terug  begin  verderprepost

Een leerstoel voor het Sanskriet te Leiden.

Het Dagblad van Zuid-Holland en 's Gravenhage van den 12den Februarij [1862] deelt het berigt mede, dat de leerstoel bij de letterkundige faculteit te Leiden, openstaande ten gevolge van den dood van prof. Juynboll, niet zal worden vervuld. Wij drukken luide onzen wensch uit, dat dit berigt onjuist zij; ware het juist, wij zouden daarin een bewijs vinden, dat hetgeen door velen gevreesd werd zou worden bevestigd: bezuinigingen door de slechte uitkomst van het O.I. saldo geboden, zullen vooral gevonden worden door bekrimpingen op de uitgaven voor onderwijs, kunsten en wetenschappen, hoe bekrompen ook nu reeds berekend. Wij hopen dat het nieuwe Ministerie zelfstandig zal staan, zelfs tegenover zijne eigene antecedenten in de Tweede Kamer, antecedenten, welke wij liever blijven toeschrijven aan weêrzin tegen een regelloos beheer in zaken van wetenschap, dan aan een vastberaamd stelsel om die belangen telken reize op te offeren aan materiële vorderingen. Nog veel ongetrouwer zou de Spectator aan zijne overtuiging zijn, indien hij zich niet voortdurend tegen zulk een stelsel verklaarde.

Ziehier wat er van de zaak is. Een leerstoel in de letter-

[p. 505]

kundige faculteit staat te Leiden open, en aan curatoren is volgens de nog bestaande onderwijsregeling toevertrouwd te beslissen, welke vakken aan den nieuw te benoemen leeraar ter behandeling zullen worden opgedragen. Het Semitische Oostersch is door de H.H. Rutgers, Dozy, Kuenen volkomen vertegenwoordigd. Een vak wordt echter als bijvak behandeld, het Sanskriet met de daaraan verbonden Indo-Germaansche vergelijkende taalstudie. De tijdgeest, geleid en gedwongen door nieuwe ontdekkingen op het vergelijkenderwijze nieuwe veld, drijft Nederland om bij de beweging van naburige staten, van naburige hoogescholen, eershalve niet achter te blijven: nog weinige jaren en een leerstoel in dat vak zal, niet meer wenschelijk, maar onmisbaar zijn. Thans biedt zich een gelegenheid aan voor het introniseren van de gewenschte studie, en dit kan plaats hebben, zonder nieuwe verhooging van het Akademisch budget, zonder ingrijpen in eene te verwachten regeling van het hooger onderwijs. Maar niet slechts de plaats staat ledig, waarop de studie van het Sanskriet zitting kan nemen: ook de naam van hem, welke die studie kan vertegenwoordigen, wordt van vele zijden gemompeld. Er is in Nederland een man, wiens bekwaamheid in het Sanskriet buiten 's lands zoo gewaardeerd wordt, dat hij tot medewerking aan het groote Sanskriet-Woordenboek is uitgenoodigd, dat aan hem met drie anderen de taak om te voltooijen, wat door Wilson werd achtergelaten, is opgedragen: ja, zijn wij wel onderrigt, dan staat hem de gelegenheid open, zich met Junij aanstaande naar Oxford te verplaatsen op betere voorwaarden dan ons vaderland hem aanbiedt. - Door de openbaarmaking dezer omstandigheden wenschen wij voor ons land een voordeel te behouden, dat naderhand niet, of slechts ten halve, of met opofferingen zal herkregen worden, en de regering voor een eersten stap te waarschuwen in eene rigting, welke haar nu reeds zal depopulariseren en naderhand tot blijvend en welverdiend verwijt zal verstrekken.

 

(De Ned. Spectator, 1862, No. 7.)

[p. 506]

De Middelburgsche Courant bragt in het laatst van April [1862] het berigt, dat onze Indoloog, dr. Kern te Maastricht, eene uitnoodiging om zich naar Oxford te verplaatsen had van de hand gewezen en in het vaderland aan de wetenschap dienstbaar wenscht te blijven. De Utrechtsche Courant nam het berigt over; maar het is ons niet vergund te verzekeren of het gegrond is. Dit weten wij, dat hem door heeren curatoren der Leidsche hoogeschool een wenk in dien zin was gegeven, en hem het uitzigt op den door den dood van Juynboll ontledigden leerstoel bij de faculteit der letteren voorgespiegeld. Wij weten dat curatoren een daarmede overeenkomende voordragt bij de regering hebben ingediend - maar dat de regering het beschouwd heeft als bedekte ééne lijkzerk Juynboll en zijn leerstoel. Hoeveel teleurstelling het nieuwe ontwerp der begrooting van het vijfde hoofdstuk van Binnenlandsche zaken ons te dien opzigte heeft opgeleverd kan ieder beseffen die zich herinnert hoezeer wij op de erkenning van het Sanskriet in den cyclus van het hooger onderwijs herhaaldelijk hebben aangedrongen. Wij hebben nooit het curatorium van Leiden van overdreven verlichting, den minister Thorbecke nooit van wetenschappelijke bekrompenheid verdacht. Thans echter zouden wij bijna meenen dat de rollen waren omgekeerd.

