cavalier scheen me geen woord voor zijn wereld.’ - ‘Gij bedroogt u’ meende ik. - ‘Mogelijk,’ klonk het weerwoord, ‘ik was blijde toen hij rustig zat, wel wat verre van de tafel, wel wat bekommerd dat zijn breedte mij hinderen zou; inderdaad schouders, als de zijne eischten een slanker gestalte. “Het schort aan onze pofmouwen,” stelde ik hem gerust. Goede hemel! blijkbaar nam zijn blik de maat van die zijner buurvrouw ter slinke, ik vreesde voor eene luide vergelijking. . .’ - Andermaal was ik onbeleefd genoeg in te vallen: ‘waarschijnlijk een

[p. CCLXX]

dier “malle wijven? een dier verfoeilijke malloten” in Leiden zoo min schaars als elders, die op middelbaren leeftijd in modes, voor jeugdige meisjes uitgedacht, een verjongings middel zoeken?’ - ‘Oud-vrijer!’ moest ik tot mijne beschaming hooren, ‘pofmouwen stonden zelfs geene zestienjarige mooi, - ook sarcasmen eischen studie, Mijnheer! al gelden ze maar damescostuum.’ - Dank voor ‘het lesje’ zei ik, ‘deed mijn vriend er ook aan?’ - ‘Stilzwijgend slikte hij zijn soep’ glimlachte de ondeugende ‘schroomvallig verzocht hij mij in te mogen schenken, stijf bleef hij; maar ik had deernis met hem, want over ons zat de dartele, die het sein tot den togt door de zijkamer had gegeven, die al scheen zij de wimpers neêr te slaan, toch geene zijner bewegingen uit het oog verloor.’ - ‘En gij erbarmdet u?’ vroeg ik. - ‘Ik was niet teerhartiger dan mijne zusters’ hernam zij, ‘in dien ongenadigen leeftijd; - hoe het gebeurde weet ik niet meer, maar hij sprak me van lectuur, hij vroeg of ik Duitsch las, of ik Hermann und Dorothea kende? Op de twee eerste vragen mogt ik toestemmend antwoorden, op de laatste moest ik neen zeggen; doch ik wilde weten waarom hij mij dat gedicht aanbeval? Lang leed het niet of van de overzijde leende de spotzucht het oor aan zijne flinke voorstelling van het feit, - aan zijne waardeering van schoonheden die hij vermoeden, die hij meê genieten deed: - “beloof me dat gij het lezen zult” besloot hij. “Als ge mij zegt wat er u prijs op doet stellen” hernam ik. Hij aarzelde, toen kwam het er uit, terwijl hij, van onder de zwarte haren, voor het eerst ook de schalke tegenover hem aanblikte: “Als wij elkaêr weer ontmoeten zult ge mij zeggen of ik bij U Tamino heet?” - ‘En hij heeft er uw harte meê gewonnen,’ vroeg ik der vertellende, ‘want aardiger viel het niet te zeggen, dat hij u voor geen Minchen hieldt! Gij zaagt zeker den volgenden ochtend het boekske gretig in?’ - ‘Eerst weken daarna kwam ik in gezelschap met Professor geel, die bij al zijn Grieken ook voor göthe eene plaats in zijn bibliotheek had en de bereidvaardigheid zelve was; ik wenschte wel dat ik hem hadde verteld, waarom ik het te lezen vroeg. “Ons buikje” zou dan vroeger eene kennis hebben gemaakt, die hem later zoo degelijk te stade kwam; doch was het dan van mij, jong meisje, te vergen, dat ik uit dit eene woord zou hebben vermoed, wat er in uwen vriend school? Als

