terug  begin  prepost
[p. I]

Bijdragen uit het tijdschrift ‘De Muzen.’

‘Geene Geschiedenis onzer Letteren,’ - zou ik willen uitroepen, - ‘die van franciscus hemsterhuis gewangt!’ - als waren wij aan deze vast zoo rijk, dat in eenig werk van dien aard volledigheid mogt worden verwacht. Helaas! hoe onbevredigbaar blijkt voor onze jeugd nog de wensch der vaderen leven naar den geest in waarheid meê te genieten, ofschoon die van schier elken nabuur gelegenheid heeft het dat harer voorgangers in kennis en kunst te doen. Intusschen, gegrond als de klagte heeten mag, onbillijk zou het zijn haar niet fluks te temperen door de erkenning dat wij in het bewerken dier stoffe vooruitgaan: al getuigt de wijze hoe doorgaans van maar luttel verscheidenheid in opvatting, al geschiedt het bijna altoos binnen moedwillig te beperkt bestek. Wij vorderen onloochenbaar, - doch waarom zoo langzaam, dat een tweetal leeftijden niet mogt volstaan tot bereiking van het doel?

Een overzigt der beweging ten onzent, sedert Nederlandsche Proza en Nederlandsche Poëzij zich, eindelijk, onder de vakken van Studie zagen rangschikken, zal meer doen dan maar in staat stellen de juistheid mijner zienswijze te toetsen. Er is verband tusschen een bepaald grooter verzuim en het betrekkelijk geringere dat ik der opmerkzaamheid aanbeval; wie gedenkt den man wiens helder

[p. II]

hoofd onze Vaderlandsche Letteren zoozeer ter harte gingen, dat wij hem een goed gedeelte harer ontwikkeling zijn verschuldigd, al was wat de Oudheid, al was wat deze ons voortreffelijkst en verhevenst achterliet, in vollen zin zijn lust en zijn leven? Eene eeuw geleden, - beschouwingen als deze blijven er hare waarde om behouden al blijkt het aantal jaren bij wijle enkele meer of minder te zijn geweest, - eene eeuw geleden verlustigde zich op het gebied van den geest binnen onze grenzen, waarschijnlijk niemand die behoefte gevoelde aan bloesems en vruchten, als wij straks onzer jonkheid in ruimer mate toewenschten. Bodem noch beemd onzer toenmalige litteratuur schenen zelfs hem verwaarloosd of veronachtzaamd toe, die, vijf lustrums later, al wat in zijne magt stond zou aanwenden om door het banen van een nieuwen weg Hollandsche welsprekendheid en Hollandsche dichtkunst vooruitgang te waarborgen, - om onzer levende taal eene hulde te brengen, zweemende naar die welke hij levenslang een tweetal verstorvene had gewijd. De verdienstelijke, dien het eerst in de dagen toen op velerlei gebied de gezigteinder in ruimte toenam duidelijk werd dat, wat het oude gezegd mogt worden goeds te hebben alleen te behouden viel door de vervulling van wat er gegronds in de eischen van het nieuwe school, die verdienstelijke is, als tal zijner tijdgenooten, te zeer vergeten, dan dat ik niet gaarne beproeven zou zijne heugenis te verlevendigen. Ik mag bij eene stof als deze geene andere uitdrukking bezigen als die zedige. Eene volslagen veraanschouwelijking zijns beelds vordert meer gaven dan ik weet mij te zijn bedeeld; om hem volkomen te kunnen waardeeren moet men priester zijn dier wetenschappen, wier tempel zich nooit voor mij ontsloot. Steekt daarin echter reden tot geheele onthouding, wanneer ik in opregtheid verklare dat niets mij liever zal zijn dan mijne zwakke poging minder beschaamd dan bekroond te zien, door veelzijdiger arbeid van wien ook, tot die tank door het vertrouwelijkst verkeer met de grootsten van ons geslacht volkomen toegerust? Voor 's lands galerij van merkwaardige geleerden uit den avond der achttiende eeuw valt er niet maar een even belangwekkend als innemend portret te meer bij te winnen; de geschiedenis onzer letteren zal er tevens eene leegte door zien aangevuld thans reeds elken weetgierig uit de schare in het oog vallend, schoon

[p. III]

de meesters zich houden als werden zij die naauwelijks gewaar. Er aanleiding toe te geven, is al waar ik naar streef.

 

Indien het mijner verbeelding vrij had gestaan naar willekeur haar tooneel te kiezen; om u in kennis te brengen met den landgenoot aan wien wij zoo veel zijn verpligt, ik vlei er mij niet mede dat zij er in zoude zijn geslaagd, waar ook hare vleugelen neêrstrijkend, daartoe ergens beter plaats te vinden dan die ons door de werkelijkheid aangewezen wordt. Een buitentje onder Maarssen, een buitentje in die dreven omstreeks het laatste vierde der vorige eeuw, zie daar de plek op welke gij weldra als ik de persoonlijkheid juist passend, zie daar den tijd met wien gij den toestand volkomen in harmonie vinden zult ‘Vermaard en alomme bekend,’ zoo zou, dertig jaren na den dag op welken de jongeling, dien ik u heb voor te stellen, ons aan de Vecht verschijnt, van dien vloed en zijne oevers worden getuigd, [1793], ‘vermaard en alomme bekend zijn de nette en pragtige Lusthoven, langs deeze rivier gelegen. Uitlanders en veruitlanderde Nederlanders mogen smaalen op deÅ•zelver popagtigheid. Zij dienen ten onlochenbaaren bewijze van het vermogen der Landzaaten, 't welk hen heeft in staat gesteld, om in een kleiner bestek, dan elders op den geheelen aardbodem, hier aan te leggen eene menigte van Landverblijven, op welke zij, of den geheelen Zomer met genoegen kunnen doorbrengen, of eenige weinige dagen ter weeke, van het koop- of ander bedrijf zich verpoozen.’ Er is iets, waarom niet louter achttiende, - waarom iets ook nog negentiende-eeuwsch, hollandsch-kleingeestigs in dat beroep op rijkdom waar het eene vraag van smaak geldt? ‘Te dierbaar’ gaat de schrijver voort, te kostbaar meent hij, ‘te dierbaar, hier en elders, is de grond, dan dat de Landzaaten denzelven enkel tot hun vermaak zouden aanwenden;’ - en ge zijt ondeugend genoeg er: wij appelen zwemmen ook! tusschen te voegen, als hij besluit: - ‘terwijl het in andere mindere vrugtbaare oorden niet ontbreekt aan Lusthoven, welke die van vele buitenlanderen, in uitgebreidheid zoo niet overtreffen, althans

[p. IV]

evenaaren.’ (J. kok, Vadl. Woordenboek, Vecht. Deel XXIX bl. 152.) Vaderlandsliefde in bekrompenheid verkeerd! - en toch, al geeft gij de in die regelen bestreden critici volkomen gelijk; - al wenscht gij, wat ik zoo dikwijls deed, dat deze scheppingen iets meer mogten zijn geweest, dan maar eene in beemd omgetooverde dubbele doch smalle strook gronds langs een' kronkelenden stroom; - al zaagt gij u, door de versnelde gemeenschapsmiddelen der jongste vijfentwintig jaren in staat gesteld, binnen betrekkelijk korten tijd, het verscheidenst natuurschoon van ons werelddeel vergelijkenderwijze te genieten: - eene wandeling door wat ons voorgeslacht de Mennisten-Hemel plagt te heeten is nog een waar genot! De moker heeft er hofstede bij hofstede geslecht, van maar enkele den naam op de verweerde hekken achterlatend; waar de wildzang in den schijnbaar zoo digten lommer deed poozen, verbreedt zich thans voor het welgedaanst vee der weilanden verschiet; doch er zijn paden, er zijn wegen langs de spiegelende vakken des vloeds over, aan deze en aan gene zijde uitzigt gevend op lustverblijven in welke de welvaart tot weelde is gesteigerd; - ge schrijdt er langzaam voort, ge wijlt onwillekeurig onder geboomte, zoo statelijk zijn kruinen welvend, dat gij u in een woud waant verplaatst. O bloesems van wilde hop! o veldrozen, o witte en roode meijen er door ons zoo dikwijls al mijmerend van de hagen Over-Holland 's geplukt! . . . Het zijn heugenissen uit het heden, - bij welke de opmerking wordt vereischt dat noch het landschap noch de lustverblijven langer gelijken op die van voor honderd jaren: de huizingen zijn als de hoven vernieuwd. Wie zich het buitentje voor wil stellen dat, ons toeft, hij stoffeere het gesloopte Soetendael even weinig naar het nog overgebleven, daaraan weleer belendend Harteveld, als naar Goudenstein of naar Doornenburg waarop het uitzigt had: Goudenstein door het gevierd geslacht der streek, door een huydecoper gesticht, Doornenburg door catharyne lescailje bezongen. Om het in gedachte weêr op te bouwen schuilen er in menige bibliotheek betrouwbarer gidsen dan iemands verbeelding zich gelooven mag. Soetendael is door de graveerstift in beeld gebragt, Soetendael is geprezen in wat toen Nederduitsche verzen werden genoemd; en al geschiedde dat een halve eeuw voor wij het bezoeken, claes bruin, in zijne Speelreis den Vechtstroom beschrijvend, bram rademaker de buitens langs dien vloed schetsend,

[p. V]

zij waren, of wilt gij het juister uitgedrukt, beider arbeid was toen nog niet verouderd. Van eigenaars mogten in dat tijdsverloop vele dier plaatsen hebben gewisseld, van herschepping was trots de talrijke overgangen geen sprake geweest. Versailles bij Versailles in miniatuur, zou de schim van lenótre er zich hebben verlustigd, in die van geene kromming wetende lanen, in die hagen geschoren tot glad wordens toe, die terrassen en die berceaux. Wat al ovaalvormige vijverplassen in marmer gevat! Wat al maar dunne stralen schietende fonteinen! De weinigen onder onze landgenooten welke Engeland hadden bezocht, en er den stijl van kent leerden smaken, werden van wansmaak beticht! Geregeld, als ware de ruimte tusschen boom en boom met een passer afgemeten; geregeld, ter regter en ter slinker, een zelfde getal van even stijve loofgangen aanbiedend; geregeld, van voren uitzigt hebbende op het water en van achter op het weiland; geregeld, allen met een koepel bedeeld, waren de kleine als de groote buitens eentoonig tot vervelens toe. Het zedig Soetendael en het prachtig Petersburg, - om het meest weidsche pronkjuweel en het minst aanspraak makend plaatsje langs de Vecht, tusschen Utrecht en Muiden, in éénen adem te noemen, - de vorstelijke huizinge ‘waerin hare Keizerlijke en Czaersche majesteiten veel vermaak hadden gevonden’ en het nederig verblijf dat gij met volle regt ten langen leste wenscht binnen te gaan, zij zweemden in bouwtrant en aanleg naar elkander, zooals de kleine waterdroppel het naar den grooten water-droppel doet, beide om het zeerst rond. Soetendael had zoo goed als de aanzienlijker hofstede zijn twee windwijzers, zwierende van de twee schoorsteenen, op het dak des huizes: Soetendael boogde als het aanzienlijkst buitenverblijf ter wederzijde van de woning op twee muurtjes tot twee belendende bijgebouwtjes voerend. Och! dat het meer gronds hadde beslagen, het zoude als Petersburg ook met een zuilengang achter een breed steigerbordes, met stroomgoden en stroomgodinnen langs waterpartij bij waterpartij, met eene gloriette, op een duodecimo berg, hebben gepraald!

‘Het is niet elk gegeven naar Corinthe te reizen,’ gelooven wij dat u door den jeugdigen zoon des eigenaars van dat buitentje zou zijn geantwoord, wanneer gij er hem, op een schoonen zomermiddag van het jaar 1765, om het gemis dier heerlijkheden hadt beklaagd. Tien tegen één willen wij wedden dat hij het u in de taal, dat hij

[p. VI]

het u met de woorden van horatius had toegeroepen, zoo zeker zijn we er van; al durven wij niet beslissen welk vervoermiddel dien Amsterdammer eene wijle vroeger derwaarts bragt; - de toenmaals voor aanlegplaatsjes zonder tal langs den vloed telkens stilhoudende trekschuit, of het rijpaard hem, om den wille eener wankelende gezondheid, door zijn bezorgden vader vereerd. Schat u gelukkig dat onze eerzucht er niet naar streeft een historischen roman te schrijven, dat zij er zich mede vergenoegt slechts een letterkundigen omtrek te beproeven: lokte de hooger lauwer ons aan wij zouden lang hebben geaarzeld tusschen den roef en het ros en hadden u ten leste misschien geen van beide gespaard. Thans is het opperen des twijfels voldoende èn om zijn tijd in het algemeen, èn om zijn toestand in het bijzonder aan te geven. Altijd in denzelfden geest van opvatting onzes onderwerps, schenken wij u ook eene uitvoerige beschrijving van het gewaad door hem voor de vaart of den rid gekozen: er zijn immers van den gevierden maar niet genialen portretteur dier dagen, van jan maurits quinkhard doeken genoeg overgebleven voor wie het costuum van voor honderd jaren bestudeeren wil? ‘Ongemeen keurig schilderde hij, al wat tot de kleeding behoorde; vooral het haar en de paruiken, waarvan men in dien tijd zoo veel werk maakte.’ Wat wij wenschen dat gij op zult merken is de slankheid der gestalte van onzen negentienjarige, het zijn de geregelde gelaatstrekken, de lange neus, de kleine mond, de dunne haren vooral ‘van echt Bataafsche verwe,’ zooals zijn Latijnsche levensbeschrijver en lofredenaar die prees. Ontgaan zijne heldere blaauwe oogen ons dan? Toch niet, - maar toen wij onze voorstelling begonnen, strekte hij op eene breede, houten bank voor het huis geplaatst, de leden gemakkelijk uit; zoo min over de stekelige pyramidetjes van palm zich ter wederzijde van het middenpad stijfjes beurende, als naar de vierentwintig of zesendertig laaggehouden bosboomkroontjes door de loodregte lijnen der beukenhagen omvat, zweefde zijn blik, - hij las. Verbaast gij er u over dat hem, naauwelijks buiten gekomen, noch aarde noch hemel een omzien boeide? Vindt gij het zoo verwonderlijk dat de lommer, hoe ijl die zijn mogt, hem niet mijmeren deed? dat hij het wolkje, over den hof zijne schaduw verbreedend, niet nastaarde? dat hij zijne bloemen niet ijlings gadesloeg? Wat eischt gij van dien jonkman eene ontvankelijkheid voor

[p. VII]

indrukken der natuur zijnen landgenooten toen vreemd? een zin, die zelfs bij onze buren door hunne grootste meesters nog niet was gewekt, of eerst uit zijn sluimer ontwaakte! Immers wat wij, naar den geest nakomelingen van deze, daaronder leerden verstaan, is meer dan maar een luisterend oor leenen aan dichterlijke beschrijvingen, zooals er door thomson en door saint-lambert van de jaargetijden waren geleverd. Even weinig de Franschman, wiens verzen weerklonken ten tijde waarin wij u verplaatsen, als de Schot, die dertig jaren vroeger zich door de zijne toejuiching verwierf, noch de een noch de aêr mogt gezegd worden het landleven mêe te smaken, als thans de meerderheid onzer het doet. Het leed lang eer zoo wel de bevoorregten, die zich door honderd banden van herinnering aan het voorouderlijk erf verknocht gevoelen, als de schare, zich zonder eenigen zweem van eigendomsregt in het schoone der natuur verlustigend, voor dat genot om strijd genoegzaam ontwikkeld bleken: alle volksopvoeding eischt eene schier onafzienbare jarenreeks.

