Heeft Michelet in zijn beroemd werk over de geschiedenis der Renaissance onlangs beweerd, dat het tijdperk, hetwelk dien naam draagt drie eeuwen vroeger had moeten ontstaan, en dat reeds in de dertiende eeuw Europa uit den doodslaap der middeneeuwen tot een nieuw leven had moeten ontwaken, wij verdenken hem bijna als had hij die theorie zijnen gezworenen vijanden afhandig gemaakt. Zooveel overeenstemming is er tusschen hem en de katholieke kunstschool, voor wie de dertiende eeuw het tijdvak van Pericles vervangt. Wanneer de Fransche geschiedschrijver beweert dat Rabelais, de hoogst verdachte pastoor van Meudon, de onmiddellijke op-
volger van Abeilard en Occam had moeten worden, dan moeten wij de opmerking maken dat het wel schijnt of de zwarte zijn boosaardig spel met de uiterste partijen blijft drijven en nu bezig is de katholieke kunst te verschalken, door haar tot het leveren van karikaturen te verleiden. Het zou ons spijten voor de katholieke kunst; ons, die eerbied hebben voor meester Overbeck, voor den door hem op nieuw verfrischten goudgrond; voor de heiligen die met opgeheven voorvingers de wereld, die in het booze ligt, blijven bepreken, maar kop en vlerken laten hangen omdat de wereld naar die preek niet luisteren wil: de Saints mau-pendus, zoo als onlangs een ligtzinnige Franschman ze noemde. Het zou ons, herhalen wij, spijten indien de katholieke kunst zich in karikaturen verliep, waartoe zij wel eenigen aanleg heeft ten gevolge van die heilige onwaarschijnlijkheid, welke een grondtrek van haar karakter uitmaakt. Wij zouden die heilige onwaarschijnlijkheid met een deftiger woord ubiquiteit kunnen noemen en haar omschrijven als het stelsel, volgens hetwelk het Christus-kind in al zijne typische algenoegzaamheid, en evenzeer de hongerende en dorstende, de gegeeselde, de gekruisigde en doorwonde, de opgestane en verheerlijkte Heiland dezelfde blijven, welke ook de omgeving moge zijn, in welke de type door de kunst worde voorgesteld. Zoo als het Kers-, Drie-koningen-, Paasch- en andere feesten telken jare nieuw zijn en echter in hunne vormen onveranderlijk oud, evenzoo is het Christus-kind, dat St. Christoffel op de schouders draagt, dat St. Antonius van Padua in de armen koestert, aan hetwelk Lodewijk XIII kroon en scepter wijdt, geen ander dan hetgeen in de kribbe begroet werd door de herders en de wijzen. De hongerige, kranke Christus, dien de liederlijke St. Juliaan en zijne bijzit verplegen, geen ander dan die welke het bekende kerklied in het propter mesedisti lassus huldigt: en de kruisseling die tusschen het gewei van het hert aan St. Hubert verscheen, drukte zijne wonden af in het ligchaam van den H. Franciscus. Ziet uwe
altaarstukken, uwe geschilderde glazen. De Christus, in welke volheid zijner verschijning ook opgevat, blijft dezelfde, terwijl zijne omgeving naar tijden en kostumen der tijden afwisselt, van de Romeinsche saga, langs den malienkolder, door de monnikspij, met Boergoensche kapsels en tootschoenen, tot de deftig getabbaarde en kortgekapte hoofdlieden der burgergilden. Hebben wij het duidelijk genoeg gezegd, dat de katholieke kunst hare kracht vindt juist in het verbreken van eene dier harmonische eenheden, waarop de klassieke kunst prijs stelt, dan hebben wij tevens de belending aangewezen, waarmede zij het onheilige gebied van den laagsten aller kunstvormen, de karikatuur, raakt. Immers - men ga het bij zich zelven na - wat is meer het hulpmiddel van deze, dan juist het verbreken der eenheid, door ongerijmde proportiën of onmogelijke bijeenplaatsing?
Wij zouden ons in deze beschouwing niet hebben verdiept, hadde niet een meesterstuk van den grooten Overbeck ons vooral ongerust gemaakt, sedert het door de goedkeuring des H. Vaders is bezegeld. Het is eene voorstelling van Lucas IV vs. 20. De Heiland staat op eene rots, vanwaar Phariseën, Sadduceën, Schriftgeleerden en volk, wier woede uit hunne gelaatstrekken spreekt, hem in den afgrond trachten te storten. Achter hem echter openen engelen eene wolk, om hem aan de bloedgierige raadslagen dier menigte te onttrekken. Alles op goudgrond, a tempera geschilderd. De sens moral van het stuk is deze: de Heiland is Pius IX; de zaamgezworenen de revolutionairen van 1848 - de wolk - wat weten wij het? - Gaeta? Op dit terrein zij de vrome kunst voorzichtig. Al moge zulk eene voorstelling, dank zij het talent van Overbeck, op eene overtuigde menigte haren indruk niet missen, de vijandige mensch gaat rond en strooit kwaad zaad op den akker. Zoo zou de tijd kunnen komen dat het ongeloof op het gebied der karikatuur zijne wraak nam en wij weder, als in de dagen van Michel Angelo, kardinalen in de hel zagen, welke de Paus alleenlijk dán had
kunnen verlossen, wanneer ze nog slechts in het vagevuur waren geweest.
(Konst- en Letterbode, 1857, No. 10.)