[p. CCLXXI]

zoo menig ander student ware hij bij mij in het vergeetboek gebraakt, had ik zijner, bij de herhaalde lezing niet telkens gedacht, en er geen grooter genot in gesmaakt, dan louter zijne geestige toespeling.’ - ‘Gij zaagt hem ...’ - ‘In gezelschap niet weer; al pratende had hij zich aan velerlei vergrijpen tegen de vormen bezondigd, zoo zeiden ten minste wie over hem zaten; inschenkende stortte hij eenige droppels op het tafellaken; onder het ronddienen vergiste hij zich in de vorken, op den schotel de zijne leggende, in plaats van de voor dezen bestemde, die op zijn bord was verdwaald. Mijn vriendinnetje hield het er voor, dat eene oude vrijster in de buurt het aan onze gastvrouw verklapte; verzocht nicht hem daarom niet meer? of verzuimde hij eene digestie-visite te maken?’ - ‘Ik vrees het laatste’ hernam ik, ‘ook ben ik er zeker van dat hij na het maal niet deftig bleef hangen, “om zijne koffij en witte Curacao in de Paauw mis te loopen.”’ - ‘Gij spreekt of gij ook student waart geweest. . . .’ - ‘Liever, alsof ik Klikspaan had gelezen.’ - ‘Het heugt me waarlijk niet waar hij bleef, toen hij mij naar de zaal had geleid; maar wel weet ik,’ zoo besloot de gelukkige vrouw, de gelukkige moeder, ‘dat ik het mijne jongelui tot eene wet van Persen en Meden heb gemaakt, den eerst volgenden zondag na welke partij dan ook, dergelijke schuld af te doen.’ - ‘Pour acquit de conscience?’ - ‘Als billet de confession,’ schertste zij.

Stil mogt Leiden zijn, somber en stil, en weinig bevredigend de uitslag der bezoeken, welke ik u schetste, slechts om te studeeren kwam onze student in de stad, door bilderdijk zoo hoog geprezen, die uit den verren vreemde creuzer had aangelokt; welk onderwijs viel er hem ten deel? Luttel als hij zich zelven, bij wijle, geschikt geloofde om ooit herder eener kudde te worden, ooit in zielenzorg het doel zijns levens te vinden, was de theologie hem als wetenschap lief gebleven, wijdde hij zich harer met lust. Onwillekeurig, verbeelde ik mij, onwillekeurig wenscht ge dat de Akademiestad hem in dit opzigt niet teleur stelle; dat zij ruimer verschiet voor zijne blikken doe opengaan, dan het Athenaeum hem te genieten gaf. Vier echter uwe verwachtingen naar aanleiding van den hoogeren titel der eene instelling tegenover den lageren der andere niet te zeer bot; wees zelfs met de eischen,

[p. CCLXXII]

die ge daarop meent te mogen gronden, voorzigtig. U vleijend dat hij in het Bataafsch Atheen uit tal van meesters zal hebben te kiezen, zoudt ge blijk geven niet te weten, hoe ten onzent de toenmalige, - helaas! ook nog de tegenwoordige - hoogescholen, wat personeel betreft, met hare bekrompen middelen moesten en moeten huishouden. U verder wagende, zonder daardoor nog, ik stem het toe, de wereld der idealen in te zweven, zonder zelfs een omzien den voet van den lagen grond des gezonden verstands op te heffen; u verstoutende in plaats van verscheiden gebrekkige inrigtingen van dien aard voor ons klein volk, eene enkele maar volledige te wenschen, zoudt ge u bloot stellen aan een vonnis van onbevoegdheid over dat onderwerp meê te spreken. Geen boom-kweeker zijnde een boom te beoordeelen naar zijne vruchten, welk eene aanmatiging! En toch, ik loochen het niet, toch bezondig ik me met u aan hetzelfde verlangen, aan hetzelfde vergrijp, mij den jongeling voorstellende uit de school van rooijens, - ‘de kloeke, de wijze, de doór en doór geletterde en uitnemend geschatte rooijens,’ zooals hem de biographist van wilhelm broes keurig schetste; - rooijens, wiens gedachtenis van den brink levenslang eene genegenheid toedroeg meester en leerling om strijd vereerende. En toch is het mij als u, gedenkende hoe bakkes de Collegiën van bake verzuimde daar hem die welke van lennep gaf te zeer heugden, toch is het mij bang te moede, wat er van hem dreigt te worden, als hij op godgeleerd gebied een leidsman zal hebben te volgen, wiens gang van geest een geheel anderen schred houdt dan den zijnen eigen geworden is; als hij zich onderwijs zal zien toedienen voor de meerderheid misschien het geschikste, maar voor hem onbruikbaar; als het gemis van het geniale goed zal worden gemaakt door wat men het grondige heet! ‘Voor zulke jongeluî zou eene bijzondere academie worden vereischt!’ voegt men ons spotziek toe. ‘Och, neen!’ hernemen wij in onzen eenvoud, ‘slechts de benoeming van een genoegzaam getal hoogleeraren, om voor ieder leerling eene school te ontsluiten, naar zijn aanleg verlangt; zoo vele ten minste dat vergelijking van methode mogelijk ware en wederzijds voor overdrijving behoedde; eene verscheidenheid volstaande om de meesters zelve te prikkelen en te temperen, naar zij zich vijanden of vrienden der beweging wisten te zijn.’ Inleiding te over om u voor te bereiden op eene droeve klagt, maar