Strek ik ten speelbal aan mijne ingenomenheid met gentlegoldsmith als ik geloove dat van alle nieuweren die weelde het eerst door hem werd voorgevoeld toen hij, ‘met een guinje in den zak, met maar één hembd en dat aan 't lijf, met eene fluit ter hand’ uit ons Leijden zijne omzwervingen als student begon? Op den dag die het hek van Soetendael voor u zag ontsluiten, waren reeds twee lustrums voorbijgegaan sedert hij de poorte dier stad achter zich liet, - al moest er nog een derde verstrijken eer de wereld oliver's geest en oliver's gemoed om het zeerst lief zou krijgen, door de voltooijing van de trits geschriften aan welke hij zijne onsterfelijkheid dank weet; - lang al was zijn schetsboek de blijken rijk dier zeldzame gave verscheidenheid van landschap, velerlei levensvreugde des velds op te merken en te waardeeren. Onloochenbaar behooren de fraaiste trekken uit the Deserted Village het smaragden-eiland toe: hij was niet voor niets Ier geboren, bladzijde bij bladzijde geeft ons weêr wat zijne jeugd daar heeft geleden, daar heeft gesmaakt. Is gay France, 't geen the lions part uit the Traveller wegdraagt, echter niet met dezelfde liefde gaêgeslagen, niet even betooverend voorgesteld? En wat ons Vaderland betreft welk een, tot dien tijd toe weergaloos, talent in weinige regelen de eigen aardigheden zaam te vatten eener aan de wateren ontwoekerde

[p. VIII]

wereld: de trage vaart, - het geel bebloemde dal, - de oevers door wilgen overschaùwd, - het spoedende zeil, - de drukke markt - de vlakte eindelijk, de vlakte heinde en verre bebouwd! Onmeedoogend genoeg heb ik dikwijls gewenscht, dat zijn geld en zijn goedje niet tot Leuven hadden gestrekt, dat hij eerder, dan bij ‘die onnoozele Vlaamsche boeren’ verpligt was geweest deuntjes te kweelen voor den kost. Bewonderenswaardig is te gelijk zoo de geestigals de goedhartigheid die met zich zelve den gek steekt, wanneer de philosophische vagebond in the Vicar of Wakefield te laat tot het besef komt, dat geen Engelschman Hollanders Engelsch kan leeren, tenzij hij zelf Hollandsch versta; doch, ondanks al het koddige der voorstelling van zijn quettren tegenover die eerzame Amsterdammers welke er geen woord van begrijpen, had ik hem liever bij onze landlieden dier dagen aanschouwd, luidjes ‘not poor enough to be very merry’ en dus wel naar zijn wijsjes luisterend, maar niet dansend: een inheemsch veldtafereeltje van een levenslustigen humorist!

IJdele wenschen! - in welker gedroomde verwezenlijking mijne phantasie zich des ondanks misschien zou hebben vermeid, zoo ik uiet eene groote schimme gewaar werd mij zoo weemoedig aanstarend, als deed ik haar onregt. Inderdaad wie mag er met meerder regt dan zij aanspraak op maken, wat wij de beschaafde wereld noemen in haar betrekking tot de natuur te hebben herschapen? Ge ziet jean jacques rousseau voor u, de Nouvelle Héloise ter hand: het boek vijf jaren vroeger ten onzent verschenen. Het eischt een volslagen verplaatsing in de toestanden dier dagen, om zich den opgang te verklaren toen door het werk gemaakt; maar wie ook het nog in de onze, om den wille des autheurs, onpartijdig bestudeert, hij erkent volgaarne, hij erkent dankbaar den invloed op velerlei gebied er door uitgeoefend. Voor heden alleen wat het onze betreft de volgende waardeering. Honderden sophismen door den onvergelijkelijken stijlist daarin verkondigd zijn gelogenstraft, - de pedante Saint-Preux verovert zoo min de harten der meisjes meer, als de jongelingen het ideaal hunner liefde langer in de gevallen Julie begroeten, - doch de roman blijft er niet minder tal van toen nieuwe grepen om rijk, welke wij schatten als zoo vele openbaringen. Bittere beschaming aller schrijvers ijdelheid voldoet u, - wij beanien het vonnis, - noch

[p. IX]

de minnaar noch de meester in de eens zoo beroemde, zoo bewonderde wandeling naar Meillerie. Al riep rousseau, als de eerste, zoowel petharca als tasso en eindelijk zelfs metastasio te hulp om een hartstogt weêr te geven, waartoe zijn eigen woorden zouden hebben volstaan, zoo die inniger ware gevoeld geworden, - al was rousseau, als de laatste, met zijne pan het penseel van calame voor in vruchtelooze pogingen eene natuur te schetsen, welker verschieten te gelijk te grootsch en te geweldig zijn, om door onzen blik anders dan op de plaats zelve in verbazing en verrukking te worden aangestaard, - die pathos laat ons koel, de kleuren van dat palet zijn verflenst. Hoe anders echter boeit ons, schoon we glimlagehen om zijn dweepen met eene gewaande gulden eeuw, schoon wij wenschen dat hij ons op de heuvelhellingen Zwitserlands noch aan eene Hebreeuwsche rachel noch aan eene Romeinsche agrippyne hadde herinnerd, hoe anders boeit ons zijne schets van den wijnoogst, die liefelijke eenvoud, die schuldelooze vreugd! De laatste pijl uit den koker treffe het wit midden in het harte. Alle tijdgenooten vooruit, zag zijne verbeelding iets nog meer betooverends, dat sedert, tengevolge zijner voorstelling, gemeen goed is geworden, dat wij allen thans buiten genieten. Wat anders waren het dan hoven, om strijd geuren en kleuren rijk, door schakeling en schakeering van heesters zonder tal, naar lust wassend en wuivend? Wat anders was het dan lommer, mildelijk verleend door verscheidenheid, van geboomte, afwisselend in zijne stammen en in zijne bladeren, deze sierlijk door hunne slankte, gene ontzagwekkend door hun omvang, om het zeerst, kruin en kroon fier opbeurend, wolken van het veelverwigst groen? - dan water eindelijk, water van allen band ontslagen, dat voortvloeijen, dat kronkelen, dat stroomen, dat bruisen, dat, schitteren mogt, als de wind het sweepte of de zon het bescheen, niet meer voortzijpelend uit eene urn, niet meer opdroogend in eene schelp? Het door hem gedroomde landschap, ‘l' Élysée’, heeft niets verouderds, niets achttiende-eeuwsch dan zijn naam - valt iets zoo ligt weg te wisschen als zulk een vlekje?

Het is hooge lof, - en toch geloof ik niet er de groote schimme, die zoo gaarne over miskenning klaagde, die het zoo dikwijls over maar gewaande deed, mêe te hebben bevredigd, somber als ze mij blijft aanzien; het is hooge lof, - en toch zou ik zelf dien als te

[p. X]

flaauw wraken, wanneer het mij vergund ware de enge grenzen van den dag ter kennismaking met onzen jongeling gekozen voor een ommezien te overschrijden. ‘Waarom zoudt ge met twee maten meten?’ verbeelde ik mij te hooren toezuchten, ‘zweefdet gij dan straks niet reeds de toekomst in?’ en geef der bestraffing of der bede rousseau's gewillig gehoor. Zeventien Honderd Vijf en Zestig was het jaar waarin ons bezoek op Soetendael moest plaats grijpen, en over goldsmith sprekend merkten wij op, dat die ochtend nog slechts een derde zijner voortreffelijkste werken verschenen zag; ik had er bij moeten voegen hoe het toen maals trager internationaal verkeer meer tijds eischte dan er thans wordt gevorderd om een buitenlandsch boek ten onzent invloed te waarborgen. Zeventien Honderd Vijf en Zestig, als zijn zomer over de Nederlanden aanlichtte was rousseau bij de begaafdsten harer burgers reeds beroemd door de Nouvelle Héloise, bij de bekrompensten van deze reeds berucht door den Émile; maar eerst uit geschriften zijner hand die veel later ter perse gingen, deed zich in volle kracht die hartstogt voor de natuur hooren, welks vroegste kreten wij in den gedachten roman hebben toegejuicht. Zeventien Honderd Vijf en Zestig, het verborg nog in de portefeuille van m. de malesherbes het, weergalooze viertal Lettres, het zag eerst de veder opnemen die de Confessions onvoltooid zou laten; de Confessions, welke door onbescheiden ongeduld, spijt het verbod van den ontslapen biechteling, zeventien jaren daarna nog te vroeg zouden worden gedrukt. Wat verbiedt ons, uit beide de bekentenissen en de brieven, eenige proeven te geven, hoezeer de groote schimme in haar regt was niet voor lief te nemen met de hulde haar door ons aanvankelijk gebragt? Geene vreeze dat oliver in de schaduw zal schuil gaan, dewijl jean jacques meer aan het licht treedt; geene vreeze dat wij te uitvoerig zullen worden ons onderwerp zijn eisch gevende. Verlokkend moge de tegenstelling zijn waartoe het tweetal omdolers, als elk van deze zijnen togt begint, wat tooneel en wat leeftijd, wat toestand en wat gemoedsaard betreft, onwillekeurig gelegenheid biedt; wij zullen der bekoring niet verder het oor leenen, dan onze stoffe, dan vooral de eigenaardigheden van den ongelukkigste dier vernuften het onloochen baar vergen. Immers, zoodra gij de overeenkomst zult hebben gaêgeslagen in de zwerfzucht die den eenen als den anderen blaakte, bij dezen en bij

[p. XI]

genen de onbewuste prikkel tot ontwikkeling van wie in den schoot der armoede het licht zag; als het u duidelijk is geworden dat èn Zwitser èn Ier er het grootste genot hunnes levens aan dank wisten, valt slechts verscheidenheid meer in het oog. Rousseau, die, in zestienjarige jeugd, ontevreden met zich zelven, en met alles on hem heen, geteisterd door driften wier doel hij zich nog niet is bewust, zwaarmoedig en zuchtend Genève ontvliedt, hij heeft niets van goldsmith er al zesentwintig tellende, toen deze zich uit Groot-Brittanje inscheepte, om buitenslands een wetenschappelijken graad te verwerven; zorgeloos, in spijt van zijne schrale beurs, den grootsten schat in zijne opgeruimdheid, in zijne onverstoorbaar goede luim met zich dragend. Langs den oever van het meir Leman een landschap ontgaan welks schoonheid ter wereld geen mededinger heeft, doolt jean jacques het wel schilderachtig maar steenig Savoye in; terwijl oliver uit den mist van Schotland, van stormen zwangere zee door onze duinen begroet, weldra slechts vlakte gewaar wordt. Het eene verschiet zweemt niet naar het andere; maar grooter onderscheid dan tusschen deze en gene natuur, is er in de gemoedsstemming der beide zwervers. Hoor rousseau, de droomer, de dweeper, de dwaas zullen de nuchteren er bijvoegen, - hoor hem, die er zich in verlustigt niet langer leerjongen te zijn, die zich zoo gelukkig gevoelt in de onafhankelijkheid welke hij waant reeds te hebben verworven. ‘Heer en meester van mij zelven’ roept hij uit, ‘geloofde ik tot alles in staat te zijn, achtte ik alles binnen mijn bereik; immers had ik mij slechts op te heffen, om, van de aarde gebeurd, de hemelen in te zweven. Wat wist ik van vreeze voor de onmetelijke ruimte der wereld die ik binnen trad? Van mijne verdienste zou ze gewagen: alom verbeidden mij feesten, schatten, avonturen; vrienden die zich beijsverden mij van dienst te zijn, allerliefsten er op uit mij te betooveren; - waar ik verschijnen mogt zou ik de opmerkzaamheid des heelals tot mij trekken; wel niet die des ganschen nogthans, ik ontsloeg het er in zekeren zin van, zooveel verlangde ik niet: een aangename gezelschapskring zou me voldoen, wat gold het overige mij? Mijne genoegzaamheid wees zich grenzen aan in een niet uitgebreide maar uitgelezen sfeer, binnen welke ik zeker mogt zijn te zullen regeeren Een enkel kasteel volstond ter stilling mijner begeerte. Gunsteling van den heer en de vrouwe des

[p. XII]

huizes, minnaar van beider aanvallige dochter, vriend haars broeders, beschermer der buren, zou ik te vreden zijn, wenschte ik niets meer.’ [Les Confessions. Partie 1, Livre II.] Practischer goldsmith, dien zijne vrienden philosophischen aanleg toekenden, al kwam de poëet telkens aan het licht; practischer voorzeker, te Leijden gekomen om albinus te hooren, door gaubius op gemeenzamen voet ontvangen, zich beijverend om den doctorstitel; hoezeer op zijne beurt ook enthusiast, vervuld van den wensch zoo goed als de toen pas verscheiden holberg de wereld te zien. ‘Wat maakte het uit dat hij, den Noor gelijk, noch geld, noch aanbevelingsbrieven, noch vrienden had? een goede stem en een zween van muzykaal talent waren voor dezen hulpmiddelen genoeg gebleken, om het grootste gedeelte van Europa te doorreizen, om den aard van volk bij volk met elkâer te vergelijken. Hoe was dat groote vernuft voor elke ontbeering, die het zich had getroost, beloond geworden, door de scherping zijns oordeels, door de ontwikkeling zijner gaven, door de wereld- en menschenkennis van die togten méegebragt. Te zijnent weergekomen zag het er zich door in staat gesteld de eerste schrijver zijns volks te blijken, - waren roem en rijkdom zijn deel geweest, - thans verhoovaardigden zich zijne landgenooten op den onsterfelijke,’ [Uit john porster's Life of oliver goldsmith, page 37 and 38.] Helvetia en Erin zijn naauwelijks verscheidener dan die tweërlei wenschen wat het leven bedeelen mogt; dan, had ik moeten schrijven, dan die alle grenzen te buiten gaande aanspraak op geluk, tegenover die verwachting te zullen slagen door veelzijdige studie. Noch het tienjarig verschil in leeftijd, noch de minder of meer zorgvuldige opvoeding verklaart de beide stemmingen voldoende; de oorzaak des verschijusels schuilt dieper dan in de antithesis, het bij den eersten blik op die gestallen uitschreeuwend. Het Zwitsersche jongske, de Iersche borst, ze zijn om het zeerst, maar ze zijn anders ij del. Jean jacques schildert zich zelven, vijfendertig jaren later, met blijkbaar welgevallen, dus voor ons af: ‘Sans être ce qu'on appelle un beau garçon, j'étais bien pris dans ma petite taille; j'avais un joli pied, la jambe fine, l'air dégagé, la physionomie animée, la bouche mignonne avee de vilaines dents, les sourcils et les cheveux noirs, les yeux petits el méme enfoncés, mais qui lançaient avee force le feu dont mon sang etail embrasé.’ Hij kan tevreden

