In de eerste helft der maand Januarij [1860] overleed te Brighton, in drie-en-tachtigjarigen ouderdom, de kolonel William Martin Leake. Zijn naam, die vroeger algemeen beroemd was, raakte langzamerhand zoo zeer in vergetelheid, dat het werkelijk der Engelsche dagbladpers tot schande verstrekt, dat zijn overlijden niet of slechts ter loops vermeld wordt. Toch was Leake de grondlegger der antiquarisch-topographische studie van Attika en Athene. Zijn werk Topography of Athens stond jaren lang met onbetwist gezag alleen en leverde voor de verdere onderzoekingen van Boeckh, Hermann, Sauppe en Westermann de stof. Leake had met warme liefde voor de oudheid Griekenland gedurende de jaren 1806 tot 1809 in alle rigtingen doorkruist en later zich nevens Lord Byron als partijganger voor de Hellenen in den vrijheidsoorlog onderscheiden. In een tijdvak, waarin de zucht voor Grieksche archeologie kwijnde, had hij met buitengewone scherpzinnigheid en degelijke kritiek door zijne plaatsbeschrijving van Athene, in 1821 in het licht verschenen, die zich niet slechts door het verrassende zijner ontdekkingen, maar ook door eene gemakkelijkheid en duidelijkheid van stijl onderscheidde, waaraan ons de Duitsche archeologen niet hadden gewend, voor het onderzoek eene nieuwe baan gebroken. De bekende Fransche zending, de vestiging eener Duitsche dynastie, die mannen als K.O. Müller, Ross, Welcker en anderen tot nasporingen op de plaats zelve uitlokte, de groote onderneming van het Corpus Inscriptionum, wierpen natuurlijk eene schaduw over hetgeen Leake, niet zonder gevaar en met eigen middelen had tot stand gebragt; maar
voor de degelijkheid zijner werken getuigt dat mannen als Reinäcker, Ottf. Müller en Sauppe aan de vertaling van die werken in het Duitsch hebben gearbeid en dat nog heden zijne Atheensche plaatsbeschrijving het standpunt is, vanwaar verder onderzoek uitgaat, hetzij om die in bijzonderheden te bevestigen, hetzij om die te wederleggen. Niet minder waarde dan zijn hoofdwerk hebben zijne Travels in the Morea (3 vol. 1830) en in Northern Greece (4 vol. 1835). Ook den Griekschen Archipel en een gedeelte van Klein Azië had hij doorreisd en in zijnen Tour in Asia minor en in zijn Memoir of the island of Cos maakte hij zijne resultaten wereldkundig. Bij uitgebreide kennis van de oudheid, bezat Leake tevens den praktischen zin die den Engelschman onderscheidt. Nog in gevorderden ouderdom ondernam hij eene nieuwe reis naar Griekenland en dat hij van daar eenigermate knorrig terugkwam, bewijst de titel van zijn in 1859 uitgegeven boek: Greece at the end of twenty-three years protection. Dat de bekende zending van Gladstone niet beter slaagde, zal wel niet aan de raadgevingen van den grijsaard te danken zijn. Maar zeker bewijst het voor de achting, welke zijne kunde genoot, dat Gladstone hem voor zijn vertrek raadpleegde. Leakes laatste werk was zijn Numismata Hellenica en zeer kort voor zijn dood had hij een toevoegsel tot dien arbeid in het licht gezonden.
(De Ned. Spectator, 1860, No. 4.)