[p. CCLXXIII]

vereischte toelichting tevens, waarom ik deze, zoolang nadat zij geslaakt werd, thans nog niet smoor. Voorzeker geloofde de eerbiedwaardige grijsaard dien zij treft, in de dagen zijner gerijpte kracht goede redenen te hebben waarom hij dus onderwees; maar men wordt niet haast honderd jaren oud, zonder het honderdmaal te hebben betreurd, zou ik durven beweren, dat eenzijdigheid van welken aard dan ook, gaven deed te loor gaan, waarbij ons geslacht had kunnen winnen! Er toe bij te dragen dat dit gevaar der jeugd allengs minder bedreige, dit te doen zelfs ten koste onzer eigenliefde, het moet de eenige weelde zijn waarop we nog prijs stellen, als deze wereld uit onze oogen wijkt, als de waarheid eener hoogere vast voor ons aanlicht! Van den brink is de laatste reeds ingegaan; van zijn verzuchting over het toenmalig onderwijs des Hoogleeraars van hengel zou hij der nakomelingschap louter datgeen wenschen mede te deelen, waardoor deze kan worden gebaat; ik bepaal er mij volgaarne toe. - ‘Hij geeft Collegie’ luidt de weeklagt in zijne nalatenschap, ‘hij geeft Collegie in de Exegese en wel over den Tweeden Brief aan die van Corinthen. Hij betuigt ronduit een geweldigen afkeer van de Duitsche vodderij, b.v. flatt, krause en dergelijken te hebben, raphelius daarentegen en anderen uit dien tijd zijn zijne mannen. Hij gaat woord voor woord na, en vindt in de taal des Nieuwen Testaments of Hebraeismen of Soloecismen of overeenkomsten met polybius en anderen. Zijne zucht voor de vergelijking met het Hebreeuwsch gaat zoo verre, dat zelfs het woord έϰϰλησία daarvoor gehouden wordt, omdat de Hebreëen en Oosterlingen van de daken der tempels hun geloofsgenooten tot den Heiligen Dienst uitnoodigden. Een zwaar anacoluthon is ten minste stof voor een geheel collegie; en de beteekenissen van 'Aχαία bij de gewijde en ongewijde schrijvers worden met de meeste vlijt verzameld. ύπομονή moet niet, lijdzaamheid maar standvastigheid vertaald worden. Welk eene grammaticale kleingeestigheid! Vers 6 van het Iste Hoofdstuk: [Doch't zij dat wij verdrukt worden, [het is] tot uwe vertroostinge ende zaligheid, die gewrocht wordt in de lijdzaamheid des zelven lijdens, 't welk wij ook lijden: 't zij dat wij vertroost worden [het is] tot uwe vertroostinge en de zaligheid:] behoort mijns inziens onder de moeijelijke plaatsen. Ik verlangde daarover

[p. CCLXXIV]