[p. XIII]

zijn, - de leelijke tanden zijn overstraald door het vuur dier donkere oogen, - slechts een schaduwtje bij zoo veel lichts. Poor oliver, vroeg het slagtoffer der kinderziekte treedt anders voor ons op: ten huize zijns ooms een danspartijtje bijwoonend wekt de tienjarige knaap medelij. ‘During a pause between two country dances, the party had been greatly surprised by little Noll quickly jumping up and dancing a pas seul impromptu about the room;’ hij was met zich zelven ingenomen, hij werd er voor gestraft. ‘Seizing the opportunity of the lad's ungainly look and grotesque figure, the jocose fiddler promptly exclaimed: Aesop!’ Het gevatte kind nam wraak door zijn speelman voor den aap des gebogchelden fabeldichters te schelden; maar was er van zijn belagchelijk zelfbehagen niet door genezen, levenslang kwam die in zijn pronkzieken kleedertooi aan het licht. Toch, het hooge woord moet er uit, toch was goldsmith niet enkel gelukkiger door dat bij wijle in hem verrassend gezond verstand, zoo zonderling flikkerende uit de nevelen der onnoozelheid; rousseau leed, zonder het zich bewust te zijn, aan dien geen perken kennenden hoogmoed, welke, een karakter beheerschend, altijd onbevredigd steeds onredelijker eischen stelt. Trots alle onhebbelijke ongeschiktheid voor den dagelijkschen omgang, spijt teleurstelling bij teleurstelling daaruit geboren, smaakte oliver in vriendschap en vreugde het leven, - terwijl het smeulende vuur bij jean jacques tot laaije vlam uitsloeg, zoodra een gewaagde maar gelukte greep tegen den geest des tijds, om zijn schedel den eersten lauwer had gevlochten. ‘Orgueil incommensurable!’ ge zult het woord van saint-marc-girardin niet te hard vinden, als wij er de vraag op doen volgen: was hij met al zijne gaven niet meer te beklagen dan te benijden? Gebezigd tot inleiding eener studie over het verbijsterende van zijne gedachten, over het vervalschte van zijn gevoel, waar bij hem sprake is van het zinnelijke en het zedelijke der liefde, - een gevolg, helaas! van zijn omgang met Mad de warens, - zou zij, zoo niet tot eene verontschuldiging, ten minste tot eene verzachting van vonnis leiden; hier doe zij de deernis mijner lezers in de schoonste plaatsen die smetten voorbijzien, door welke hij der krankte van geest en gemoed ter prooi blijkt. Gelukkige tijdgenoot l die wandelen gingt dewijl hij het der wereld weder leerde, uwe dankbaarheid behoefde dien wenk niet!

[p. XIV]

‘Nooit,’ schreef rousseau, ‘nooit heb ik zoo veel gedacht, zoo veel gevoeld, zoozeer geleefd, nooit ben ik, mag ik het zeggen? zoo volkomen mij zelf geweest, als dus wandelende alleen en te voet. Er is iets in het gaan dat mijne gedachten opwekt en bezielt, stilzittende denk ik naauwelijks, mijn ligchaam moet zich bewegen als mijn geest het zich zal doen. De aanblik van het veld, het afwisselende der streelende verschieten, de frissche lucht, de groote eetlust, de goede gezondheid dank zij der vermoeijenis mijn deel geworden, het ongedwongene van het herbergsleven, de verwijdering van alles wat me mijne afhankelijkheid gevoelen doet, wat me mijnen toestand herinnert, gunt mijne ziel vrijer vlugt, verleent mijne gedachten iets stouters; ik deins niet langer terug voor de onmetelijkheid der dingen, ik durf die aanzien, er naar lust uit kiezen, zonder aarzeling, zonder schroom maak ik ze mij eigen. Als ware ik haar meester geworden beschik ik van de gansche natuur; mijn hart, dat van voorwerp tot voorwerp zweeft, vereenigt zich met wie het aanlokken, omringt zich met betooverende beeldtenissen en baadt in het zuiverste genot. Als ik om den indruk van deze te bewaren, er mij in vermeide die voor mij zelven te beschrijven, welke vaart is dan mijn penseel bedeeld, welke frischheid van verwen mijn palet! hoe wedijveren mijne uitdrukkingen dan in kracht! Er spreekt iets van dat alles, heeft men gozegd, uit mijne werken schoon ze op mijnen ouden dag werden geschreven. Zoo men die mijner eerste jeugd had gekend, gedurende mijn omzwerven gemijmerd of gedacht, zonder ooit aan het papier te zijn toevertrouwd geworden!... Waarom, zult gij zeggen, dat niet gedaan? Waarom het te doen? antwoorde ik u. Waarom mij het genot des betooverenden oogenbliks ontzegd, ten einde anderen mede te deelen dat ik genoot? Wat gingen mij lezers, wat ging mij een publiek, wat de gansche wereld ann, terwijl ik in den hemel zwevend zalig was? Droeg ik bovendien papier en pennen mede? Als ik aan dat alles had gedacht, wat zon mij hebben verrukt? Ik voorzag niet dat er gedachten bij mij zonden opkomen; die bezoeken mij als het haar behaagt, niet wanneer ik het wenschen zou. Zij komen niet of zij komen in menigte; overheerende door heur aantal en door heure kracht. Tien deelen elken dag zonden niet hebben volstaan; waar had ik den tijd gevonden die te schrijven? Aangekomen dacht ik er slechts

[p. XV]

aan goed te eten. Vertrekkende dacht ik er slechts aan flink te beenen. Ik wist dat een nieuw paradijs mij beidde, ik spoedde mij er heen.’

Gij moogt, mijn lezer! gij moogt geen schrijver zijn, en u dus nooit aan de overdrijving hebben schuldig gemaakt, waarvan vele dezer regelen getuigen, maar het genot er zoo levendig in geschetst heeft ook u gestreeld, hebt ook gij gesmaakt, al kondt gij het niet zoo welsprekend wedergeven. Het was rousseau eerste en laatste hartstogt - het was de openbaring om welke het nageslacht hem nog lief heeft, - boezemde hij ons allen dien niet in? - mij, als ik van het duin zoo gaarne ons bloeijend landschap aan mijne voeten zie? - u, die van geene muzijk weet melodischer dan het bruisen van den vollen vloed langs het strand? - der schare, zich verlustigend in ons weiland zonder weérga? - den mijmeraars, als deze de stilte hooren waar het woud het digst mag zijn? - tot de weinigen toe, met een oog voor het schoon der heide bedeeld? Trots al zijne grilligheid bleef jean jacques, - ten langen leste door de grooten zijns tijds gevierd, vermaard geworden in een kring van schoone geesten, welke alles begrepen behalve cet amour de la nature, - spijt al den spot waaraan die hem bloot gaf, bleef hij dezen getrouw. De lofspraak door hem in die dagen der eenvoud des waren landlevens gewijd is te fraai gesteld om haar niet in uw geheugen te herroepen; als ge mij de uitdrukking gunt zou ik willen zeggen, het juweeltje is te eigenaardig fransch gekast om het te verzetten. ‘Quoique depuis quelques années j'allasse assez fréquemment à la campagne, c'était presque sans la goûter, et ces voyages, toujours faits avec des gens à prétentions, toujours gatés par la gène, ne faisaient qu'aiguiser en moi le goût des plaisirs rustiques, dont je n'entrevoyais de plus près l'image que pour mieux sentir leur privation. J'étais si ennuyé de salons, de jets-d'eau, de bosquets, de parterres, et des plus ennuyeux montreurs de tout eela; j'étais si excédé de brochures, de claveein, de tri, de neouds, de sots bon-mots, de fades minauderies, de petits conteurs, et de grands soupers, que, quand je lorgnais du coin de l'oeil un simple pauvre buisson d'épines, une grange, une haie, un prê; quand je humais, en traversant un hameau, la vapeur d'une bonne omelette au cerfeuil; quand j'entendais de loin le rustique refrain de la chanson des bisquiêres, je donnais au diable et le rouge et

[p. XVI]

les falbalas et l'ambre; et regretlant le diné de la ménagère et le vin du eru, j'aurais de bon coeur paumé la guele à monsieur le chef et à monsieur le maître, qui me faisaient diner à l'heure oú je soupe, souper à l'heurc où je dors, mais surtout à messieurs les laquais, qui dévoraient des yeux mes morceaux, et, sous peine de mourir de soif, me vendaient le vin drogué de leur maître dix fois plus cher que je n'en aurais payé de meilleur au cabaret.’

‘Melancholie!’ - ‘misanthropie!’ - ‘monomanie!’ - waren de woorden, waarmede de encyclopédisten uitboezemingen van dien aard begroetten; maar niet dus oordeelde de edele de malesherbes, aan wien rousseau had beproefd een volledige voorstelling te geven van de zinnen en de ziel, welke hij zich bedeeld geloofde. We zijn er in gedachte getuige van hoe, onder de lezing van het viertal epistels, bij wijle dat eerbiedwaardig voorhoofd zich fronste, om menig blijk des zelfbedrogs, waaronder de autobiographist gebukt ging, - hoe die fijne lippen glimlachten bij velerlei overdrijving, - maar ook hoe die heldere oogen vocht werden, zich verlustigende in de schets van wandelweelde waarmede wij de proeven besluiten. Vieren wij onzer verbeelding te zeer bot, wanneer wij aannemen dat zij dezen tot spoorslag strekte, voor de lange, leerzame voetreis door den verdienstelijke eenige jaren later met zoo veel vreugds begonnen, met zoo veel vruchts volbragt? Luister of ook gij er door de ontboezeming toe zoudt zijn uitgelokt. Voor den slapelooze, op zijne legerstede misschien nog meer door zielskwelling dan door ligchaamssmarte geteisterd, voor den armen kranke schijnt het verleden te herdagen; grievend berouw en zoete heugenis doen hem voor eenige oogenblikken het heden vergeten; door beklag verteederd is het schreijen hem genot. ‘Welken tijd gelooft gij,’ vraagt rousseau, dat ik mij het vaakst en het liefst in mijne mijmeringen te binnen brenge? Het zijn niet de vermaken mijner jeugd; te schaars gesmaakt, doorgaans met te veel bitters gemengd, heugen zij mij naauw meer. Het zijn de geneugten mijner afzondering, - die mijner eenzame wandelingen - de snel vervlogene, maar van verrukking volle dagen, welke ik alleen met mij zelven slijten mogt, ‘avec “ma bonne et simple gouvernante,201D’ - dus noemt zijn euphemisme, in kenschetsende verblinding, de zijner onwaardige thérèse le vasseur - ‘met de hond dien ik liefhad, met mijn oude kat,

[p. XVII]

met de vogelen des velds en de hinden der bosschen, met de gansche natuur en haren door ons niet te omvaêmen Schepper. Van mijn leger opgerezen als het daagde in den oosten, om uit onzen hof de zon te zien opgaan, was mijn eerste wensch als het zwerk een schoonen dag beloofde, dat noch brieven noch bezoeken die betoovering mogten afbreken Gewillig hesteedde ik heel den morgen aan velerlei arbeids, van welken ik mij gaarne kweet, daar het aan mij had gestaan dien uit te stellen; ons maal was op den noen gereed en werd gaauw genuttigd om de lastigen te ontgaan, om een langen achtermiddag te hebben. ‘Voor één ure sprong mijn trouwe Achaat’ - virgilius houde het hem ten goede dat hij zijn' hond den naam des besten vriends van aenaeas gaf, - ‘mij ter wandeling op zijde, en verhaastte ik mijne schreden, uit vrees dat iemand zich van mij mogt meester maken, eer ik had kunnen ontsnappen; maar was ik eens zekeren hoek omgedraaid, met welke tinteling van vreugd begon ik, mij gered wetende, adem te halen, tot mij zelven zeggende: het overige des dags behoort u. Langzaam voortgaande zocht ik deze of gene verlaten plek in het woud op, - eenig oord in 't welk niet één blijk van menschenhand in dienstbaarheid overheersching verkondigde, - eene schuilplaats die ik meenen mogt het eerst te hebben ontdekt, waarin geen verwenschte derde zijne schaduw werpen kwam tusschen de natuur en mij. Het goud der bremstruiken en het purper der heidebloesems verrukten mij door eene weelde die mijn harte aandeed; - de majesteit van het geboomte, dat mij in zijn digten lommer hulde, de keurigheid der heesterstruiken, mij van alle zijden omringend, de verbazende verscheidenheid van kruiden en bloemen voor mijne voeten gestrooid, zij boeiden om strijd mijn geest, in gedurige wisseling van opmerkzaamheid en bewondering; - de overvloed van zoovele belangwekkende voorwerpen welke zich mijne aandacht betwistten, voerde mij onophoudelijk van deze naar gene in die mijmerzieke stemming mij zoo diêr, en deden mij dikwijls in mij zelven uitroepen: - ‘Salomo in al zijne heerlijkheid is niet bekleed geweest, gelijk een van deze.’ - Mijne verbeelding liet de dus getooide aarde niet lang ledig. Ik bevolkte haar met wezens naar mijn harte. Verre achter mij latend al wat als meening wordt gevierd, alle vooroordeelen, alle valsche driften, bedeelde ik dezer liefelijke