De Vertegenwoordiging heeft tweemalen, ten gevalle der wetenschap, een loffelijk initiatief genomen: eens, toen zij de oprigting van een leerstoel voor vaderlandsche geschiedenis aan onze eerste hoogeschool opwierp, en, werd al die eerste wensch niet aanstonds bevredigd, volkomen werd er aan voldaan, zoodra de specialiteit gevonden was, welke dien leerstoel waardig kon bekleeden. Een andermaal liet het emeritaat van den beroemden Van Assen eene plaats ledig voor den uitstekendsten beoefenaar van het Romeinsche regt ten onzent en de Kamer had den moed om zelfs van éénen leerstoel er twee te maken. Nog tempestiver is de gelegenheid, welke thans zich voordoet. Het onderwijs der Semitische talen be-

[p. 507]

hoeft, bij eene geschikte verdeeling der vakken, zelfs na den dood van Juynboll niets te lijden; maar het kwaad, ten gevolge van dat afsterven door de akademie geleden, had kunnen ten beste gekeerd worden indien in Nederland het Sanskriet de plaats had ingenomen, daaraan door alle natiën van Europa, welke op vooruitgang prijs stellen, toegekend.

Wij wenschen vuriglijk dat ditmaal de Kamer aan hare antecedenten getrouw zal blijven. Hier hopen wij dat niet het prestige van een naam, in de wereld der wetenschap teregt beroemd, een overwigt oefene, dat op het gebied der wetenschap van niemand kan geduld worden. Ware het dat hier persoonlijke invloed mogt gelden, dan kunnen wij ons niet van het terrein van het personele onthouden. De persoonlijke consideratie, welke een man als Thorbecke als geleerde toekomt, lokt persoonlijke consideratiën uit, en wij aarzelen niet te verklaren, dat er op het veld der wetenschappen uitgebreide streken zijn, die de blik van Thorbecke niet gemeten heeft, en waarvan hij noch de vruchten, noch de behoeften kent. Zelfs een verschuilen achter eene mogelijke verplaatsing van de Oostersche taalstudie van de Delftsche akademie naar elders mag niet in rekening worden gebragt; want wij zijn overtuigd, dat geen der leeraren in het Oostersch aan de akademie te Delft zich zal aanmatigen de hoogte te hebben bereikt waarop de studie van het Sanskriet bij de meeste onzer naburen staat.

Eenmaal op het terrein van het personele, valt het ons moeijelijk de overtuiging te onderdrukken, dat de specialiteit voor dat vak in den door curatoren aanbevolen persoon gevonden is. Student onder Bopp en Alb. Weber, sedert door dezen als hoogleeraar in het Sanskriet aan de hoogeschool te Würzburg aanbevolen, medewerker op bijzondere uitnoodiging aan het groot Sanskriet Woordenboek door Roth en Böhtlingk voor de akademie van Petersburg uitgegeven en door beide die geleerden als medewerker rühmlichst anerkannt, vermaard om de Sanskriet studiën door hem in

[p. 508]

Engeland geoefend en daarom door gezaghebbende leden van het Oost-Indisch bestuur bestemd voor eene zending naar Britsch-Indië en nog dezer dagen door Monier Williams aan het plan van het Oxfordsch Woordenboek verbonden; - ziedaar antecedenten, die zeldzaam in ons vaderland kunnen aangevoerd worden.

Mogten regering en vertegenwoordiging ongevoelig blijven voor den eisch van het hooger onderwijs en voor de regten van persoonlijke verdiensten, dan wenschen wij van harte dat curatoren op den ingeslagen weg niet verflaauwen en van het regt gebruik maken hun door het besluit van 1815 toegekend om door een extraordinair professoraat een man van verdienste thans nog voor het vaderland beschikbaar, daaraan te verbinden; - vooral wanneer het gevaar dreigt, dat hij eerlang niet meer beschikbaar zal zijn.

 

(De Ned. Spectator, 1862. No. 18.)

prepostterug  begin  verder