op het Collegie iets te hooron omdat ik er geen raad mede wist. Al wat ik er vernam was dat δε nu en dan autem beteekent; en een en ander over de Hollandsche vertaling van νՙπομονή, niets echter over den zin, over de bedoeling, over de rangschikking der woorden. Eene dorre, eene nog vóór - Ernestiaansche manier.’ - In de onvoldaanheid met het onderwijs des Hoogleeraars schuilt de sleutel voor zijn gedurig jammeren over de leerlingen. ‘Er is hier niet slechts zoo weinig afleiding, er is hier ook zoo weinig echte studentengeest, dat ik mij inderdaad niet dan moeijelijk in mijnen toestand schikken kan,’ schrijft hij in den beginne. ‘De duivel der eerzucht spreekt er ook een woord in, want op de studenten dien invloed te hebben, dien ik op het laatst te Amsterdam bezat, daaraan valt niet to denken.’ De teleurstelling geeft zich zoo onverholen lucht, dat we aan het opregt gemeende der volgende waardeering niet twijfelen. ‘Men is hier te Leiden zeer tegen de Amsterdammers ingenomen; ik geloof dat de reden daarvan in loutere jaloezy ligt. De goede toon van conversatie, de liberale broederlijke geest, de ijver voor vrije en onafhankelijke studie, die de meerderheid der Amsterdamsche studenten kenmerkt, vindt men bij de ten onregte zoo beroemde Leidsche niet.’ Wat vleit gij u dat die vlaag maar eene voorbijgaande zal zijn? een half jaar later luidt het steeds even klagend: ‘Stel u mijn toestand regt levendig voor den geest. Mijne boekenkast staat nog gevuld met dezelfde werken die ik te Amsterdam bezat; maar hoe vele van deze zijn mij thans onnoodig geworden. Daar hebt ge mijn Magnus Apollo schleiermacher. In Amsterdam was het eene eere van hem wat te weten. Rooyens zag niet ongaarne dat ik over den man nu en dan doorsloeg; en gij moogt het u zelven vragen, ik ontstak dengene die mij genaakte wel eens in ijver voor den grooten geest. Hier kan hij gerust in de boekenkast blijven, niemand vraagt naar zijn gevoelen, weinigen hoorden zijn naam! De wette, nitzsch, lücke gaan denzelfden gang. Gieseler geniet alleen onderscheiding om zijne Kerkgeschiedenis. Van de Hallische twisten weet men hier niet. Klinkhamer leverde eene slechte scriptie over de geschiedenis van het Rationalisme vooral in onze dagen en sprak geen woord van de laatste gebeurtenissen. Een student, die zeer veel geleerdheid bezit, schreef er eene recensie over, maar was van de zaak die in Duitschland de

[p. CCLXXV]

kerk in rep en roer brengt, even onkundig als zijn slagtoffer; hij maakte er zelfs met geen woord melding van.’ - Is het wonder dat hij zich alleen gevoelt, dat de tijd hem lang valt; dat Leiden hem verdriet? ‘Hier is alles vervelend en eentoonig,’ klinkt het nu eens, ‘on de ééne dag zoo volmaakt gelijk aan den anderen, als ware de wereld een horloge dat “Onze Lieve Heer” dagelijks opwindt. Vergeef mij de profaniteit: ik verontschuldig mij met het woord des dichters “fecit indignatio versum.” Daardoor echter zult gij gevoelen welk een heimwee naar Amsterdam mij kwelt, en hoe mijne Amsterdamsche vrienden mij idealen van een verleden tijd worden.’ En dan weder luidt het: ‘Mijne Duitschers kunnen gerust blijven waar ze zijn: een student die bij de exegese wat veel met zijn de groot dweept, is al zeer heterodox. In dien toestand kunt gij begrijpen dat de lust tot onderzoek verdwijnt. Bij het responderen bestaat het voorwerp van ambitie, in het prompt opzeggen . . . der dictaten!’ Een zijner bêtes noires uit de hoofdstad, ‘hij zou hier hat summum van een theologant zijn. Dat ik dus minder en met minder eerzucht werk dan te Amsterdam kunt gij u voorstellen.’ - De brief dagteekent reeds tien jaren vroeger dan de verschijning van het hoofdstuk Collegie in het bekende Studentenleven, - bakkes en Klikspaan keuren op verscheiden wijze, maar toch eenstemmig, dergelijk onderrigt af, - waarom zocht een man van vele gaven, vier lustrums later, het geneesmiddel niet waar het voor de hand lag? minder overlading van den arbeid bij den docent, zijn gehoor belangwekkender, levendiger voordragt waarborgend! ‘O Klikspaan! wat hebt ge een hoofden op hol gemaakt, en een ontevredenheid gezaaid,’ roept veth uit, in van Gilse's Leven, door de studentenwereld afkeerig te maken van de wijze, waarop haar het onderwijs wordt medegedeeld, en haar collegies voor te spiegelen, even vermakelijk en onderhoudend als de lectuur van een geestigen roman, of de toonen eener bevallige opera. Waart gij maar, eer gij uwe studententypen schreeft, eerst drie maanden Professor geweest!’ Is de teregtwijzing iets anders dan eene variatie op het lievelingsthema mijns vriends, le mieux est l'ennemi du bien; de vraag dood doende of het bestaande inderdaad le bien heeten mag! - Als ware bakkes er op uit geweest om zijne gedachte te staven, brengt hij haar in beeld; na eerst