[p. XVIII]

schuilplaats der natuur menschen harer waardig. Ik schiep mij uit hen een' gezelligen kring, zoo als ik zou hebben verdiend, - eene gulden eeuw lichtte mijner phantasie aan, - en die schoone dagen stoffeerende met al wat mijne heugenis zoets had bewaard, met wat mij te wenschen was overgebleven , werd ik tot schreijens toe bewogen: welke wezenlijke, welke edele, welke reine geneugten had de menschheid kunnen smaken 1 hoe bleek zij voortaan van deze vervreemd! Zie, wanneer in die oogenblikken eenige gedachte aan Parijs, aan mijne eeuw, aan mijne kleine autheurs-gloriole, mijne mijmeringen stoorde, hoe smadelijk deed ik deze als gene dan ijlings wegdeinzen, om mij zonder eenige verstrooijing in die verhevene gevoelens te verdiepen, van welke mijne ziel was vervuld. En toch, ik beken het, toch bedroefde haar soms plotseling het besef der nietigheid mijner hersenschimmen. Indien aan alle mijne droomen verwezenlijking beschoren ware geweest, het zoude mij niet hebben voldaan; ik had weêr der verbeelding toegegeven, weér gemijmerd, weêr verlangd. Ik werd in mijzelven een onverklaarbaar ledig gewaar, dat niets wat ik scheppen wilde zou hebben aangevuld: zekere verheffing des harten naar een ander genot, van 't welk ik geen begrip had en waaraan ik toch behoefte gevoelde. Welnu, ook die onvoldaanheid zelve was geneugt; dewijl ik haar te gelijk eene zoo levendige gewaarwording en eene zoo aantrekkelijke droefgeestigheid dankte, dat ik beide tot geen prijs gewillig had ontbeerd. Weldra verhieven zich mijne gedachten hooger dan de oppervlakte der aarde; weldra tot al wat de natuur heeft voortgebragt, tot het wereldstelsel dat wij droomen, tot het onbegrijpelijk wezen dat alles omvademt. Naar den geest in die onmetelijkheid verloren, dacht ik niet, redeneerde ik niet, philosopheerde ik niet, - gevoelde ik mij met zekeren wellust hijgen onder het wigt van dat heelal, gaf ik mij in verrukking over aan het verbijsterende dier groote gedachten, was het mij lief mij zelven in de ruimte te verliezen, daar ik toch mijn hart, binnen de grenzen der wezens besloten, te eng voelde worden; - ik stikte in het heelal, ik had in het oneindige willen opstijgen. Zoo het mij gelukt ware alle mysteriën der natuur te ontsluijeren vlei ik mij niet dat ik in zoo zoete verrukking zou hebben verkeerd, als ik dezer bedwelmende extase dank wist aan welke mijn geest toomeloos bolvierde, en die mij, in de schokken harer vaart, bij-

[p. XIX]

wijle: o groot Wezen! o groot Wezen! deed uitroepen, zonder dat ik iets anders zeggen, iets anders denken kon!’

Hoe zou de wereld dier dagen, - in vele opzigten, niet het minst in wat de natuur aanging, al het belemmerende, al het benaauwende eener valsche, verkeerde, verouderde beschaving prijs gegeven, - hoe zoude zij, meent men, er bij hebben gewonnen, wanneer ze, het ruischen dezer wieken hoorende, uit de hymne geleerd hadde op te varen. Om er zich meê te mogen vleijen, schijnt het u intusschen teregt toe, moest de stemming des mijmeraars worden gelouterd van wat haar zwaarmoedigs, ziekelijks eigen was; eerst dan mogt er sprake zijn van kans die weerklank te doen vinden in veler harte. Het is geschied, tientallen van jaren na den tijd, in welken wij ons verplaatsten, - het eerst in Duitschland, het lest in Groot-Brittanje, - wie het in Frankrijk zoude doen verzamelde er toen onder de keerkringen vast de bouwstoffen voor. De vroegste echo deed zich uit het oude Germanië, uit het muffe Wetzlar hooren; maar van onder hoog geboomte, maar bij het suizelen eener frissche bron. Hij die den kreet slaakte was geen afgeleefd grijsaard, zuchtend zijn verleden herdenkend; wie er zijn gemoed in lucht gaf bleek een beeldschoon jongeling, voor wien de toekomst allerlei genot in den schoot droeg. ‘Eine wunderbare Heiterkeit hat meine ganze Seele eingenommen,’ luidt het loflied, gleich den süszen Frühlingsmorgen, die ich mit ganzem Herzen geniesze. Ich bin allein, und freue mich meines Lebens in dieser Gegend, die für solche Seelen geschaffen ist, wie die meine. Ich bin so glücklich, mein Bester, so ganz in dem Gefühle von ruhigem Daseijn versunken, dasz meine Kunst darunter leidel. Ich könnte jetzt nicht zeichnen, nicht einen Strich, und bin nie ein gröszerer Maler gewesen, als in diesem Augenblicke. Wenn das liehe Thal um mich dampfl, und die hohe Sonne an der Oberfläche der undurchdringliehen Finsternisz meines Waldes ruht, und nur einzelne Strahlen sich in das innere Heiligthum stehlen, ich dann im hohem Grase am fallenden Bache liege, und näher an der Erde tausend mannigfaltige Grüschen mir merkwürdig werden; wenn ich das Wimmeln der kleinen Welt zwischen Halmen, die unzähligen unergründlichen Gestalten der Würmehen, der Mückchen, näher an meinem Herzen fühle, und fühle die Gegenwart des Allmächtigen der uns nach seinem Bilde schuf, das

[p. XX]

Wehen des Allliehende der uns in ewiger Wonne schwebend trügt und erhält, - mein Freund, wenn's dann um meine Augen dämmert und die Welt um mich her und der Himmel ganz in meiner Seele ruhn wie die Gestalt einer Geliebten; dann sehne ich mich oft, und denke: ach, könntest du das wieder ausdrücken, könntest dem Papiere das einhauchen, was so voll, so warm in dir lebt, dasz es würde der Spiegel deiner Seele, wie deine Seele ist der Spiegel des unendlichen Gottes!’ - De aanhef van een der brieven van Werther, voert de verbazing mij tegen, het dweepzieke boek, vol droefgeestige bespiegelingen, zoo deerniswaardig besluitend, - de Werther, veroorlove ik mij op te merken, waarin de autheur al het wee van wat men wereldsmarte noemde had uitgestort, om, er van genezen, de ontvankelijkheid voor natuurindrukken over te houde. Göthe, de gulden vijfentwintig genaderd, had niet slechts goldsmith bewonderd en bestudeerd, tot de pastorij van Sesenheim even zoo schilderig werd vereeuwigd als de Vicar's-wooning van Wakefield; - waarom, helaas! ten koste, van het hart der arme friederike? - göthe had niet enkel van oliver reizen geleerd, in de waren zin des woords open oog en open oor voor allerlei landschap, allerlei leven; - Göthe was, als rousseau de maatschappij zijner dagen moede geweest! Gelijk deze onbevredigd, onvoldaan met zijnen toestand en zijn tijd, hoeveel hij in den eenen als den anderen vooruit mogt hebben; onloochen baar, als de prozaïst, met den regenboog een donkeren achtergrond kiezende voor zijne poëtische schepping, gaf zijn genie, de klagt van jean jacques vertolkende, blijk dat het de krankte die hem zoozeer als genen had geteisterd, te boven was: des harten eischen regtdoende, voor zoover de bevrediging van deze binnen het bereik onzer vermogens ligt! Aan matiging had de leerling zijn meesterschap te danken. Er schuilt meer dan louter zucht naar verscheidenheid in de keuze der beide autheurs die hij zijnen Werther laat genieten; hij huldigt daarin niet maar den geest zijns tijds, die eene wijle der Gaeliesche muze toestond met de Grieksche om de lauwer te dingen. Eer de noodlottige hartstogt in de borst des jongelings ontwaakt, leest deze homerus; die ‘wiegezang,’ in den zin van waarheid, natuur, eenvoud, volstaat hem, - maar een der liederen van ossian strekt tot voorspel van Werther's volslagen gemis aan zelfbeheersching, tot zelfmoord leidend. Wie er aan twijfelen mogt hoezeer het boek

[p. XXI]

hem eene biecht was, waardoor hij van den last des leeds werd bevrijd, die sla in zijne Gedichte der Wanderer op, - een stukje dat niemand gelooven zou in dezelfde dagen uit dezelfde veder te zijn gevloeid, als wij niet wisten hoe op elk gebied zegevierende worsteling met onzen hartstogt in de weelde der kalmte hare belooning vindt. Vruchteloos, - welken meer benijdbaren lof valt er aan toe te kennen? - vruchteloos zoekt gij in vroegere poëzij de wedergade van zulk eene waardeering des levens in den schoot der natuur, van het geluk ook den minst bedeelde onzer gewaarborgd, die in eenvoud, te smaken weet wat liefde zaligendst heeft!

Oude en nieuwe wereld, oost en west, waren sedert bijna drie eeuwen door het zeevarend Europa op schatting van beider voortbrengselen gesteld, zonder dat het blijk had gegeven te vermoeden welke mijnen zoo voor letteren als voor kunsten in deze scholen. Het kleine Portugal was alle volken op den oceaan voorgestreefd; het kleiner Holland had in ontdekkingen zijne vroegere meesters, zijne latere mededingers beschaamd; maar noch der natiën, aan welke door het lot slechts een beperkt gebied scheen beschoren, opdat zij rijken aan het licht zouden roepen het hunne honderd-malen in omvang overtreffend, - zoo min ons als den Spanjaarden, eu even weinig den Engelschen als den Franschen, ten leste om den drietand worstelend, was het op de woelige wateren om hooger weelde dan stoffelijke welvaart te doen geweest! Wie er het eerst in slagen zou den blik der beschaving in dien dubbelen vreemde met een schooner schepping te verrassen, dan door onze laauwe stranden aangeboden wordt, hij had gelukkig meer met rousseau gemeens dan de zwertzucht en de zwaarmoedigheid dien burger van Génève eigen: - andere elisa van dien anderen elia was hem ook de liefde voor de natuur bedeeld, door welke deze werd geblaakt, was ook hem dat meesterschap over het woord gegeven waardoor jean jacques het gemoed had beheerscht! Lang duurde het eer zich zoo voortreffelijk een aanleg, onder velerlei lotwissel, - onder velerlei leed, - ten deele het gevolg eener eerzucht, ziekelijk als die zijns voorgangers, schoon in zediger vormen gehuld, - zonder eenige begunstiging zijner tijdgenooten, maar pijnlijk, ontwikkelen mogt; - doch hoe boeide, hoe betooverde hij de schare, toen hem, vast de vijftig voorbij, uit zijne heugenissen

[p. XXII]

van voor twintig jaren Mauritius weêr aanlachte, schooner dan het hem in de werkelijkheid had geschenen, zoodra hij het in stede van met begeerige oogen, ten leste met bezielde gadesloeg. Vergeefs had hij in vervlogen dagen daar, - als waar ter wereld niet? - ergens eene plek gronds gezocht, ergens een eigendom verlangd, dat hem in staat zou stellen zijn droom eener volkplanting te verwezenlijken: geene kolonie, zoo als er de verre stranden, uit oceaan bij oceaan opdoemende, tot dien tijd toe hadden aanschouwd, - geene vestiging om den wille van winst, - neen, eene eerste, eene eenige proeve ter logenstraffing van den waan dat de gulden eeuw voor ons geslacht onherroepelijk was verdwenen. Azië had hem, even onverbiddelijk als Europa, dien kans ontzegd, - hij mogt de foe's meesterstuk bewonderend hebben gelezen, het eiland welks Robinson hij zich droomde, rees nergens uit den schoot der wateren omhoog; - tot hij eindelijk, naar zijne kenschetsende zegswijze, ‘uit zijn eigen wel putte,’ en de Études de la Nature in bernardin de st. pierre een schrijver aankondigden, dien alexander von humboldt bij het staren naar het zuidelijk kruis gedenken zou. Het was het eerste doek waarop zich een weelderiger hemel welfde dan ons westen kent, - waarop het ongerepte woud voor zijne majestueuse monarchen eene huivering van eerbied eischte, - waarop de stroom, in wilde kracht voortschietende, nog van geen meester wist, hem uit zijn nootendop gebiedend, - het was het eerste doek, zoo ge liever wilt, dat ons in eenen dampkring als wij nimmer nog ademden, te midden eener natuur als wij nog nooit aanschouwden, eene wereld van onschuld, van vrede, van liefde ontsluijerde, welke, helaas! ook in zijnen droom maar eene wijle duren mogt. Tot de lofspraak geregtigd dewijl hij de hulde te temperen wist, heeft prevost paradol opgemerkt dat l'Ile de France ons schitterendst tegenblinkt, door den stormen zwangeren achtergrond dien de st. pierre het in Europa gaf; en verre zij het van ons te beproeven de gisping te weêrleggen door de vraag of ook de overige werelddeelen niet lang stoffe te over badden of zij die niet nog hebben om zich van het kleinste te beklagen? Ietwat overdrijving betreurende, bewondert gij er niet minder den geest en het gemoed om, die zulke idealen wist te scheppen, die Paul en Virginie zoo waarschijnlijk, zoo wezenlijk deden worden. Eerste schilder eener nog maagdelijke natuur,

[p. XXIII]

eerste dichter eener reine liefde, beurt hij onovertroffen het hoofd op, al wees hij aan meesters onder zijn navolgers den weg. Oftrekt u het pronkzieke palet van chateaubriand nog aan, sedert de straffe lijnen van cooper ons meer ware roodbuiden deden zien? of vergrijpt zelfs lamartine, trots al zijne teederheid, zich niet soms aan dat waas, 't geen der schoonheid in schaamte de hoogste aantrekkelijkheid geeft, 't geen den hartstogt in deze zijne heiliging bedeelt?

