terug  begin  verderprepost
[p. 481]

Bettina von Arnim.

Op den 20en Januarij [1859] overleed eene van Duitschlands beroemdste vrouwen; beroemd, omdat het in Duitschland zooveel gemakkelijker is, zelfs voor vrouwen, eene zekere beroemdheid vol te houden dan in Frankrijk. Over de voorhistorische periode van het tegenwoordige Pruissen - de historische vangt onzes inziens met den slag van Jena aan - zweven enkele gemoedelijke mythische herinneringen, welke van een Godenkring in Berlijn gewagen, waarin de verstrooide aanhangers van Jacobi, de gebroeders Schlegel, de romantieken zoo als Chamisso en La Motte Fouqué, maar vooral de monologen van Schleiermacher te huis behoorden. De pas uitgegeven briefwisseling van den laatsten heeft de herinnering van dien Godenkring en van zijne meer dan verdachte godinnen verlevendigd. Uit dien tijd van kindsheid, waarover de zondvloed, welke den Pruissischen staat bijna geheel vernietigde, is henengegaan, bleven enkele onpraktische philosophemen, de ‘romantische school’, en zeer weinig krachtige talenten voor de nakomelingschap over. Door hunne zamenwerking is het gelukt de voorstelling te scheppen van een Berlijnschen paradijsstaat, voor welken niemand gevoel of sympathie kan hebben, dan wie een Berlijner is van bloede en van huis. In dien ‘staat van regtheid’ doorstiet zich de stiftsdame Carolina von Gunderode uit hartstogtelijke liefde voor den symbolischen Creuzer, en in een lieve kinderlijke luim schreef hare vriendin, de schrijfster welker dood wij aankondigen, Bettina Brentano, de minnebrieven van een kind aan Goethe, aan Goethe, welke die brieven met olympisch zelfvertrouwen naast zich legde, opvouwde, maar er bij lange niet zoo veel werk van maakte als van die van zijn vriend, den demonischen Merck. Bettina, in 1785 te Frankfort geboren, was de zuster van dien Clemens Brentano, welke op den door alle echte Germanen zoo bewonderden

[p. 482]

Knabes Wunderhorn toette, waarbij hem Achim von Arnim bijstond en van tijd tot tijd verving. Achim von Arnim en zijne baroque litterarische werkzaamheid kunt gij uit Heine's Romantische Schule leeren kennen, en diezelfde baroque Achim von Arnim werd de welgepaarde echtgenoot van het kind dat aan Goethe liefdesverklaringen deed. - Alles wel, indien het daarbij gebleven ware; maar in 1835 gaf de door vijftig jaren meer dan gerijpte vrouw de Briefe eines Kindes in het licht, niet met dien scholieren-eerbied, welken Eckermann voor zijnen meester aan den dag legde, maar met die aanmatiging welke alleenlijk in Berlijnsche kringen kon gewonnen worden. Bettina en Rahel werden de Berlijnsche Aspasias en Hypatias. Er behoort moed toe, vooral voor vrouwen, de kindsche herinneringen van 30 jaren geleden in een boek te koop te stellen, en de evangelische belofte, welke het koningrijk der hemelen aan hen toezegt, die worden gelijk een kindeken, geeft geen regt het koningschap in de letteren te verwachten van dezulken, die zich moedwillig als kinderen aanstellen. Intusschen, het boek leefde voort door de ziekelijke kracht van den moedwil, waarmede het uitgegeven was. Een nieuwe moedwil wierp Bettina in de armen der socialistische beschouwingen, waaraan haar werk: Dies Buch gehört dem König, in 1848 in het licht verschenen, te danken is. Maar de Berlijnsche censuur verstaat geen moedwil, zelfs al wordt die in speelsche en kinderlijke vormen opgevoerd, en zij belastte zich, met onderscheidende welwillendheid, de vermaardheid en het debiet van dat boek te bevorderen. Thans zijn ernstige schrijvers, zoo als Julian Schmidt, bezig om de plaats te zoeken en te verdedigen, welke Bettina in de Duitsche letterkunde zal blijven innemen en wij zouden aan onze verpligting als berigtgevers te kort doen, indien wij niet mededeelden, dat de geprezene schrijfster, na een langdurig lijden, te Berlijn het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld. Zij had overigens den roem verworven van eene voortreffelijke gade en uitstekende moeder,

[p. 483]

al had zij ook vier zonen, die respectivelijk de doopnamen van Freymund, Friedmund, Siegmund en Kunemund ontvingen.

 

(Konst- en Letterbode, 1859, No. 7.)

prepostterug  begin  verder