[p. CCLXXVI]

de eenig mogelijke tegenwerping zijns vriends te keer te zijn gegaan. ‘Hebt ge,’ laat hij dezen, die zoo goed tot de vertrouwden van aernout drost behoorde als hij zelf, eindelijk vragen: ‘hebt ge drost niet bij u?’ En zie hier het antwoord: ‘drost is een beste, knappe jongen, wiens vriendschap mij dag aan dag dierbaarder wordt, maar hij gevoelt niet half hoe veel hij gemist heeft, door Amsterdam zoo spoedig te verlaten. Daar had hij langzamerhand de liberaler studiën der kweekelingen van het Athenaeum leeren waardeeren; toen hij hier zijne wijsheid verkocht recommandeerde een allerbekwaamst student hem - egeling's Weg der Zaligheid. Ik heb hooge achting voor het boek als handleiding voor leeken; maar laat men er Duitschland mêe rondreizen, laat men er de Berlijner en Heidelbergsche Theologie mêe beoordeelen! Ik geloof dat op beide plaatsen iets meer van een Theologant zou gevorderd worden, dan het getrouw bestudeeren van egeling!’ In zijne wanhoop, had ik schier geschreven, in zijn gevoel van verlaten - zijn, schoon hij het niet verdiende, mag ik ten minste zeggen, komt hem, tot zijne vertroosting, zijn vernuft ter hulpe op zeer opmerkelijke wijze, daar deze zijne geestigheid en zijne goedheid tegelijk in het licht stelt. ‘Het zal wat pedant schijnen,’ zoo eindigt eene zijner jeremiaden, ‘maar ik zeg het minder als van den brink dan wel als Amsterdamsch student: mijn leven hier herinnert mij het Zevende Boek der Republiek van plato. Het stelt ons eenen kerker voor, in welken gevangenen zoo vast geboeid zitten, dat zij heen noch weêr kunnen. Achter hun is een stellaadje, waarop menschen en dieren zich in dezelfde orde voortbewegen; nog verder naar achter een groot vuur, dat de schaduwen tegen den overstaanden kerkerwand vormt.’ Zoo haalt men aan in gemeenschappelijken briefwissel, uit het geheugen, ten deele; maar volledig genoeg voor het doel dat men bereiken wil, al zou die voorstelling in aanschouwelijkheid winnen door toevoeging der vergeten trekken: dat die ongelukkigen verpligt zijn geweest van kindsbeen af, aan hals en enkels geboeid, op dezelfde plek in dat onderaardsche hol te blijven; dat het hun nooit is vergund geworden anders dan vooruit te zien, in elke zijwaartsche beweging, in elke omdraaijing des hoofds door de ketenen belemmerd. Was het eene moedwillige wijziging dat hij van eene stellaadje spreekt in plaats van een weg

[p. CCLXXVII]