Schoon mij slechts een enkelen dag het genot mogt zijn beschoren om te dolen op uwe heuvelen, even schilderachtig als stout Westmoreland! hoe zou ik het mij ten goede houden, zoo ik hier uwen dichter vergat, zoo ik william wordsworth geen dank zegde? Immers ook ann mij werd zijne voorspelling vervuld, ‘dat de dag komen zou waarin zijner gedachtenis menige verzuchting zou worden gewijd,’ niet enkel, zoo als hij zong ‘om den wille van velerlei schoons op zijne bede gespaard,’ bovenal om de wijze waarop hij het wist te doen waardeeren. Waarom zou ik verzekeren dat alles wat mij vroeger in hem had geergerd daar volkomen werd uitgewischt? er deden zich grieven gelden ook bij zijn graf. Wat bewoog hem, die in den bloei der jeugd zijn leven met de Girondijnen zoo gaarne der vrijheid zou hebben gewijd, wat bewoog hem, toen de lange nacht voor het verzilverd hoofd dreigde in te vallen, uit de handen van victoria den betwijfelbaren krans van poët-laureate te aanvaarden? Wat, - maar zoo ergens de politiek heeft toe te zien, zij moest er zich mede vergenoegen waar de poëzy op den voorgrond trad, waar zij haren gunsteling in geen ander dan haar glansrijk licht deed uitkomen. Tachtig jaren lang was hij in verteedering des gemoeds, in verheffing des geestes er de hoogepriester der natuur geweest; wnt hij overigens te wenschen mogt hebben overgelaten, op het altaar van deze had hij geen offer geduld dat niet in zuivere vlam ten hemel ging. Zoo was het mij toen te moede, zoo is het mij thans. Weder breidt zich, in al de liefelijkheid zijns landschaps, de zoete heugenis van Ullaswater voor mijne blikken uit, - een zomeravond dien gelijk welken hij zelf, in An Evening Walk, langs de oevers van Winandermere, schetste. Vast was het te laat om zich naar zijn voorbeeld te vermeiden in dat wisselen van verwen, in dat verschieten van tinten en toonen, waarmede ons de ondergaande zon in eene bergstreek

[p. XXIV]

omhoog en omlaag verrast. Ook bleek dat ons verwante gezin, op 't welk de beschaving der achttiende eeuw zoo smadelijk plagt neêr te zien - wie die in haar de dieren our dumb brethren noemen dorst zoo als hij? - reeds met de schemering ter ruste gegaan, sluimerzick als de wind die loover noch golven trillen deed. Uit den lommer beurde geen hert met vorstelijke fierheid langer de breedgetakte kroon, noch vroegen ergens schichtige hindenblikken den wandelaar meer om deernis, met heur speelziek, der moeder ontsprongen, jong. Waar het water langs den zandigen oeverzoom doorschijnend was gebleven kaatste het geen runderen weêr, zoo statelijk hun avondbad smakend; de weide bleek zonder lammeren en zonder zwanen het meir; - maar aan den hoogen hemel heerschte de maan, de maan wier togt langs het zwerk de dichter zoo menig treffend beeld had dank te weten. Hoe grillig dat licht van de stemming onzes harten beschikken kan, was het niet door hem met nieuwen greep aan het licht gebragt in den rid hij haar schijnsel naar de hut zijner Lucy, in het opzien naar dien vloed van stralen neêrstrijkend waar zijne zomerroos hem beidde? Trouw, zong hij, trouw droeg het ros hem op den bekenden lievelingsweg voort, trouw den boomgaard digter, - en even trouw, als hij uit zijne zoete droomen den blik verhief, even trouw goot de zilveren horen zijn glans op dat dak van riet. Echter, daar week op eens, hij zijn hestijgen des heuvels, daar verdween plotseling achter die stulp alle schittering, alle glaus, weg was de maan, - en uit zijn binneuste klonk een kreet van angst! ‘Zoo Lucy dood ware,’ schrikte hem!... Oorspronkelijker nog misschien zijne Slances, in welke hij het hemelschip aan de transen vergezelt; het zijne kalmte benijdend, als het door de wolken geteisterd, ondanks zijn gloed in deze wordt gehuld; in welke hij het bewondert, om de helderheid waarmede het er weder uit te voorschijn treedt, liefelijk lichtende als straks. De koningin der nacht, wier luister zoo lang was misbruikt om maar weemoed in te boezemen, verkeerde door die verzen in een toonbeeld van geduld on gelatenheid: gedwee ons leed te dragen, dat mogt zij ons leeren, doch niet minder dankbaar te genieten, wat ons zoets weérvoer: onverstoorbaar in den storm, opgeruimd als die is voorbij gegaan. Onder dien indruk verkeerde ik, de hooge klippen achter de kleene baai voor, het weelderig geboomte den bergen afnijgend om mij gegroept; terwijl

[p. XXV]

de watervlakte, zich verbreedende ten reuzigen spiegel, heinde en voor eilandjes dragende, voortdeinsde tot waar de gezigteinder zamensmolt met het zwerk, alles drijvende in zilveren glans. Slechts bij wijle brak het ruischen van een stroom of het kabbelen van een beek, ‘des daags nooit, des avonds naauwelijks gehoord;’ - zachtkens maar brak dat zangerig ontglijden aan den heuveltop, dat voortschieten steenen om en struiken over, dat streven van het rustelooze naar rust onder wilgenschaâuw en langs weilandzoom, - suizelend brak die muzijk de stilte af, aan welke wordsworth eene stemme wist te bedeelen, vernomen verre over de graafschapppen heen, tot in de woelige wereld toe. ‘Dikworf’ zoo iemand hij mogt het zeggen, ‘dikwerf boezemde de minste bloem die voor zijne voeten ontlook hem gedachten in, te diep gaande om die door tranen te vertolken;’ hij die, wat wij lager leven heeten, in al zijn eenvoud, al zijn ernst huldigend, meer dan een zijner tijdgenooten het goede ook in den geringste onzer tot bewustzijn bragt.

 

Verontschuldiging te over voor onzen jongeling zich toen niet in den Soetendaelschen beemd te hebben verlustigd zoo als het ook hem later weelde zou zijn geweest te doen; - maar welke mogt de lectuur blijken waarmede hij zich bezig hield, welke waren de boekskens en boeken allengs uit den zak van zijn jas op de bank om hem heen gespreid? Het vel papiers in zijne regte boeide eene lange wijle zijn blik. Eene courant? Neen, voorwaar. Al was het morgenrood der dagbladen veel vroeger ten onzent reeds aangelicht, van hunne zonne viel nog niet te getuigen dat zij, den trans beheerschend, wolk bij wolk langs de kimmen verdwijnen deed. Wie zag het den toenmaligen dingsdagsche of donderdagsche nieuwsvermelders, - in hunnen wedijver de maren uit ‘het nest te nemen,’ schertsziek als eens hooft te zeggen plagt, ‘eer zij nog vliegen konden;’ - in hun streven elkander voor te zijn, door de verspreiding der bijzonderheden eens veldslags, door de verkondiging der waarschijnlijkheid van een vorstelijken echt, - wie zag het

[p. XXVI]

die in onze oogen zoo nuchteren aan dat zij, binnen honderd jaren, eene magt in den staat zouden worden, door geen bestuur straffeloos met minachting bejegend, ijlings gewroken op wie haar tarten dorst? Niemand, de lezers vermoedden het even weinig als de schrijvers. In geenen deele mogten de laatsten meer zijn te rangschikken bij de beklagenswaardigen waartoe in den beginne schier alom de eerste courantiers hadden behoord: mislukte vernuften door velerlei weêrspoed geteisterd, eindelijk in het zamenstellen zulker blaadjes een schraal stuk broods vindend; - wat had de beschouwingswijze er in ruimte of in diepte hij gewonnen dat de uitgave van een stedelijk blad in een ordentelijk beroep was verkeerd? - van hoe luttel kennis of kunst nam de veder diens tijds notitie! Wel werden niet langer uit zolderraam of kelderkot, van eene in schrijftafel verk eerde schraag of tonne, met moede hand en met modder hoofd, half vernomen half bedachte nieuwtjes los of opgelaten; maar der geregelde verschijning van wat betrekkelijk, waarheid heeten mogt, faalde dikwerf het vermakelijke en verrassende, waardoor de dichting zich weleer had onderscheiden: weinig talent werd tot het vullen der vier zijdjes vereischt; er was reeds een trant waarin men die dingen schreef. Verlangde het groote publiek meer? wij hebben er geen blijk van bij te brengen. Levensbehoefte, als voor ons, was in dat verleden, iederen ochtend en iederen avond der menigte die uiting van gedachten en gevoelens nog niet, waaraan zij grooter ontwikkeling dan haar deel is zou hebben dank te weten, als zij de eene als de andere op beter gronden hare eigene geloofde dan dewijl zij er zoo dikwijls naar heeft geluisterd, dewijl zij er zoo vaak door werd gestreeld; als zij slechts en steeds met oordeel las wat niet zonder geest of gloed werd geschreven. Standaardmeter der volksbeschaving geworden volstaat de vlugtigste vergelijking van de journalistiek der beide tijdperken ten bewijze dat ons algemeen het leven veelzijdiger smaakt, dan ooit het voorgeslacht zich kon voorstellen dat het zijnen nakomelingen zon zijn beschoren; dat we vooruitgaan al is in den wedloop met onze buren de prijs nog maar te zelden ons deel! Indien zoo wel de vergeten schrijvers van de schaars overgebleven, verminkte, vergeelde, vormufte, eerste vliegende blaadjes van voor meer dan twee eeuwen tot ons mogten wederkeeren, als de zamenstellers der allengs in grootte toegenomen couranten van voor honderd jaar, in de schaduw des daks,

[p. XXVII]

onder het stof der gangen op menig stadhuis tragelijk wegteerend; wat zou het eene en het andere geslacht van autheurs meer verbazen, de uitbreiding der taak hunnen broeders van den gilde toevertrouwd, of de invloed der bemoeijingen van deze op allerlei gebied gewaarborgd? Eer gij antwoordt nog ééne vraag. Ge ziet den dubbelen stoet verrijzen: links de haveloozen, de vlugtelingen, de zwervers, door de maatschappij hunner dagen niet altijd met volle regt uitgeworpen; waar onder mannen waren wier woelziekte in andere verhoudingen werkzaamheid zou zijn gebleken, getuigen van te veel leeds om lofzangers van hun heden te zijn; - regts de gezetenen, de bezadigden, de plooijers, die op hunne vedels speelden wat de bewindslieden wenschten, zorg dragend dat de gemeente niet te dartel sprong; blijkens het wapen dat zij in hunne banier voerden, den burgemeester gevallig en verknocht, liefhebbers van orde en van tucht: - twee groepen om strijd het schilderen waard. Welnu, wie van beide gelooft gij dat de warmste sympathie aan den dag zoude leggen, als zij wisten welke eischen wij meenen aan hunne navolgers te mogen stellen? als zij onze verzuchting hoorden die maar onvolkomen bevredigd, die dikwerf weêrstreefd te zien? Ter wederzijde is de verwondering, hoe hunnen haften de vleugels zijn gewassen, even groot. Welk een ommekeer des toestands! Open staan in steden, in dorpen, in vlekken der pers onzer dagen, alle hooge en alle lage huizingen; uit de paleizen weert, haar geen wacht, in des landbouwers hut is zij welkom; de handel heeft haar lief, de werkplaats dankt haar verpoozing, tot in de gevankenis toe dringt zij door. Waar huisvader zoo arm, dat hij niet wekelijks eenige penningen afzondert om dagelijks door haar op de hoogte te worden gehouden, welk uitzigt het verschiet den zijnen opent? Waar rijkaard, zoo gerust op de handhaving van de leer des behouds, dat hij hare aanwijzing van de teekenen der tijden versmaden durft, al boezemt die bij wijle schrik in? Waar geleerde zoo afgetrokken in de groeve van zijn vak verdiept, dat hij niet een half, niet een heel uur van het etmaal prijs zou geven, om, mensch met de menschen, deel te nemen aan de beweging des algemeens? Waar kunstenaar zoo hoogzwevend in zijne wereld van idealen, dat hij niet bij wijle nederdaalt om zich door haar die der werklijkheid te laten inleiden, het verfrisschendste bad uit te hoog gestegen broeikasthitte? Allen standen tracht de pers alles

[p. XXVIII]

te zijn, opwekster, raadgeefster, voorlichtster: een volslagen journalist, eene levende encyclopedie, mogen het geene synonymen heeten? Scherts ter zijde, wat tempel van wetenschap waarin zij oningewijde blijken mag, wat sfeer van het schoone waartoe zij niet opzweven moet? Tal van medearbeiders wordt er voor elk goed dagblad vereischt: vóór alles mannen van hoofd en harte maar ook mannen van studie en smaak; - elkander afwisselende om niet beurtelings aanmatigend of vervelend te zijn: gister, heden, morgen altijd eenerlei; tot uitputtens toe der gaven van wie schrijft, des gedulds van wie leest; - elkander in het bestrijden van dwaalbegrippen, in het te keer gaan van den waan des dags schragend, ter bereiking van het hooge doel, den vooruitgang der schare. Of heeft het leven van deze langer oogenblikken waarin zij niet onder den invloed der couranten verkeert? waarin die te huis of op reis, niet hare getrouwste gezellinnen zijn? Op reis - wie onzer stapt meer een waggon in, zonder een, twee, drie van deze onder den arm meê te nemen? zonder er zich, zooverre ons grondgebied reikt, den tijd, als het heet, mede te korten? zonder zeg ik, in den strijd der beginselen, dien zij vertegenwoordigen, allengs onpartijdiger partij te kiezen? ‘Hoor en wederhoor,’ het wijze woord vroeger alleen in onze pleitzalen door gulden letteren verkondigd, doet zich gelden in het dagelijksch verkeer; nog niet in beoefening gebragt met de hartstogteloosheid dien het, uit marmer gebeiteld, den regter leerde, maakt het bij ieder uitstapje, dus lezend begonnen, dus lezend volend, dieper indruk: er wordt gezondigd binnen en buiten de muren! Wat loochent gij dat wij er die les uit ontvangen, daar we, het rijtuig verlatend, op zijn kussens de gelezen zijdjes achteloos liggen laten? Het blad heeft ons zijn dienst gedaan, het kan dien ook anderen bewijzen; voort vliege het, zijn dag is zoo kort. Straks in den vreemde gekomen strekken wij immers onze hand naar weêr andere organen eener andere openbare meening uit, en vergelijken onwillekeurig volk met volk, en wenschen dat het onze in menig opzigt roemvoller uit het worstelperk treden mogt. Noblesse oblige, was de verklaring door den franschen adel in zijnen ondergang aandoenlijk gestaafd; dat onze pers: Ik draag mij zelve eerbied toe, drukken mogt op ieder blad 't geen zij de wereld in zendt. Ware dat het geval welk hooger standpunt dan zij bereikt heeft,

