Op den 21en October [1857] overleed, te 's Gravenhage, in den ouderdom van bijna 36 jaren mr. Gerrit de Clercq, secretaris der Nederlandsche Handelmaatschappij. Hij was de zoon van den beroemden Willem de Clercq die zich niet alleen bij het groote publiek als den eersten Nederlandschen improvisator naam maakte, maar ook in een beperkter kring door zijne proeve over de Zuid-Europesche dichtkunst als oorspronkelijk denker en kunstregter gelden liet. Aan dien vader had G. de Clercq veel te danken: bij een zeer vroegtijdige ontwikkeling leerde hij in de oorspronkelijkheid zijns vaders zijne eigene waardeeren, en wij die nimmer autodidaktiek zullen aanprijzen, wij zouden bijna bij zulke gelukkig georganiseerde geestvermogens als die der De Clercqs durven
beweren, dat de natuur boven de leer gaat. Van zijn vader had hij de liefde voor fraaije letteren en poëzy, de kennis van de klassieke schrijvers van den nieuweren tijd overgenomen; de vriend zijns vaders, mr. Is. da Costa, leidde hem op in de kennis der ouden. Maar beider leiding was voor den vurigen jongeling, die al vroeg eene rigting, van die van beiden verschillend, insloeg, in het minst geen leiband. Eene zeldzame vatbaarheid nam het geleerde gemakkelijk op; een willig geheugen behield er van hetgeen door een schrander oordeel gezift was. Hoogst ontvankelijk voor elken indruk, prikkelbaar tot vrouwelijke grilligheid toe door al wat schoon of nieuw of verrassend was, bleef in dien vloed van beelden en gewaarwordingen, die de ervaring van den dag hem toevoerde, zijn hoofd steeds helder. De gemakkelijkheid zijns vaders in het voeren van woord en pen had hij overgeërfd; wanneer hij schreef en sprak was zijne gedachte steeds helder en de vorm, waarin hij die uitdrukte, zoo plastisch juist en zoo schoon tevens, dat zijne weinige geschriften meesterstukken van Nederlandschen stijl zijn. Het spreekt van zelf, dat aanleg en omgeving De Clercq geheel en al in de armen der jongere school wierp. Aan de hoogeschool te Leiden, waar hij met de hem eigenaardige vlugheid gemakkelijk, zoodra het noodig was, eenige verzuimde cursussen der hoogleeraren inhaalde, ontwikkelde hij zich vooral in dagelijksche wrijving, in onverpoosden wedijver van kunstgevoel, luim en dialektiek met de voortreffelijkste zijner medestudenten. Een jong advokaat vindt, na zijne promotie, niet zooveel te doen of hij kan zijn hartelust volgen en De Clercq deed dit door zich aan de redactie van de Gids aan te sluiten en bragt daar zelfs eene hervorming te weeg, waardoor dit tijdschrift van persoonlijke en bepaalde beoordeelingen afzag, ten einde daaraan, in navolging der Engelsche tijdschriften, meer door literarische overzigten over bepaalde punten van wetenschap, smaak en kunst, een algemeene strekking te geven.
Van hem zijn verschillende bijdragen van staatkundigen en
staatsregtelijken aard, zoo als over het voorstel ter grondwetsherziening van 1845, over den Belgischen opstand, over de Histoire de dix ans van Louis Blanc, alle in den echt vrijzinnigen geest geschreven, maar die door de nieuwheid van voorstelling tot opvattingen aanleiding gaven, welke even verre van de bedoelingen des schrijvers waren als overeenkomstig met de kortzigtige ervaring van de meerderheid der lezers.
Het jaar 1848 kwam en De Clercq, de welsprekendste en geestigste woordvoerder van het jeugdig liberalisme, viel der triumferende partij zoo zeer in het oog, dat twee ministers, die van buitenlandsche zaken en die van finantiën, wedijverden, wie hem aan zijn departement zou verbinden; finantiën won het: als referendaris bleek De Clercq een bekwaam ambtenaar, vooral bij het herzien der tarieven, maar inzonderheid maakte hij zich verdienstelijk als verdediger der nieuwe scheepvaartwetten. Over een onderwerp, dat zeer drooge, zeer stoffelijke redenering te vorderen en weinig verheffing toe te laten schijnt, schreef hij op eene wijze, die èn de zaak voordeel deed èn der Nederlandsche welsprekendheid tot eer verstrekte. Sedert is er weinig van zijne hand ons bekend. In 1852 werd hij geroepen tot het secretarisschap der Nederlandsche Handelmaatschappij en wij willen gaarne de lofspraak gehoor geven, aan hem in die betrekking toegezwaaid. Maar zijne vrienden, en, wij durven het zeggen, de meeste dier vrienden waren zijne bewonderaars, bejammeren het, dat het beste deel van zijn schranderen geest, van zijne veelzijdige opmerkingsgave, van de juiste beschouwingen over zijne uitgebreide lectuur, vervloog in de gesprekken van zijnen kring. Het is even onwijsgeerig als onvroom, wrevelig te zijn over een vroegtijdig afsterven; maar toch met iets van dat gevoel valt ons de pen uit de hand, omdat we niet, zoo als hij het voor anderen zou hebben gedaan, met levendige, voelbare trekken kunnen schetsen, hoeveel talent met hem door den dood is te loor gegaan, hoe veel regtmatige verwachtingen zijn te leur gesteld geworden.
(Konst- en Letterbode, 1857, No. 44.)