te vermelden, langs welken een muur was opgetrokken naar eene schutting gelijkende, als die waarop goochelaars zich plegen te plaatsen om hunne kungststukken te vertoonen? dat hij over dien toestel zich menschen en dieren in dezelfde orde laat voortbewegen in stede van alleen de eerste steenen- en houten-beelden te doen dragen, van verschillende grootte en soort? Ik geloof het niet; de vriend aan wien hij schreef kon zelf zijn Plato opslaan, en den toestand voor de oogen zijns geestes voltooijen, door slechts het hooge van vaas, of beeld, of zuil over den muur aan het licht te doen komen; door op te merken, dat wie die kunstgewrochten voortdroegen, ten deele spraken, ten deele zwegen. Al waar het hem om te doen is, bepaalt zich tot eene schets zijns jammers. ‘De arme gevangenen kennen niets als de schaduwen tegen den wand: de voorwerpen door welke deze worden veroorzaakt kennen zij niet; het schijnsel van het vuur noemen zij het licht, de zon zelve hebben zij nooit gezien.’ Indien hij reeds ombarmhartig ondeugend ware geweest, zoo als hij later zijn kon, zou hij de gelegenheid hebben verzuimd, hem door den voortgang des verhaals aangeboden, de schets toe te passen hoe zwaar het dien gevangenen vallen moest van hunnen waan te worden genezen, om der waarheid regt doen? ‘Wenn einer entfesselt wäre, und gezwungen würde sogleich aufzustehn, den Hals herumzudrehn, zu gehn und gegen das Licht zu sehen, und indem er das thäte immer Schmerzen hätte, und wegen des flimmernden Glanzes nicht recht vermöchte jene Dinge zu erkennen, wovon er vorher die Schatten sah: was meinst du wol, würde er sagen, wenn ihn einer versicherte, damals habe er lauter nichtiges gesehen, jetzt aber dem seienden näher und zu dem mehr seienden gewendet sähe er richtiger, und ihm jedes vorübergehende zeigend ihn fragte und zu antworten zwänge was es sei? meinst du nicht er werde ganz verwirrt sein und glauben, was er damals gesehen, sei doch wirklicher als was ihm jetzt gezeigt werde?’ - Welke grepen vielen hier te doen! - ‘Und wenn mann ihn gar in das Licht selbst zu sehen nöthigte, würden ihm wol die Augen schmerzen und er würde fliehen und zu jenem zurükkehren was er anzusehen im Stande ist, fest überzeugt, dies sei weit gewisser als das letzt gezeigte?’ - Hij laat de gelegenheid voorbijgaan. - ‘Und wenn ihn einer mit Gewalt von dort durch den unwegsamen und

[p. CCLXXVIII]

steilen Aufgang schleppte, und nicht losliesse bis er ihn an das Licht der Sonne gebracht hätte, wird er nicht viel Schmerzen haben und sich gar ungern schleppen lassen? Und wenn er nun an das Licht kommt und die Augen vol Strahlen hat, wird er nichts sehen können von dem was ihm nun für das wahre gegeben wird.’ (Platons Werke von f. schleiermacher. III Theil. I Band. Der Staat. Siebentes Buch, Seite 232-233. Berlin 1862.) Er is in den brief zoo min sprake van deze plaats als van de schoone welke er op volgen: hoe de bevrijde allengs aarde en hemel, boven alles de zon zelve leert aanschouwen en waardeeren; hoe hij om den wille van geenerlei eer, rang of lof in dat hol zou willen terugkeeren, liever een daglooner onder de levenden, dan een koning bij de dooden. Het is bakkes louter te doen geweest om een beeld voor zijn eigen toestand, en het slot des tafereels biedt het allertreffendst aan. ‘Indien nu iemand’ besluit hij ‘indien nu iemand in dat duistere kerkerhol geworpen wordt, na pas het zonnelicht en de voorwerpen er door beschenen te hebben genoten, dan zullen zijne oogen, door de plotselinge duisternis, weifelende en verblind schijnen; - zegt hij dan den gevangenen dat hij meer heeft gezien dan zij, dat hetgeen zij aanschouwen geene voorwerpen zijn, maar sleehts schaduwen van voorwerpen, dan zullen zij hem uitlagchen en verachten. Inderdaad zoo gaat hef (praefiscine dixerim) mij hier.’

De woestijn heeft hare oasen, en ook in deze duisternis vielen stralen lichts. Hoe onderscheiden zich de brieven over de beide uitstapjes, door de opgeruimdheid van hunnen toon. Het eerste had het bezoek eens vriends ten doel, zoo digt in de buurt woonende, zouden we thans zeggen, dat de togt te ieder uur te aanvaarden en in een omzien te volbrengen valt; voor veertig jaren echter, toen op de binnenwateren de stoomboot de trekschuit nog niet had vervangen, een voorbereidend belet vragen eisenend, een geregeld reisplan. Of bakkes er ditmaal bij verloor dat hij, aan eene Hollandsche Academie studerende, door den knol van het jagertje werd voortgetrokken, in stede van, zoo als aan eene Duitsche hoogeschool het geval zou zijn geweest, met den ransel op den rug den weg te voet af te leggen? Ons landschap gebiedt: neen, te antwoorden. Vreemd aan de verrassingen van een zich plotseling uitbreidend verschiet; de afwisseling ontbeerende aan heuvelen