[p. XXIX]

zouden wij haar zien bekleeden! de besten onzer buren op zijde strevend bleek het evenzeer beneden haar het bekende te herkaauwen als het middelmatige voor lief te nemen. Dagen moet het door haar, dagen op elk gebied, is zij alom lichtende fakkel? is zij nergens zengende toorts? bezielt zij allen door wat goedheid en waarheid en schoonheid in zich vereenigt, bezielt zij allen door liefde?... Wat zijn we verre van de geesten, welke wij bezwoeren uit hunne graven op te rijzen, afgedwaald; juister uitgedrukt welke wereldgebeurtenissen zouden wij vroegeren en lateren dagbladschrijvers hebben meê te deelen en te verklaren wilden wij hen in staat zien de vaart onzer beschouwingen te vergezellen of maar te volgen: de omwenteling in Frankrijk aan den avond van de achttiende eeuw, de herschepping van het Europa der negentiende door den stoom. Hoe veel gemakkelijker zou het voor de eene als voor de andere groep van autheurs vallen zich de eerste voor te stellen dan de laatste; of hebben de ouden van dagen onder ons willen gelooven aan de wonderen door de versnelde gemeenschapsmiddelen beloofd, eer zij den droom verwezenlijkt zagen? Waanzinnig schold een goed gedeelte van deze stephenson; waanzinnig zou heel de vroegere pers hem hebben geheeten; aan natuurwetenschappen deed zij niet, - of de latere het daarin verre bragt? Geene ondeugende vragen meer; liever de dubbele opmerking dat wat burgerlijke, maatschappelijke, huisselijke verhoudingen betreft vast in de vroegste dagbladen de kiemen scholen, waaruit wij zoo groote verscheidenheid van vruchten zouden genieten; dat de voorbeeldelooze ontwikkeling onzer pers meer zou worden toegejuicht door de vergeten eerste worstelaars die in haar een prikkel waardeerden, dan door de ons bekend geworden navolgers welke van haar partij wisten te trekken. We zouden voorzeker onregtvaardig, we zouden onwaar zijn, wanneer we dus hare vertegenwoordigers ten onzent uit een tweetal eeuwen, uit de zeventiende en uit de achttiende, tegen elkander overstellend aan de eerste alleen bewegingslust, aan de laatste slechts behoudszucht toeschreven: conservatisme en liberalisme zijn ouder dan eenig dagblad ter wereld, zijn oud als de wereld zelve. Onloochenbaar echter vallen beide tijdperken door de beurtelingsche zegepraal van het eene en het andere beginsel sprekendst in groote trekken te schetsen; dat het in een van beide ooit geheel dag of geheel nacht zou zijn geweest, wie die het ge-

[p. XXX]

looft? Een blik op de bureau van den vader onzes jonkmans zou hebben volstaan om van den waan te worden genezen; indien de laatste, tot wien wij voor een oogenblik wederkeeren, lust in dergelijke lectuur had gevoeld, er was voor hem gelegenheid geweest uit verscheiden dagbladen te kiezen: de Amsterdamsche Courant en de Gazette de Leyde lagen binnen het bereik van zijn greep. Om het zeerst beide toen reeds overeeuwd, getuigde de geschiedenis van het eerste blaadje welk een middel van gezag het Patriciaat onzer wereldstad, dat zich de gelijke van koningen achtte, in geschriften van dien aard waardeerde; slaafde de historie van het tweede hoe menige Majesteit, zich de mededinging naar invloed al meer of min bewust, het argwanend gadesloeg, het gaarne zou hebben gebreideld. Als de lezer dien wij opvoerden, en dien wij in zijne studiën nog niet storen mogen, als hij een van deze naar buiten had medegenomen, zoude het de nienwsmare zijner geboorteplaats zijn geweest, in onze moedertaal geschreven, of de nouvelles uitgaande van den zetel onzer eerste hoogeschool, in het fransch gesteld? Bekennen wil ik het, moeite zou het mij hebben gekost niet zuur te zien wanneer hij de voorkeur had gegeven aan de Courant, niet eens meer door Amsterdams Historieschrijver jan wagenaar geredigeerd, boven de Gazette, die etienne luzac met zooveel beleid bestuurde, zonder vrees, zonder blaam, - vooruit!

Zoo inderdaad het leven eens volks geen gelukkiger jaren kent, dan die van welke de geschiedenis het minste gewag heeft te maken, dan mogt 1765 ten onzent bij de gezegendste worden geteld. Wie ook het tijdperk tot voorwerp hunner studiën kozen, allen geven zij groen van prinsterer om strijd regt de rust, sedert den vrede van Hubertsburg, binnen onze landpalen als ongestoord te schetsen. Tot de somberste beschouwer dier dagen en dingen toe, hij spreekt slechts van zegen en van overvloed: de Biddagbrief des jaars is daar ten bewijze. Zoo er in de vermaning van ‘zonden en ongeregtigheden’ wordt gerept, het geschiedt om die tegenover de tallooze ‘weldaden’ te stellen; om ‘voor eene heilzame en waarachtige bekeering’ een spoorslag te ontleenen aan ‘dankbarheid’ waarvan het harte overvloeijen moest. Een lofzang besluit de opwekking in de bede voor willem v. wiens minderjarigheid ten einde spoedde, die het bewind aanvaarden zou. Geene

[p. XXXI]

aanleiding ter wereld dus te vermoeden dat onze jongeling in het dunne boekske 't geen hij opvat, een geschrift leest zweemende naar de Pamfletten, vol venijns en vol van vernuft, waaraan in vroeger tijd 's lands letterkunde zoo rijk heeten mogt. Noch op politiek, noch op religieus gebied was er iets voorgevallen dat geregtigde tot de verwachting een genre te zien herleven, welks luister, volgens het oordeel der bevoegden, aan wie we zijne beschrijving zijn verpligt, met de zeventiende eeuw voor goed was schuil gegaan. Pionniers in dat opzigt onzer cultuur-historic getuigen tiele en muller om het zeerst dat ook die litteratuur in belangrijkheid verloor, naarmate onze republiek hare beteekenis als mogendheid allengs meer prijs gaf. Een enkel maal, ter gelegenheid der verheffing van den Prins uit het Friesche Huis tot Erfstadhouder, mogt da vlam uit de asch nog zijn opgeflikkerd, geen schuitpraatje tintelde voortaan van geest en gloed, het schotschrift was van grotesk gemeen geworden. Laat eene zusterkunst de klagte toelichtend mogen staven. Gestalten zoo kloek als frans hals er vijftig jaren lang op het doek had gebragt, mannen en vrouwen wier overvloed van kracht beider weelde bij wijle wat wild deed blaken, maar die tot in hare ontaarding toe van groote gaven blijk gaf, waar vielen zij langer te zien? Genot als jan steen zoo wel had gesmaakt als gegispt in voorstellingen even opmerkelijk door zinnelijken lust als door zedelijke luim, het was ons verbasterend, verweekelijkt, vroeg verouderd volk vreemd geworden; kneep het de kat nog, het kneep die in den donker. De type van den Rommelpotspeler bleek evenzeer verloren gegaan als de type van Hille Bobbe; dol genoeg mogt de boerenbruiloft zijn gebleven, de dwaasheid bad niets geniaals meer; waar verraste de humor nog die nooit preekte en toch niet naliet elke onzer dwaasheden de les te lezen? Och, het gesnuffel dat wij ons getroostten in de bestoven verzameling vlugschriften des tijds, door den gelukkigen bezitter van zoo velerlei belangrijks uit ons verleden gulgaauw ter beschikking van den schrijver dezer regelen gesteld, hoe schraal, hoe schamel werd het beloond! Eenige jaren vroeger pamflet ij pamflet over de gewigtige vraag: of de Staatskerk gevaar liep door het voorgeslagen huwelijk van Princesse carolina met een ‘Luters Prins;’ - eenige jaren later een vervelend: ‘Libel der Modens, aantonnende dat de wereld vol

[p. XXXII]

ydelheid is en de ydelheid daar door een Haak werd in den Neus geleijt,’ ziedaar het merkwaardigste wat wij vonden. Betreurt iemand het dat 1765 geen enkel vlugschrift opleverde, in 't welk onze jongeling zich verdiepen kon?

Er waren werkjes van den dag, meent men, van beter gehalte; en zeker, bayle mogt verscheiden zijn, de kritiek had hij ons vermaakt, aan maandbloeijers faalde het dier eeuw niet. Ten onzent leverde zij deze zelfs in twee talen op. Het Fransch en het Hollandsch wedijverden niet alleen in de Couranten en de Gazettes, beide deden het ook in Bibliothèques en Boekzalen, of hoe de beurtelings zes en twaalf airen heeten mogten, aan het einde van elk jaar tot zoo dunne schoof zaamgebonden. Openhartiger valt de toenmalige toestand dier litteratuur niet te schetsen, dan de Préface van een der vreemde tijdschriften ons dien blootlegt: het opstel draagt de dagteekening van 1750, negen jaren lang werd het maandwerk voortgezet. ‘Deux sortes d'Écrits périodiques’ lezen wij, ‘partagent l'attention du Public: ceux qui rendent comple des événements qui arrivent dans le Monde Politique, et ceux qui font connaitre l'élat de la République des Lettres. Les premiers ont une vogue beaucoup plus générale, par ce qu'ils sont du ressort de tout le monde, et qu'il n'y a point d'Élat, ni de Profession, qui ne puisse s' allier avec la curiosité de savoir les Nouvelles Politiques. Surtout quand les affaires sont en fermentation, et que les États éprouvent une de ces grandes crises, auxquelles ils sont de tems en tems exposés, l'allention redouble, et le caractère de Nouvelliste devient un mal contagieux. - Il s'en faut beaucoup que les mémes circonstances favorisent la publication des Journaux Littéraires. Il n'y a presque aucune Classe de Lecteurs, qui y prenne un intérét bien vif. Le Peuple qui ne se promet aucan fruit de leur lecture, ne l'entreprend pas. Les Grands, occupés de tout autre soin, en regardent à peine nonchalamment le titre, et poussent rarement l'effort jusqu' à le conserver dans leur mémoire. Il ne reste done queles Gens de Lettres; et il est rare que le débit qu'ils procurent enrichisse les Libraires. La médiocrité ordinaire de leur fortune leur fait regretter les moindres dépenses, trop heureux de subvenir au nécessaire.’ (Bibliothèque Impartiale.) Stond het met de inlandsche beter geschapen? vonden zij algemeene belangstelling? vooral ver-

[p. XXXIII]

heugde er zich het thans oudste onzer tijdschriften, het toen nog maar vijfjarige reeds in? Vergon ons het antwoord op die vragen schuldig te blijven, dit uit andere oorzak te doen dan dewijl onze jonkman et buiten geen exemplaar van mede bragt. Immers, wat zou ons weêrhouden in deze of gene boekverzameling de vroegste nummers na te slaan, als wij geene hoop hadden, er weldra meer van te zullen vernemen dan op die bladzijden staat gedrukt? Eerstdaags, vleijen wij ons, eerstdangs zullen we worden verrast met wat waarlijk eene geschiedenis van die honderdjarige heweging op het gebied des geestes zal mogen heeten: eene annschouwelijke voorstelling van wie bij opvolging zoo langen tijd den schepter over onze letteren hebben gezwaaid! Gelooft gij dat we dit geschenk zullen ontvangen uit de handen van bestuurders eens Gennootschaps dat zich, al heeft geel den staf over prijsvragen gebroken, beijveren blijft, door antwoorden op deze uit te lokken, de achttiende eeuw ten onzent toe te lichten? Gij bedriegt u; het archief van het overeeuwde tijdschrift is niet binnen elks bereik. Slechts de tegenwoordige redacteurs, meenen wij, hebben toegang tot dien schat van bijzonderheden, over de weelde der laatste dagen van ons gemeenebest, allerlei verval voorbereidend en voltooijend, - over de loutering ons door de vlammen, die het bij zijnen ondergang blaakten, beloofd, en den volke inderdaad vroeger in letterkundigen dan in staatkundigen zin ten deel gevallen, - over de heugenissen uit een roemrijk verleden ons schragende toen wij voor de snerpendste aller roeden in het stof hadden te bukken, - over de op nieuw veld winnende lamzaligheid onder een landsvaderlijk geprezen regering, - over ons eindelijk ontwaken; moge het voor goed zijn geweest! In staat uit overleveringen en aanteekeningen uit bescheiden en brieven bovenal meer te putten dan boeken vertellen, zullen zij, naar hooger lauwer dingend dan eenige maatschappij te verleenen heeft, zichzelven strenger eischen stellen dan beantwoorders of beoordeelaars plegen te doen, zullen zij volledig zijn, die schaarsche verdienste. Wat toeft ge, mijne Heeren! die u zoo zelden kwijt van uwe taak zelven tot uw tijdschrift bij te dragen, dien wensch te vervullen? (Vaderlandsche Letteroefeningen.)

Vruchteloos zouden wij het langer willen verhelen dat, ondanks alle aanspraak welke ieder levend schrijver op zijne tijdgenooten

[p. XXXIV]

maken mag deze ten minste kennis te zien nemen van zijnen arbeid, de zoon van den eigenaar Soetendael's geene Nederduitsche proza las der dagen welke hij beleefde. Of men het ons intusschen ten goede zal houden, zoo wij er bijvoegen dat we het in den borst zouden waardeeren, wisten wij stellig dat hij in de toenmalige voortbrengselen onzer pers geen behagen schiep? Er zagen Spectatoriale Vertoogen in menigte het licht, - de Philantrope mogt gestaakt zijn, de Denker trad op, de Philosooph zou verschijnen; - als zedelessen zijn lust waren, hij had die voor het kiezen. Ondeugend als we zijn, komen wij er voor uit, dat hij er ons te liever door zou worden, wanneer we konden bewijzen dat zijn gemoedsaard zoo min als zijn leeftijd hem uitlokten daaraan het oor leenen, - zoo ons vermoeden zekerheid blijken mogt, dat hij de talen onzer buren reeds te goed verstond om zich in middelmatige navolgingen van deze te verlustigen. Het moge honderd jaren later even moeijelijk vallen aan te toonen als te weêrspreken dat de invloed dezer geschriften op de menigte waarlijk zoo groot is geweest als gemeenlijk wordt beweerd: - dewijl de gebreken, als de bewonderaars opmerken, voor de gisping schuil gingen, om, zoo als de bestrijders vol houden, onder anderen vorm weêr te voorschijn te komen; - maar dat die stukjes allengs beneden de modellen daalden, naar welke zij beetten te zijn geschreven, dat in dit opzigt zelfs die van de Hollandsche Spectator te wenschen overlieten, het is bewijsbaar. Dertig jaren hadden in 1765 hunnen loop voleind sedert in het Drie Honderd Zestigste het laatste dier Vertoogen werd uitgegeven; tien jaren zouden weldra zijn voorbijgegaan, sints een tweede druk, - die in waarde had gewonnen door verwer's verdienstelijk leven des schrijvers, - het licht had aanschouwd. Viel het den hof onzer letteren aan te zien dat het zaad door justus van effen gestrooid welig opwassen mogt? waren wij in werkelijkheid de bloesems en de vruchten rijker welke men er zich van had beloofd? Het antwoord van iederen bevoegde onzer dagen zal ontkennend luiden; maar de vergoelijking is in aantogt; wat bewijst het tegen den meester dat zijne leerlingen hem niet wisten te overtreffen? Meer dan gij meent, mijne prijszieke, mijne prijsgrage Heeren! als de methode van het onderwijs den toets der kritiek niet zegevierend tarten kon: uit de school van zulk een kopyist vielen slechts kopieëerders te verwachten, al blijft