[p. CCLXXIX]

en dalen gewaarborgd, gaf de stuurstoel hem gelegenheid ter zelfder tijd de wederzijdsche oevers des Ouden Rhijns te genieten, de zwanendrift ga te slaan van het watervlak zelf, waarop deze zich zoo sierlijk voortbewoog. Indien hij zich ooit in rooken had verlustigd, ik zou hem u schetsen, den goudenaar ter hand; er slechts mee spelende tot hij brak, wil de voorstelling niet plastisch worden. Het welvarend Leiderdorp langsgegleden, en straks Koudekerk voorbij, Koudekerk, met zijn ophaalbruggetjes voor zoo menig boerenerf, naderden zij allengs het vermaard, het vroeger zoo druk bezocht Posthuis van Alphen, de aardige pleisterplaats Sint-Joris met den straatweg aan de voorzijde van het huis, met de rivier er achter. Wat wenscht ge dat hij hier niet weder in de schuit ware gestapt, dat hij den verderen togt wandelende hadde afgelegd, om den wille der peerenboomen, wier vruchten op den zonnigen herfstdag zoo uitlokkend, zoo verleidelijk over den weg heen hingen? Al gloren ze binnen het bereik der hand, we zijn niet in de laan tusschen Jena en Weimar, waar heine pruimen plukte, waar heine pruimen at, voor hij bij göthe werd toegelaten; en dezen, naïf, niets beters wist te zeggen, dan dat ‘de Saxische pruimen heerlijk smaakten.’ Als bakkes zich aan het ooft had vergrepen, zou niet een boer met den knuppel ter hand, hem hebben nagezet, gramme vertegenwoordiger van het eigendomsregt? Het saizoen was voorbij waarin de wildzang der vogels hem op het voetpad zou hebben verrast; er ging niets boven een praatje met den schipper over buiten bij buiten langs de zoomen van den kronkelende vloed, thans door fabrieken en villa's voor fabriekanten vervangen; boven het in de hoogte steken van de pelsmuts die dat tal van polders op zijn duimpje had. ‘Hoe houdt gij ze uit elkaâr, man! het eene koolveldje gelijkt het andere op een haartjep!’ Eindelijk, nog eene zwenking van de lijn, eindelijk Zwammerdam voorbij, daar zag hij van verre op de aanlegplaats der trekschuit den vriend staan die hem verbeidde; hij was in Bodegraven, jan ter meulen gaf hem de hand. O vreugde des weerziens! in den schoot van een gelukkig gezin, in den prettigen kring van opgeruimde broeders en zusters. Twee dagen zou hij op het buitentje vertoeven; - was hij er inderdaad al twee dagen geweest? vroeg hij zich zelven, toen deze om waren gevlogen. Had hij dan niet gereden, niet gewandeld, niet geroeid? - had hij dan

[p. CCLXXX]