[p. XXXV]

het a puzzle hoe die man een enkel maal meester, zij het ook in een klein genre, groot, meester blijken mogt! ‘Schepper van de Hollandsche Proza’ heeft onze jeugd den schrijver des Spectators hooren noemen, tot het vernuft, 't geen scaevola zoo geestig en zoo goêlijk tevens schetsen zou, bewees dat deze nog niet geschapen was, dat zij er ten minste wanschapen uitzag. In ernst, wanneer gij, onder die zoo vaak misbruikte lofspraak op letterkundig gebied verstaat, wat het zonder aanmatiging gebezigd woord uitdrukken moet: het voortbrengen van zulk eene verscheidenheid van schoonheden, dat de nieuwe wereld van deze om het zeerst verrast en verrukt, dan kan alleen overdrijving haar naar aanleiding van dat weekblad bezigen. Was het voorregt schepper te zijn geweest in waarheid dien lang vergeten landgenoot ten deel gevallen? had onze twijfelzucht gevraagd, zoodra de vergelijking van het nagevolgde met het oorspronkelijke het onderzoek in teleurstelling eindigen deed. Of wij haar eerst gister ervoeren, heugt de ontgoocheling ons nog. Scheltema, door wien de vertoogen uit het stof der vergetelheid werden opgerakeld, had in de Agnietjes een zoo gelukkigen greep mogen doen, dat van kampen tot eene bloemlezing uit het zestal dubbele deeltjes werd verlokt; was het instinctmatig dat deze der drie en dertig dunne halmen welke hij bijeen gaarde, door de drie klaprozen of de drie korenbloemen, - kies welk beeld u het liefst is, - de kroon opzette, met dezelfde opstellen eener burgerlijke vrijaadje gewijd besluitend? Wij weten het niet; maar wat ons bijbleef, wat ons bijblijft is de verbazing over het verrassende van een meesterstukje onder zoo veel middelmatigs, is het vergeefsch zoeken naar eene verklaring van dat schier eenig verschijnsel. Wij verduidelijken wat niemand eene wonderspreuk schijnen moest, - schoon ons gevoelen dit, helaas! nog blijkt ook voor wie niet tot de schare behooren; - we verduidelijken het volgaarne op het standpunt der hedendaagsche kritiek, die, bij het erkennen van den invloed door schrijvers uit den vreemde op de onze uitgeoefend, er zich niet meé vergenoegt van de eersten maar de namen te noemen; die vergelijkt, en dus, onderscheidende, vormt. Van effen had, eer hij de veder voor ons volk ter hand nam, in de school der vernuften uit de gulden eeuw van lodewijk de xivde verkeerd; fransch was de beschaving der wereld zijner dagen, franch was zijne vroegste ontwikkeling naar den geest,

[p. XXXVI]

fransch was zijn eerst geschrijf. Ieder die studie, ieder die smaak genoeg bezat om zich in de oorspronkelijke eigenaardigheden dier taal, om zich in het bevallige, het geestige, het juiste harer uitdrukkingen te vermeiden, bleek toen ten onzent reeds sedert vijfentwintig jaren de kwade kansen prijs gegeven, tweemalen aan haar misbruik te worden geergerd tegen eens haar gebruik te kunnen toejuichen. Wij hadden vast drie styles français: den stijl onzer zoogenaamde fransche scholen, die geen stijl hadden, - den stijl du réfuge, die allengs deerlijk verbasterde, - en eindelijk den eigenlijken, in ons vaderland slechts gehoord van die bezoekers welke de gasten onzer groote wereld waren, de véritables Parisiens. In eene taal te schrijven noch van de lippen onzer lieve moeder afgeluisterd, noch ons onder het opwassen door het dagelijksch verkeer al spelend onthuld; dat de doen, in welke ook, zonder het land waarin zij gesproken wordt te hebben bezocht, zonder te midden des volks waarin zij leeft te hebben verkeerd, het is altoos hagchelijk, het is nimmer hagschelijker dan wanneer het Frankrijk, dan wanneer het Parijs geldt! Oh! le français de contrefaçon, haast drie eenwen lang te's Hage voor goede munt uitgegeven! Grammaticale studie, die voor grove vergrijpen behoedt, grammaticale studie die correct schrijven leert, van effen had ze zich onloochenbaar getroost, en eigen gemaakt; maar bezat hij ook, buiten die eerste vereischten, de even onmisbare gaven des geestes, om welker wille alleen de vreemdeling het onhebbelijke van deze of gene wending, als we zijne taal spreken, verontschuldigt, en het oneigenaardige der zegswijze voorbijziet? Lokte hij het woord op hunne lippen: l'expression laisse à désirer, mais la pensée a sa valeur: ging het hem als zijnen jengdigen vrienden, Hollanders van geboorte zooals hij, de sallengre en's gravesande, dien men hunne uitheemsche afkomst, opvoeding, levensbeschouwing eene wijle ten goede hield? Eene wijle, zeggen wij; want de eerste verscheidde te vroeg om tot eene gissing regt te geven, welk het eindoordeel over zijn arbeid zou zijn geweest; want de laatste verwierf zich zijnen roem, in een hoogleeraarszetel aan de Leijdsche Universiteit, door latijnsche dictaten en werken in het Latijn. Beiden wijdden zich buitendien van den beginne af wetenschappen toe, hij welke de vorm niet zoozeer overweegt als in het genre door van effen gekozen. Twintig jaren levens besteed aan de he-

[p. XXXVII]

oefening eener vreemde letterkunde, hoe schijnen zij ons verkwist, wanneer eene eeuw later de verdiensten en de gebreken van den arbeid vallen zaam te vatten, in een verslag als het volgende: ‘Van effen n'est pas à mettre en comparaison pour l'esprit et le talent avec ses collaborateurs,’ - de twee landgenooten door ons genoemd, - ‘l'abondance et la facilité, qualités précieuses dans le métier du journaliste, servent peu à elles seules pour prolonger la durée d'un écrit par delà le jour qui l'a vu paraitre. Le Misanthrope, la Bagatelle, le Nouveau Spectateur français et le Spectateur hollandais, loules ces imitations de steele et d'addison n'ont pas vécu jusqu'à nous; mais van effen a le mérite d'avoir traduit le premier avee agrément, à l'usage des lecteurs français, les Aventures de Robinson Crusoé.’ (a. sayous, Le Dix-Huitième Siècle à l'Étranger. Tom. I pag. 44)

Arme van effen, maar een verdienstelijk vertaler! - laat ons zien in bouverre hij, als navolger, gelukkiger heeten mogt. Voor het genre dat door zijne pogingen ten onzent het burgerregt verwierf, het genre in Engeland schier met zijne eeuw geboren, kwam zijne studie der groote Fransche meesters der vorige hem luttel te stade: beeldende kunstenaars waren de voortreffelijken geweest; wel maar in woorden zoo ge wilt, doch daarom niet minder aanschouwelijk, geen bespiegelende betoogers. Hoe zou de trits van ongeduld zijn verteerd geworden, had deze zich beperkt gezien binnen zoo enge grenzen als den nieuwen vorm bleken gesteld; wie hunner ware er mêe te vreden geweest niet te mogen schilderen? met eene schets, met een omtrek voor lief te moeten nemen? Stel u den dertigjarige voor, die, al wat hij vroeger had geschreven overtreffende, de wereld door zijn Cid verbaasde, zijn Cid, want Spanje had slechts de stof geleverd, opvatting en uitvoering behoorden hem toe, - wat zou corneille van een vermakelijk, vermanend weekblaadje hebben gezegd? Het is ons of wij tusschen die vroeg kale slapen dat hooge voorhoofd zich fronsen zien; de donkere kijkers blikken er naauwelijks op neêr; de knevel krult. Geen hartstogt zoo hoog dien hij niet weet weer te geven, niet te breidelen weet; wat gaan hem die beschouwingen aan, wat heeft hij met die alledaagschheid gemeens? - Er straalt zachter glans van onder de breede en hoog gewelfde wenkbraauwen zijns mede-

[p. XXXVIII]

dingers; de mijmerzucht van dien statelijken man boeit onwederstaanbaar; zijne oogen schreijen, doch niet om wat de werkelijke wereld bezig houdt. Het lief en het leed, het leed vooral der liefde, ziedaar wat racine aantrekt, wat hij zuchtend, wat hij zangerig klagen doet als niemand voor, niemand na hem. Meester van het gemoed, welks diepten hij peilde, mogten zijne vormen geene andere zijn dan de verhevenste: verzen, vloeijende verzen, - blakende als Phedra hare driften, ondergaande, botviert; smeltende als Berenice die, zegevierende, bedwingt! - De la vile prose à portée de tout le monde.... - Wat vreest gij dat we verre van ons onderwerp zijn afgedwaald? wij keeren er ijlings toe weêr in den derde, in moliere, wiens forsche, flinke trekken uit marmer schijnen gebeiteld, wiens fiere blikken tintelen van geest en van gloed: een zoo universeel genie dat er uit zijne meesterstukken licht straalt voor beide hooger en lager leven. Op den gemeenzaamsten voet ontvangen door den grootsten koning zijns tijds, beschaamt hij in het rijk hem bedeeld le roi-soleil: hij begrijpt, hij gevoelt wat in den meeste als in den minste der menschenkinderen omgaat. Welke dwaasheid die hem ontsnapt? welk gebrek dat hij niet ann den dag brengt? schaars scherp, nooit straf, is zijns schalke scherts een tuchtmeester, wiens wederga gij vruchteloos elders zoekt! Helaas! hoe weinig bewijzen de fransche verzen door van effen dezen gewijd, - in welke hij de overwinningen toejuicht door la Muse Comique op eenige belagchelijke, bespottelijke typen van haren tijd behaald - hoe weinig bewijzen zij dat hij in hem een voorbeeld waardeerde aan alle volken als aan alle eeuwen gegeven! Kenschetsend, zoowel voor de dagen door onzen landgenoot beleefd als voor de denkbeelden waarmeê deze hem vervulden, mag het heeten dat hij in zijne beproefde vergelijking van fransche dichters met latijnsche aan boileau den palm toereikt boven horatius; dat hij in den laatste den lierdichter voorbij ziet. Al is ons de toegang tot de oorspronkelijke bron ontzegd, overgeschonken in tal van schalen was ons het vocht toch altijd te groote verkwikking om in zijn misgreep geen vergrijp te zien. Letterkunde bij letterkunde heeft gewedijverd, letterkunde bij letterkunde wedijvert nog, wie er gelukkigst in slagen mag volgende geslachten met nieuwe vonkeling van dien onverouderbaren wijn te verrassen; het is geen blijk van vooruitgang aan onze scholen zoo het getal jongelingen op wier

[p. XXXIX]

lippen horatius voortleeft steeds kleiner wordt; de grijsaards die hem van buiten kenden waren de geestigste mannen onder degenen met wie het onze jeugd genot was om te gaan. Weinig intusschen, meent gij, zou van effen bij dieper studie van den eenen en den anderen dier dichters hebben gewonnen, zelfs het hekeldicht slaat stouter wieken uit dan het zedenschrift zijn bedeeld; maar onze zuidelijke naburen verheffen zich, als er sprake is van de stijlisten door welke zij Europa in de zeventiende eeuw naar den geest hebben beheerscht, op een talent, ‘qui marque l'ère nouvelle de leur prose.’ Geen schepper, merken wij op, - geen schepper, niet eens een hervormer, - maar een toonbeeld hoe juistheid en geestigheid van uitdrukking zaam kunnen gaan, hoe ver men het door velen en velerlei in ontwikkeling had gebragt. Van effen heeft de geschriften van dien autheur gekend, gekend zoo goed als wij, die nog even weinig van 's mans leven weten als hij deed, die misschien alleen boven hem vooruit hebben dat we de beeldtenis van dezen schrijver bezitten. Hoe zouden wij de verzoeking kunnen weerstaan een omzien de afschaduwing van wie der wereld de Caractères vermaakte met die van wie ons de Spectator naliet, indruk tegenover indruk stellend, te vergelijken? Geen van beide, het eischt naauwelijks herinnering, behoorde tot de gunstelingen der fortuin. De la bruyêre werd door bossuet tot leermeester in de geschiedenis bij den Due de Bourgogne geplaatst, die kleinzoon van lodewijk de xivde welke Dauphin van Frankrijk worden zou, om toch nimmer te regeeren! Onderwijzer dus, schoon van een vorstelijk kind. Van effen was tot viermalen toe, gouverneur van zonen van aanzienlijke huize ten onzent, aan deze nu eens in hunne ouderlijke woning zijne kennis mededeelend, die dan weder ter voltooijing hunner studiën op de hoogeschool vergezellend. Onderwijzer dus, van kroost van maar groote heeren. Monarchie en Republiek, het verschil tusschen beider vormen, tusschen beider loon voor verleende diensten handhaafde zich, tot in dit onderdeel van de wereld der letteren toe. Er was overeenkomst in de eischen door ons tweetal schrijvers aan het leven gedaan: vrienden en boeken, ziedaar al den omgang dien zij begeerden, al de weelde welke zij zich toewenschten; maar hoe veel volkomener zag zich het verlangen van den Franschman dan dat van den Hollander vervuld! Toen de jaren des leerens van louis Due de Bourgogne waren verstreken werd aan de la bruyêre en

[p. XL]

qualité d'homme de lettres eene jaarwedde de mille écus verzekerd; de waarborg eener eervolle onafhankelijkheid, welke hem veroorloofde zijne opmerkingen voort te zetten, zijne schetsen naar het leven te voltooijen. De benijdeuswaardige! - al mogt hij nooit op den voorgrond treden toch toeschouwer gebleven, ging op het aauzienlijk tooneel hetzelfde spel voor hem zijnen gang; - ‘peintre hardi à la fois et discret, qui a voilé une partie de ses personnages et qui s'est derobé lui même,’ wordt hij ons door sainte-beuve beschreven; was bij in de gelegenheid zich te overtuigen of hij juist had geteekend, juist had getoetst. Anders van efpen, die, ja, in den vader zijns voorlaatsten leerlings, de Graaf van welderen, een beschermer vond, aan wiens invloed hij ‘de belangrijke betrekking van kommies bij 's Lands Magazijnen van Oorlog te 's Hertogenbosch’ had dank te weten; maar daardoor uit zijn kleinen, doch keurig gekozen gezelligen kring werd gerukt, maar slechts ten deele het hem voorgespiegeld inkomen genoot. Vreemd genoeg heeft zich zoo min zijn vroeger als zijn later levensbeschrijver aan het zonderlinge dier wijze van beloonen geergerd; vreemder nog besluiten beide hunne opmerking hoe moeijelijk het eenen man van zijnen geest vallen moest om den wille van zulk een ambt zijne geliefkoosde studiën te staken, zonder een zweem van verbazing over het middeltje dat hij wist te vinden om het onvereenigbare gepaard te doen gaan. ‘Hy vertrouwde dan, gelyk hy altyt goed van vertrouwen was, de waerneming van het lastige, dat er aen vast was, aen een Onder-Kommies, waerdoor hy werkelyk veel van het voordeel miste, dat anderen voor zynen tyt en na hem hier uit genoten hebben:’ tuigt de achttiende eeuw. ‘Hij droeg daarom de werkzaamheden aan zijn ambt verbonden aan een onderkommies op, maar miste hierdoor natuurlijk veel van de geldelijke voordeelen, die hij er anders van zou genoten hebben,’ herhaalt de negentiende. Dat de Graaf van welderen riemen sneed van het leer des Staats, dat van effen niet voer waar hij voor scheep kwam, schijnt, om met een derde spreekwoord te besluiten, bij den een als bij den ander door den beugel te kunnen. Tot de afbeeldingen die al zoo lang voor ons liggen. Hoe getrouw geven zij den verscheiden toestand weer. ‘Quel grand air!’ roept gij uit bij den eersten blik op deze kloeke gestalte: ‘hij bootst het niet na, hij heeft het van nature!’