niet vrolijk geschertst, vriendelijk getwist, vertrouwelijk gepraat, van den vroegen ochtend tot den laten avond? - was het Waterwerk niet bezigtigd en uitgelegd en beproefd? - hadden zij beiden het verleden niet weer op doen dagen, zij beiden zich hunne toekomst niet voorgespiegeld, in de schilderachtig gelegen hut op de hoogte aan het einde van den tuin, met haar vergezigt aan deze, met haar vijver aan gene zijde, overschaduwd door veelsoortig geboomte, 't geen haast een hosch heeten mogt? Een lieve plek, als de eend met hare jongen dat water stuiven en spatten deed, als het licht speelde door de schemering van dien bruinen beuk. ‘Indien dat boschje klappen kon, wat melde 't al...’ verwachtingen, die in rook verdwenen en voornemens die niet werden uitgevoerd; maar ook wisseling van gedachten en gewaarwordingen ‘die,’ geen der vrienden wist waarom, ‘in eenen brief nooit eene geschikte plaats vonden;’ maar ook uitstortingen des gemoeds waaraan zij behoefte hadden, met een half woord volkomen verstaan, met een zucht die begrepen werd. Er dreigde aan deze geen einde te zullen zijn, er moest een einde aan worden gemaakt toen de jonge lieden in het vroege duister van een Octoberavond het jagerspaard hoorden aanstappen, toen de schipper vroeg: ‘Ook passagiers voor Leiden?’ De onwillige schreed de plank over. ‘Ik heb mij in die nachtschuit schromelijk verveeld,’ schreef hij een paar dagen later, ‘want onder allen was ik de eenige die niet slapen kon.’ Dat hij ons het gezelschap, 't geen hem omringde, had geteekend; dat hij ons zijn wakend droomen hadde gebiecht! Hij geeft ons een anderen omtrek, die evenzeer kenschetst. ‘De aankomst te Leiden was bar. Te vroeg om op te blijven, te laat om te gaan slapen, viel ik als een razende op eten en drinken aan.’ Hoe ruw, hoe realistisch, hoor ik zeggen. Als of niet felix mendelssohn-bartholdy, die het eene noch het andere was, uit Dusseldorf zijn gastheer eduard devrient op zijne komst te Berlijn had voorbereid met de bede: ‘Lasz mir nur urn Gotteswillen gleich Birnen und Klösze machen, und netzt Eure Kehlen, denn ich komme ausgehungert.’ - Wij hebben den gelukkigen vriend gezien, ons toeft de opgewonden student. Amsterdam vierde het Tweehonderdjarig Bestaan harer Doorluchtige Schole; vierde het ondanks den druk des tijds met grootscher verwachtingen dan een volgend geslacht regtvaardigen zou. Helaas! ons Stedelijk Bestuur, schoon ten gevolge van vrijzinniger

[p. CCLXXXI]

instellingen door de gemeente zelve gekozen, blijkt naauwelijks, van voorvaderlijken geest geblaakt, helder genoeg van hoofd om uit den vreemde verdienste tot zich te troonen, of het laat de uitbreiding halverwege steken, sollende met zijne vernieuwde schepping, van schrik bevangen door de kosten, als gaf kennis niet de zekerste, de zuiverste rente, als ware wetenschap slechts weelde en niet voorwaarde en waarborg tevens van en voor ontwikkeling en bloei! Anders droomde zich de burgerij, tot welke wij wederkeeren, haar Athenaeum; de burgerij die in den twist tusschen Noord en Zuid de helft des rijks had zien te loor gaan, maar meer overhield dan dit aangeschakeld gebied waard was in den moed feest te vieren voor de hoogste en heiligste erfenis haar vermaakt, in hare heugenis en hare hoop! Al waren de hoogtijdsdagen niet ingevallen gedurende de Kers-Vacantie, bakkes zou zijn overgekomen, om aan de algemeene vreugde deel te nemen. Aardig begint de schets der indrukken, welke de loop der zaak bij hem achter liet, met een trek dien men minst van alle in de toenmaals elk gezag zoo hoog vereerende gemeente zou hebben verwacht, eene aanklagt over misbruik van magt, de l'opposition au sein du conservatisme quand meme. Wie die er zich over verbaast, dat zij ook hier van de jeugd uitging? ‘Toen ik eerst te Amsterdam kwam,’ schrijft hij aan eenen vriend, die het genot missen moest, ‘vond ik de studenten over de schikkingen van het feest meerendeels ontevreden. Inderdaad, het liet zich aanzien, als zouden zij personae mutae of figuranten blijven bij de vrolijkheden die HH. Curatoren met hunne hooge côteriën dachten te deelen. Professoren en Studenten zorgden echter dat zulks niet gebeurde en het feest viel, zelfs boven verwachting, algemeen goed uit.’ Maar een morgenwolkje dat opkwam en verdween, is hij fluks de stoornis waarmêe het bedreigde vergeten, genieten wij eensklaps met hem den helderen, van glansen vonkelenden trans. ‘Wat een welsprekend man toch op de harten van echte Studenten vermag!’ roept hij uit met de geestdrift der jeugd, ons op den middag van den 10den Januarij 1831, in de Luthersche Oude Kerk, onder het gehoor van den meester dien hij lief had