[p. XLI]

En gij herhaalt dien kreet van onwillekeurige bewondering, want al zwieren de krullen der pruik langs het breede gelaat in lokken tot op de schouders af, of de la bruyêre getooid ware om ten hove te gaan, daarvan is, blijkens het overige des toilets, geen sprake, en, zou het u kunnen ontgaan? niet den geleenden haren dankt het hoofd den indruk welken wij ontvangen: door de wijze waarop hij ze draagt, maakt het dien! Gij aanschouwt hem ten zijnent, de lange, breede, witte das is achteloos om den hals geknoopt, het eenvoudig gewaad heeft geen tooisels, linten noch strikken sieren het op; slechts geeft de linnen mouw, waariut de forsche regte te voorschijn komt, een zoom van kant bloot. Het is alsof de autheur der Caractères zich in zijne huiskleeding een groep of een woord te binnen brengt: iets dat hem doet stilstaan, dat hem doet staren, dat hem schetsen doet. Een oogenblik en hij zal eene gedachte vereeuwigen in eene uitdrukking door alle nakomelingschap benijd. Gesloten mogen ze blijven, die bij het overige des aangezigts zoo dunne lippen, uit de wijd geopende oogen tintelt de verrassing reeds. Stil, schijnt de hand te zeggen, die den bovenrand der ruglenning van den prachtigen stoel omgrijpt, stil, en we zijn het, - sla zijne werken op als gij weten wilt of wij vergeefs hebben gewacht! - Ach! waarom verbiedt de beeldtenis des landgenoots in denzelfden toon voort te varen? Stokstijf uit eene leelijke bosshchaadje aan het licht komend, stokstijf staart van effen ons aan, houterig, staaksch! Het is zijne schuld niet dat de gelaatskleur, die volgens de beschrijving des tijdgenoots naar het bruine trok, ons blank toeschijnt, door de overdrijving eener graveerstift welke, in plaats van donkere oogen, blaauw tot bruin wordens toe, zwarte stippen gaf en dus het aangezigt alle uitdrukking derven deed. Wat echter aan hem te wijten valt, dat is de kleingeestig groote keurigheid van den hom des hemds, dat is de bloemrijkheid van het vest, sterker sprekende dan hij die beide fraaijigheden draagt. Zoo onberispelijk moet hij zijn gekleed geweest, wiens uiterlijk wel eens de gedachte deed opkomen ‘dat hy van Fransche Afkomst was, en niet ongenegen om de Jonkers na te volgen,’ gouverneur van top tot teen, toujours sur ses gardes. Meester moge die man zijn geweest, met genoeg verstande bedeeld om velerlei jongelui te vormen; meester in het voorzigtig verzwijgen van wat zijn hoofd of zijn hart krenkends weérvoer, allerbehoedzaamst zijne

[p. XLII]

gewaarwordingen bewakend, allerbescheidenst zijne meening te berde brengend; doch geniaals valt hem niets aan te zien, die zich dus uitschilderen liet, alsof hij gereed stond les te geven in eene beleefde buiging. Een weinig verbeelding, en uit net laantje tegenover hem ziet gij eene lieve aanzweven die kiezen mogt ‘uit de vijf of zesder hand Modes van mutsjes’ toen ‘in zwang;’ die eene ‘nieuwe verscheidenheid aan de honderderlei kleuren van linten,’ aan ‘de schikking van vercierde bloemen,’ aan ‘'t optooijen van 't hair’ ontleent. Terwijl hij opmerkt hoe die ‘teere en buigzame vingertjes, door eigenliefde geleid,’ aan ‘haar hulsel de fijne streken’ hebben' ‘bestierd en uitgewerkt,’ die ‘het geest, en leven geven,’ - eene taak waarvan ook ‘de bedrevenste kamenier’ zich niet kwijten kan, - leere de kweekeling aan zijne zijde ‘een klein, teer jonkertje zijn hoedje van de breedte van drie vingeren,’ zwierig onder den arm te houden, als hij salueert. Laat ons billijk zijn: de stem van voor honderd jaar die in onze ooren weerklonk, getuigde reeds dat, ‘de Afbeelding, gelyk sy geshchildert en in Prent gebragt is, aan allen die hem gekent hebben, niet evenzeer heeft voldaen’; laat ons er bijvoegen dat aan de la bruyêre een schilder ten deel viel die naar het voorbeeld rembrandt's van het licht beschikte, terwijl van effen zich met den teekennar des angeles vergenoegen moest. Echter den ongunstigen indruk, bij de dubbele beschouwing door onzen landgenoot gemankt, daarom geheel weg te wisschen, wat zou het anders zijn dan een vergrijp aan de waarheid die in dezelfde verhouding licht en schaâuw stort, als wij den letterkundigen arbeid van beide mannen tegen elkaêr stellen. Van effen had, wij gelooven het gaarne, in les Caractères de schetsen van le courtisan, l'homme de robe, le financier du siècle de louis xiv bewonderd; doch bezielden hem die voorbeelden tot maar omtrekken uit het tweede Stadhouderlooze tijdvak van den staatsman, den regent, den koopman, den leeraar? Eene gestaafde ontkenning zou vervelend zijn, een enkele trek bewijze dat hij de verdienste van zijnen voorganger niet te waardeeren wist. Sainte-beuve getuigt van de la bruyêre: ‘C'est de l'esprit distillé et fixé dans lout son sue; on n'en saurait prendre beaucoup à la fois.’ Welnu, volgens den jongsten lofredenaar van onzen landgenoot paraphrazeerde

[p. XLIII]

van effen de la bruyêre, - zou verwaterde niet het juister woord zijn geweest?

 

The Spectator - die zoo wel zijne voorgangers als zijn navolgers uit de achttiende eeuw verdient, te overleven - gaf door zijne eerste proeven niet slechts blijk hoe duidelijk den beiden meesters, welke zich verbonden dagelijks een onderhoudend blaadje te leveren, het doel van hunnen arbeid voor den geest stond; die inleiding getuigde tevens hoe diep zij van het besef waren doordrongen, dat het slagen hunner onderneming zou afhangen van de keuze eens bondgenoots in den vorm, verscheidenheid, wij zeggen liever waarborgend dan veroorlovend. Opmerkingen mede te deelen ten einde ‘het dagelijksch verkeer te gelijk gemakkelijker en genoegelijker te maken, en voor den gezelligen omgang die hinderpalen uit den weg te ruimen, welke, zoo zij al geene rotsen der ergernis meer waren, voortdurend nog struikelblokken der beschaving mogten heeten;’ - opmerkingen over allerlei menschen en dingen, ten beste gegeven door een toeschouwer die van zichzelven verzekeren dorst, de wereld in velerlei verschijnselen te hebben gadegeslagen, die zich bij beurte en met dezelfde belangstelling ‘staatsman, krijgsman, koopman, werkman’ had gedroomd; - die poging beloofde aan geesten door studie gerijpt, door liefde gedreven, gelegenheid te over om goed zaad te strooijen, waar de grond op gebied bij gebied nog letterlijk braak lag. Als de dichting zich maar aardig wist uit te dossen, dan zou de waarheid wel ingang vinden. Het ging niet aan op vier of zes of acht zijdjes klein octavo papier, om den wille van oogan, die, uit welken hoofde dan ook, te wenschen overlieten, bedrukt met eene letter ons te kloek toeschijnend, in honderd vijftig regels, of in het dubbele, zelfs in het drie dubbel van die eenig onderwerp uitvoerig te behandelen, met andere woorden bespiegelend regt te doen. Veel bekoorends mogt der aanschouwelijkheid eener vertelling niet te ontzeggen zijn, ook als Engelands eerste novellisten nog niet maar in de wieg hadden gelegen, ook als zij niet nog slechts bezig waren geweest met kat-

[p. XLIV]

tenkwaad uit te voeren, of deze of gene saaije kopij te zetten, te regt had de vrees zich doen gelden, dat, trots alle talent, het dag aan dag afbreken van den draad den lezers het geduld zou doen vergaan, om dien telkens weêr aan te knoopen. Het geheugen des publieks was er nog niet aan gewend geraakt op zoo zware proef te worden gesteld, als menig feuilleton dit sedert met romans waagde, in allengs sterker prikkeling het middel zoekend de aandacht gaande te houden. Losse stukjes moesten het dus zijn, mits een tooverstrik ze zaam hield gesnoerd. Welk eene vindingsgave kondigden die eerstelingen in hunne schijnbaar zoo eenvoudige zamenstelling, in hunne vermeende gulgaauwe openhartigheid aan. Gewaagd zoudt gij het hebben geacht dat een oud vrijer, die zich zelven voorstelde als levenslang te hebben gezwegen, eensklaps de veder opvatte om zijnen tijdgenooten, - verbloem het zoo veel ge wilt ten slotte moet het hooge woord er toch uit, - de les te lezen; maar werd de grilligheid van het licht, waarin hij zich dus doende plaatste, niet fluks getemperd door den gezelligen zin die hem van club tot club dreef, naar ieder koffijhuis, naar elke schouwburgzaal? Oudvrijer mogt hij zijn, oude grompot was hij niet. Eigenaardig, dat bleek uit het vlugge verhaal van zijn leven, eigenaardig vatte hij gebeurtenissen, gedachten, gewaarwordingen op; doch wel verre van uitsluitend die luim te willen bot vieren, besloot hij het stukje met de belofte dat een volgend ons zijne medearbeiders zou doen kennen. Een club op eigen hand, - de schrijver van het tweede opstel nam den wenk ter harte, - out-sloot zich voor ons of ook wij tot leden waren aangenomen; wij maken kennis met vijf of zes heeren, vertrouwelijker dan dit bij menig eerst bezoek hel geval is, zonder dat wij daarom nog durven beslissen wie der broeders ons de liefste worden zal. Uit het leven der wereldstad van het eilandrijk waren door den autheur eenige typen omgetrokken, of hij voorzag dat zoo luchtige lijnen zijnen vrienden mogten volstaan, om die beurtelings op te toetsen, om uit de kleine groep een paar figuren aan te vullen en af te werken, tot het noemen van hunne namen de beschrijving van karakters evenaren, tot een van deze een ideaal worden zou. Levendig genoeg om opmerkzaamheid te verdienen waren zij voorgesteld: de goedhartige landedelman, beminnelijk tot in zijne zwakheden toe, - de regtsgeleerde, die zich liever in de studie der

[p. XLV]

letteren dan in die der wetten verdiepte, - de vermogende handelaar zijn fortuin aan orde en vlijt verpligt, in vrijzinnigheid den geest zijns tijds vooruit, - de krijsman van den dienst afscheid nemende, dewijl hij in dezen verdiensten allengs minder zag gelden dan vleizucht, - om ook wat scherts te mengen in zooveel ernst een gunsteling der vrouwen, schoon reeds op jaren nog jong, - en, last not least, bijwijle slechts in de club verschijnend, de geestelijke, wel opgevoed en wijsgeerig tevens, ziekelijk en maar zelden het woord nemand, doch, doet hij dat, dan door allen gaarne anngehoord, daar zijne wenschen niet van deze wereld zijn, daar zijne hoop vast den hemel inzweeft. Het zwaaijen eener wigchelroede kan geen grooteren ommekeer te weeg brengen dan deze enkele greep; hoe bleek de gezigteinder, voor wie begonnen waren met den oudvrijer gewillig het oor te leenen, eensklaps verruimd! Bleef e reen kring in de gansche maatschappij dier dagen over tot welken zulke eene verscheidenheid van leden den weg niet baande? the confirmed old bachelor kon allerlei zienswijzen tegenover de zijne stellen, tot die van every blessed Benedict toe, - uitgesloten bleef alleen wat met verveling bedreigde, bleef het eentoonige. Waartoe echter langer van maar een autheur gesproken? ieder weet, - wij zelven gaven het reeds aan - dat the Spectator voor verreweg het grootste gedeelte, bijna geheel door twee vernuften werd geschreven, die, schoon zij elkander niet opwogen, elkander aanvulden: het geheim misschein waardoor de blaadjes bij de tijdgenooten voorbeeldeloos slaagden, waardoor zij zelfs in den vreemde het voorwerp blijven der bewondering des nageslachts. Onder de gewelfde bogen van Charterhouse in Londen, welke toen nog geen twee eeuwen geleden Engelands laatste karthuizers hadden nanschouwd het getijboek ter hand, waren joe en dick, leerende en spelende, opgewassen: de beschroomde knaap, weldra de knapste van allen en de wilde jongen met het beste hart ter wereld bedeeld, - deze slank van gestalte, gene schier vierkant van bouw, - verscheiden van gemoedsaard als van gaven en toch elkander wederzijds aantrekkende, schoolmakkers die vrienden zouden blijken. Oxford, de hoogeschool, zag hen weer zamen, joseph den ook daar verworven roem van veelzijdige studie allerijverigst handhavende, richard een blijspel schrijvend dat op den raad van zijn vetrouwde gewillig ten vure werd gedoemd, - joe de geregeldheid, de orde zelve,

[p. XLVI]

kennis bij kennis vergaderend zoo als de bij het haren honig uit keur van bloemen doet, dick heden in vollen ernst schreijende over de uitspattingen gister door hem begaan, om die morgen echter met, denzelfden lust te hernieuwen, - strijdige naturen, zoudt ge hebben gezegd, als elke twist niet in verzoening ware geeindigd. Richard mogt de vurige, bruine kijkers beschaamd nederslaan als joseph hem met de ligtblaauwe oogen van al grover vergrijp zwijgend rekenschap vroeg, - richard dol opvliegen als joseph straf afkeurde, - steele gevoelde ijlings weer behoefte aan addison, was iemand zoo goelijk als deze? wist iemand meer dan hij? - en addison? zou hij steele niet hebben liefgehad, dien hij tegelijk benijdde en beklaagde? dien hij bewonderen bleef? De meerdere den mindere? vraagt ge twijfelziek. Och, joe mogt zich de ee